Hoofdstuk 8 van 14
Nog even niet
De volgende ochtend zocht Tijn zijn rugzak.
Hij liep twee keer door de keuken. Nina zat met een boterham aan tafel en hoorde hem de deur naar de schuur opentrekken. Daar vond hij alleen zijn schoenen van gisteren.
‘Boven,’ zei ze.
Hij draaide zich om.
‘Op je kamer.’
‘Waarom?’
‘Hij stond hier in de weg.’
Ze nam een hap. Het was een bijzonder goede manier om even niet te hoeven praten.
Tijn keek naar de plek naast de keukendeur. De bak stond er niet. Nina had hem gisteren van het aanrecht gepakt, met de bak in haar handen naar de vloer gekeken en hem toen toch weer teruggezet. De tas had ze wel meegenomen.
‘Er staat hier niks,’ zei hij.
‘Hij kan toch ook op je kamer?’
Hij liep de trap op. Hij zei nog iets, maar niet hard genoeg om te verstaan. Haar moeder kwam de keuken in met haar telefoon aan haar oor. Ze keek naar de lege plek, toen naar Nina en wees naar de broodzak.
Nina schoof hem naar haar toe.
Ze waren allemaal laat. Haar vader zat al in de auto toen Tijn weer beneden kwam. Hij moest ergens naartoe voordat hij thuis verder kon werken. Nina haalde haar fiets uit de schuur en ontdekte dat haar voorlicht nog aanstond. Het had de hele nacht tegen de muur geschenen.
Toen ze buiten kwam, reed Esra net voorbij.
‘Je bent laat,’ riep die.
‘Dat merk ik.’
Esra remde en liet haar naast zich komen. Haar zilveren jas hing aan de onderkant een beetje op het achterwiel. Ze trok hem onder haar been en ging op de pedalen staan.
‘Mouwen zijn nog veel te lang,’ zei ze.
Nina keek naar de glans die tussen Esra’s vingers uitkwam. ‘Wil je dat ik ze doe?’
Esra keek naar haar om. Ze moesten allebei lachen, heel even. Bij het volgende kruispunt ging het licht op rood en moesten ze afstappen.
‘Gisteren geweest?’ vroeg Esra.
Nina knikte.
‘En?’
Een bus reed langs. Het geluid bleef zo lang tussen hen in hangen dat Nina eerst dacht dat ze niet meer hoefde te antwoorden.
‘We zijn teruggelopen.’
‘Van de wandeling?’
‘Ja.’
Esra hield haar mouw uit de buurt van haar rem. ‘Is er iets gebeurd?’
‘Nee.’
Er was wel iets gebeurd. Tijn had niets gedaan, en dat was precies het probleem. Hij was blijven staan alsof de grond onder hem iemand anders toebehoorde. Nina keek naar de lichte kras op haar stuur.
‘Tijn vindt het nog een beetje moeilijk,’ zei ze.
Esra knikte. Ze liet de zin even liggen. Toen werd het groen. Ze zetten af en moesten op elkaar letten om niet met hun sturen tegen elkaar te komen.
Op school kregen ze een andere plek bij Nederlands. Esra zat twee rijen verderop, naast iemand die Nina niet goed kende. Nina keek een paar keer haar kant op. Haar vriendin luisterde naar iets wat dat meisje vertelde en hield haar hand voor haar mond om niet hardop te lachen.
Nina richtte zich weer op haar eigen blad. Ze had de eerste vraag al overgeslagen voordat ze hem helemaal gelezen had.
Bij de pauze kwam Esra met haar brood naar haar toe. Nina schoof haar jas opzij zodat Esra op de bank kon.
‘Morgen neem ik het tasje mee,’ zei ze.
‘Je kunt het ook gewoon aan je tas vastmaken. Dan zie je het.’
Nina hield haar telefoon omhoog. ‘Ik zet het erin.’
‘Dat heb je vorige keer ook gedaan.’
Ze liet hem weer zakken. Esra pakte een stukje korst dat op haar broek was gevallen en at het op.
Na school was Nina eerder thuis dan Tijn. Ze legde de blauwe jas op de leuning van de stoel en haalde het tasje onder haar bureau vandaan. De veiligheidsbril ging terug naar de kast. De knopen bleven erin. Ze bond het hengsel aan het handvat van haar schooltas met een dubbele knoop die ze later waarschijnlijk niet meer los zou krijgen.
Toen liep ze naar Tijns kamer.
Naast de deur stond een doos met kaarten waar een hoek uit was gescheurd.
Ze pakte hem op.
Beneden zocht ze de ontbrekende kaarten bij elkaar. Er zat er één onder een tijdschrift en één naast de plantenpot. Toen Tijn thuiskwam, had ze de kaarten op tafel liggen.
‘Wil je?’ vroeg ze.
Hij zette zijn tas naast de keukendeur.
Ze keek ernaar. Ze zei niets.
Hij trok een stoel naar achteren en ging zitten. Ze schoven allebei een hand over de tafel om te voelen of hij droog was. Er mocht geen yoghurt of water op de kaarten komen. Daarom speelden ze niet meer aan het aanrecht, waar zijn halve spel vorige maand een keer had gelegen.
‘Jij deelt,’ zei hij.
Nina schudde de kaarten. Het ging scheef. Ze haalde de stapel uit elkaar en deed het opnieuw. Tijn zei dat het ook gewoon zonder dat kunstje kon.
Ze gaf hem zijn kaarten en nam de hare. Ze had weinig lage. Dat vond ze meestal prettig totdat ze ze nodig had.
Tijn begon met een zeven.
‘Dan mag ik nog een keer,’ zei hij.
‘Sinds wanneer?’
‘Altijd.’
‘Nee.’
Hij legde er rustig een tweede kaart op. ‘Je hebt het zelf gezegd. Bij de zeven.’
Ze had het een keer gezegd toen ze twee zevens had gehad. Dat herinnerde ze zich ineens behoorlijk goed. Ze keek naar de stapel en pakte haar eigen kaart.
Het spel duurde langer dan ze verwachtte. Tijn maakte geen haast. Hij hield de kaarten schuin naar zijn borst en keek haar aan als ze probeerde te zien hoeveel hij nog had. Eén keer pakte hij expres een extra kaart om haar te laten denken dat hij de juiste niet had.
Toen hij won, gooide hij niets op tafel. Hij legde zijn laatste kaart keurig recht.
‘Nog een keer?’ vroeg hij.
‘Ik moet wat doen.’
Hij keek naar de jas op de stoel. ‘Dat kan zo ook.’
Ze zag hem met zijn hand al naar de stapel gaan. Even wilde ze zeggen dat hij altijd alles zo deed dat het hem uitkwam. Ze duwde haar kaarten naar hem toe.
‘Dan deel jij.’
Hij begon. Veel langzamer dan nodig was, met zijn vingers heel plat, omdat zij het zo altijd deed. Nina gaf hem een tikje tegen zijn hand. Hij moest lachen en verloor de helft van de stapel.
Ze raapten de kaarten op voordat hun moeder binnenkwam. Tijn had er één onder zijn schoen. Hij schoof zijn voet achteruit zodat Nina hem kon pakken.
Dit keer hadden ze allebei minder mooie kaarten. Het maakte het spel beter.