Hoofdstuk 2 van 14
Een kamer op papier
In de auto vroeg Tijn of er nog iets te eten was.
Haar vader draaide zijn hoofd. ‘Twee gemberkoekjes.’
‘Die de hond heeft afgelikt?’
‘Alleen de buitenkant van de jas.’
Tijn trok zijn neus op. Haar vader stopte de koekjes zelf in zijn mond en startte. Nina zat naast haar broertje, met haar hand op de lege plek tussen hen. Ze voelde nog waar de riem in haar vingers had gelegen. Het was nergens aan te zien. Ze had gehoopt dat hij een afdruk zou achterlaten.
Haar moeder draaide zich om.
‘En, wat vonden jullie?’
‘Heel leuk,’ zei Nina.
Tijn keek naar zijn schoenen. Zijn rugzak stond tussen zijn voeten geklemd. Hij had hem niet afgedaan voordat hij instapte, en had er toen zelf onderuit moeten kruipen.
‘Hij liep gewoon mee,’ zei Nina. ‘En hij deed helemaal niet druk.’
‘Dat zag ik,’ zei haar moeder.
‘En hij trok ook bijna niet. Alleen bij dat zakje, maar dat deed hij niet hard.’
Ze moest opletten dat ze niet zei hoe gemakkelijk het was. Het was haar nieuwe woord voor alle dingen die ze zelf nog niet heel vaak had gedaan. Thuis had ze de nieuwe riem in haar hand gehouden en bedacht dat die dus ook nog maar één kant op kon gaan.
Tijn haalde zijn neus op.
‘Ik vond—’ begon hij.
‘Hij keek alleen even naar je,’ zei Nina. ‘Dat doet hij omdat hij wil weten wie je bent.’
Haar moeder hield één hand op de rugleuning. ‘Ik vroeg het aan Tijn.’
Nina keek naar buiten. Er was een deur met een hartje in het glas. De straat ervoor was zo smal dat haar vader een stukje achteruit moest om een bestelauto langs te laten.
‘Wat wilde je zeggen?’ vroeg haar moeder.
Tijn haalde zijn schouders op. ‘Weet ik niet meer.’
‘Je hoeft ook niet nu meteen iets te vinden,’ zei haar vader. Hij reed weer vooruit. ‘Maar straks wel je tas opruimen. Ik heb vanochtend bijna in de keuken gelegen.’
‘Daar staat hij altijd.’
‘Dat is precies waarom ik er vanochtend ook weer tegenaan liep.’
Nina keek naar de rugzak. De reflectiestreep aan de voorkant was vuil geworden. Er hing een draadje aan de rits. Hij stond inderdaad altijd op dezelfde plek. Ze had er tot vorige week geen enkele keer iets over gezegd.
Haar telefoon trilde.
Esra had een foto gestuurd van een muur. Er zat een stopcontact op en een streep zon. Verder niets.
Hier komt mijn bed, stond eronder.
Nina maakte de foto groter. Ze kon geen raam zien. Alleen de rechte rand van het licht dat erdoor naar binnen viel. Waarschijnlijk was het raam aan de andere kant.
Ze schreef dat Bram bij haar vader in zijn zak was gaan zitten.
Gaan zitten? kwam terug.
Met zijn neus.
Esra stuurde een lange rij glimlachende gezichten. Daarna: Hoe is het met Tijn?
Ging goed, schreef Nina.
Ze zag hoe de woorden in het scherm bleven staan. Ze keek opzij. Haar broertje had zijn handen tussen zijn knieën gestoken en keek naar het licht dat over de ruiten gleed. Hij vroeg of ze onderweg langs de bakker gingen.
Thuis zette hij zijn tas naast de keukendeur.
Nina bleef ervoor staan.
‘Daar kun je niet langs,’ zei ze.
Hij keek naar de ruimte naast zijn tas. Daarna stapte hij er demonstratief doorheen. Hij trok zijn buik in alsof hij tussen twee hele hoge muren door moest. Aan de andere kant deed hij zijn armen wijd.
‘Gered.’
Ze wilde er iets op zeggen, maar haar vader riep dat de deur van de koelkast openstond. Tijn liep naar de keuken en trok hem dicht met zijn voet.
Nina ging naar boven.
Onder haar bed lag het plastic zakje met de blauwe riem. Er zat een witte kaart aan waarop een hond stond die veel harder liep dan Bram. De foto deed het ding zelf geen recht. Het blauw was in het echt dieper. Niet zo licht als speelgoed.
Ze schoof het zakje terug toen haar telefoon ging.
‘Kun je even komen?’ vroeg Esra. ‘Ik heb iets getekend.’
‘Wat?’
‘Dat zie je dan.’
Ze hadden elkaar die ochtend op school nog gezien. Nina dacht aan de wandeling, aan Bram die eerst naar links had gekeken bij de deur. Ze wilde Esra vertellen hoe Bram naar de koekjes was gegaan. Ze trok haar jas weer aan.
Bij Esra stond de voordeur open. Esra’s vader was met een doos bezig die aan de onderkant scheef hing. Hij hield hem met zijn knie tegen de muur terwijl hij plakband aftrok.
‘Je mag gewoon door,’ zei hij.
Nina stapte over een smalle strook karton. Op de trap lagen drie boeken. Ze herkende het onderste. Dat had Esra al een halfjaar van haar geleend.
Boven stond het raam open. Esra zat op de grond en hield een vel vast met één voet. In het midden had ze een groot vierkant getekend. Er stonden kleinere vierkanten in, met woorden erbij.
‘Dit is ongeveer op schaal,’ zei ze.
Nina keek naar het getekende bed. ‘Voor een heel klein mens.’
‘Daarom staat er bed bij.’
Ze ging naast Esra zitten. Er was in de kamer nauwelijks plaats voor twee paar benen. Nina schoof met haar hiel een stapel oude schriften opzij.
‘Hier komt het bureau,’ zei Esra. ‘En als ik die kast daar zet, kan ik de deur helemaal open doen.’
Nina keek naar de echte deur. Hij kon nu niet verder dan een stuk of drie dikke boeken breed. De rest werd tegengehouden door de stoel waar Esra haar kleren op gooide.
‘Die is dan dus leeg.’
Esra knikte enthousiast. ‘En ik kan daar bij het raam op de grond zitten zonder dat iedereen over me heen moet.’
Ze wees naar de zonvlek op de foto van haar telefoon. Nina keek naar de getekende stoel. Hij had vier poten die niet op dezelfde plek begonnen.
‘Je hebt echt heel veel ruimte,’ zei ze.
‘Ja.’
Esra keek nog een keer naar de tekening. Ze streek een gekreukelde hoek glad. ‘Ik moet alleen uitzoeken waar die oude spiegel heen kan. Die mag niet tegen het raam.’
Nina zei niets.
Tot voor kort was het verhuizen iets geweest dat Esra’s ouders deden. Een huis bekijken, een papier tekenen, dozen kopen. Daar kon Nina zich aan ergeren zonder dat Esra er zelf in mee hoefde. Nu had haar vriendin een vel op de grond liggen waarop ze de plek van haar eigen stoel al wist.
‘Je mag hem wel zien hoor,’ zei Esra.
‘Wat?’
‘De kamer. Als we er wonen.’
‘Natuurlijk.’
‘Je keek alsof je er niet in mocht.’
Nina trok een hoek van het vel recht. ‘Ik keek naar die stoel. Die zakt door zijn poten.’
Esra gaf haar een potlood. ‘Teken jij hem dan.’
Ze tekende een stevige zitting. Daarna twee poten. Esra zei dat de andere twee er ook nog bij moesten. Nina zette ze precies achter de eerste, zodat ze niet te zien waren. Dat vond ze een uitstekende oplossing.

Esra lachte en schoof het vel opzij.
‘Gaan we zaterdag nog naar de markt?’
‘Ja.’
‘Echt? Geen hondending?’
Nina wilde meteen zeggen dat het niet altijd over Bram ging. Ze had vandaag nog heel veel andere dingen gedaan. Ze had een toets gemaakt en een fiets van iemand anders uit het rek getrokken omdat hij op die van haar leek. Ze had een stoel getekend met vier poten, waarvan je er twee niet zag.
‘Die afspraak is pas volgende week,’ zei ze.
‘Goed. Dan wil ik iets met schouders.’
Esra deed haar armen een stukje van haar lijf. ‘Veel schouders.’
Nina keek haar aan en begon te lachen. Het werd iets voor een breed mens met een heel klein hoofd. Ze probeerde het zelf ook. Esra zei dat ze vooral leek op iemand die haar oksels liet drogen.
Ze bleven op de grond zitten tot Esra’s vader vroeg of het vel dat hij beneden had gevonden weggegooid mocht worden.
‘Nee!’ riepen ze tegelijk.
Hij stak zijn hoofd om de deur. Hij hield een lege pizzadoos vast.
Esra sloeg haar hand voor haar mond. Nina lachte tot ze met haar rug tegen de stoel moest leunen.
Op weg naar huis stuurde ze een bericht over zaterdag. Eerst aan Esra, al hadden ze het net afgesproken. Daarna keek ze naar de foto van Bram die nog op haar telefoon stond.
Hij keek naast de camera. Ze had tot vandaag niet eens bedacht waarnaar.