← De plek van Bram
Inhoudsopgave · hoofdstuk 6 van 14
  1. 1. Naast de keukendeur
  2. 2. Een kamer op papier
  3. 3. De blauwe jas
  4. 4. De plek voor een tas
  5. 5. Eén mouw
  6. 6. Bram is geen plaatje
  7. 7. Onder de stoel
  8. 8. Nog even niet
  9. 9. Alles in dozen
  10. 10. Niet voor hem
  11. 11. Het antwoord
  12. 12. Aan de andere kant
  13. 13. De bak
  14. 14. De lange straat

Hoofdstuk 6 van 14

Bram is geen plaatje

In de zak van Nina’s grijze jas zat de nieuwe riem.

Ze had de verpakking eraf gehaald en hem twee keer dubbelgevouwen. Zo paste hij erin zonder dat het uiteinde naast haar hand hing. Ze wist niet of ze hem vandaag zou gebruiken. Ze had hem liever toch bij zich.

Haar vader kwam met Tijn de straat in toen zij en haar moeder bij de ingang stonden. Haar broertje droeg geen rugzak. Zijn haar was aan één kant plat en aan de andere kant hoog, alsof hij er zelf tussendoor was gereden.

‘We hebben de laatste meter gerend,’ zei haar vader.

‘Jij niet,’ zei Tijn.

‘Ik hield toezicht.’

Nina deed de deur open voordat hij er verder iets over kon zeggen.

Binnen stond een vrouw met een papieren zak in haar handen. Ze schoof een klein bedrag over de balie en zei tegen de medewerker dat ze de onderkant nog had dichtgeplakt. Nina keek niet wat erin zat. Misschien was het voer. Misschien iets heel anders. Zij kwam voor Bram.

Ellen kwam hen halen. Ze vroeg of iedereen een goede week had gehad. Haar moeder antwoordde. Tijn keek naar een folderrek waar één vak helemaal leeg was.

‘Daar staat hij,’ zei Nina.

Ze had hem al door het glas gezien. Bram liep buiten bij een stoel. Zijn neus was zo dicht bij de grond dat het leek alsof hij zijn eigen poten ermee aanwees.

Ellen liet hen door de deur. Nina hield de klink vast tot haar vader er ook was. Tijn bleef achter hem.

Bram tilde zijn kop op.

Hij kwam naar hen toe. Nina haalde haar hand uit haar zak. Ze voelde de gladde riem nog langs haar knokkels gaan. Bram rook aan haar vingers, ging een stukje opzij en keek naar de jaszak die nu half openstond.

‘Dit is voor jou,’ zei ze zacht.

Ze trok de riem een stukje naar buiten. Ellen keek ernaar.

‘Mooi blauw.’

‘Mag die?’

‘Vandaag gebruiken we deze nog,’ zei Ellen. Ze hield de riem op die ze al vast had. ‘Dan hoeven we nu niets te wisselen.’

Nina stopte het blauw terug. Het was geen nee tegen haar. Dat wist ze. Toch had ze het niet mee hoeven nemen om het weer in haar eigen zak te doen.

Ze gingen hetzelfde pad op als de eerste keer. Bij de deur keek Bram weer naar links. Deze keer bleef Nina zelf ook staan. Ze zag een spinnenweb in de hoek boven de scharnieren. Eén draad had zich over het kozijn gespannen.

Tijn kwam naast haar vader staan. Hij hield een klein steentje tussen twee vingers en draaide het steeds om.

‘Hoe ging het thuis na de vorige keer?’ vroeg Ellen.

Nina keek meteen naar haar moeder.

‘We hebben er veel over gepraat,’ zei die. ‘Maar we zijn er nog niet.’

‘Dat hoeft ook niet.’

Ellen keek naar Tijn. ‘Wil jij weer aan die kant?’

Hij knikte. Hij ging naast zijn vader lopen. Er zat bijna een hele persoon tussen hem en Bram. Nina liep schuin achter Ellen en keek naar de bruine rug. Hij bewoog rustiger dan op de filmpjes van honden die ergens achteraan renden. Het paste bij hem. Ze had hem nog nooit hard zien lopen.

Ze kwamen bij het fietsenrek. Het lege zakje was weg. Nina moest er even om glimlachen. Van alle dingen die anders konden zijn dan donderdag was dit ongeveer het kleinste.

Bram liep erlangs.

Ellen gaf Nina na een tijdje de riem. Ze vroeg of de lengte zo goed was. Nina knikte. Ze hield haar hand deze keer wat lager. Haar vader keek niet voortdurend naar haar vingers. Dat voelde prettig.

‘Hij doet het al net anders,’ zei ze tegen Tijn.

Hij keek langs haar arm naar de hond.

‘Hij loopt.’

‘Ja, maar hier ging hij eerst de andere kant op.’

Tijn stak het steentje in zijn zak. Hij zei niets terug. Nina keek weer voor zich.

Ze volgden het pad langs een haag. Er zat een opening in waar een fietspad achter lag. Ellen wachtte tot een man voorbij was en wees toen naar het bredere stuk verderop. Ze konden daar omdraaien zonder op de fietsen te hoeven letten.

Nina had gehoopt dat ze verder gingen. Een echte wandeling duurde langer. Ze had dat nergens gevraagd. Het had in haar hoofd gezeten als iets dat vanzelf bij een tweede keer hoorde.

Bram bleef bij de haag staan.

Nina wachtte. Haar vader zette een voet op de lage rand van het pad en bekeek de onderkant van zijn schoen. Tijn ging een stap achter hem staan. Hij keek naar een tak die uit de haag stak en haalde het steentje weer uit zijn zak.

Toen liep Bram om Nina heen.

Ze verplaatste haar hand om de riem niet om haar been te laten gaan. Hij had iets gehoord of geroken aan de andere kant. Ze wist niet wat. Hij stak zijn kop langs haar vader en kwam met zijn neus bij Tijns schoen.

Tijn bewoog niet.

Zijn handen schoten omhoog, maar bleven halverwege zijn lijf staan. Het steentje viel uit zijn hand. Hij keek niet waar het terechtkwam. Zijn mond was een klein stukje open.

Haar vader deed zijn voet van de rand en ging ertussen staan.

Nina’s vader maakt ruimte tussen Tijn en Bram tijdens de tweede wandeling.

‘Kom maar hier,’ zei hij tegen Tijn.

Ellen nam de riem van Nina over. Het ging snel zonder dat iemand eraan trok. Bram hief zijn kop, keek naar Ellen en liep met haar een paar passen van de haag weg.

Nina bleef met haar lege hand staan.

‘Hij wilde alleen ruiken,’ zei ze.

Tijn ging naast hun vader staan. Nu aan de buitenkant. Er lag een blad op zijn schoen. Hij schudde het er niet af.

Ellen wachtte tot Bram stilstond. Toen keek ze naar Tijn.

‘Wil je verder lopen?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Dan gaan we terug.’

Nina keek naar de opening in de haag. Ze waren nog niet eens bij het brede stuk. Je kon daar in een minuut naartoe lopen.

‘Hij vindt het wel leuk,’ zei ze. ‘Alleen een beetje verlegen.’

De woorden klonken vreemd zodra ze buiten haar mond waren. Verlegen. Dat was iets wat Tijn soms deed wanneer volwassenen vroegen hoe het op school ging. Dan trok hij aan haar mouw en liet hij haar beginnen.

Nu trok hij nergens aan.

Ellen keek naar haar. Daarna weer naar hem.

‘Wat vind jij?’ vroeg ze.

Tijn had zijn ogen op het blad gericht. Het zat nog steeds op zijn schoen. Met zijn andere voet streek hij het er voorzichtig af.

‘Ik weet het niet.’

‘Goed,’ zei Ellen. ‘Dan hoef je dat nu niet verder te bedenken. We lopen terug en je hoeft niet naast Bram.’

Haar moeder ging naast Tijn staan. Ze legde haar hand niet op zijn hoofd. Daar hield hij niet van. Ze zei alleen dat hij bij haar kon blijven.

Nina liep achter de anderen. Bram ging evenmin hard als daarvoor. Bij de haag hield hij nog één keer stil. Ellen wachtte. Haar vader keek achterom naar Nina en maakte ruimte zodat ze naast hem kon komen.

Ze kwam niet meteen.

‘Nina?’

Ze trok de rits van haar jas een stukje hoger. De opgevouwen blauwe riem duwde tegen haar hand. Ze haalde haar vingers uit de zak en liet ze los langs haar jas hangen.

‘Ik kom,’ zei ze.

Ze liep door tot ze naast haar vader was. Achter de haag gleed een fietsbel langs het pad. Tijn keek ervan op. Deze keer wel.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.