Hoofdstuk 8 van 15
De neus komt eerst
Op de stoep mochten ze niet breeduit naast elkaar blijven lopen. Mila zette de olifant stil bij de winkel en wachtte tot een vrouw met twee tassen voorbij was. Raf trok zijn elleboog in. Tess hield het oor tegen de kop. Bo merkte hoe anders de wagen buiten was. Op het erf hadden zij bepaald waar iedereen stond. Hier moest de rest van de wereld er ook nog langs.
Bij de optocht zou dit deel van de straat voor de deelnemers vrij zijn. Vandaag bleven ze op het brede voetpad. Mila koos een rustig stukje en liet de wagen langzaam rollen. Bo hielp links duwen. Tess liep bij de linkerkant van de kop, Raf rechts. Hij liet de kop naar een raam draaien. Achter het raam kwam een klein jongetje overeind. Hij duwde beide handen tegen het glas. Bo grijnsde zo breed dat haar wangen zeer deden.
Tess zag het jongetje ook. Ze trok de korte band op. Het linkeroor klapperde. Het jongetje lachte, zonder geluid door het glas. Bo wilde zwaaien en liet één hand los. Mila hield de wagen stil. ‘Eerst parkeren als je iets anders doet.’ Bo pakte de greep weer vast. Ze voelde zich even betrapt, maar haar moeder keek al naar de bocht. De slurf wees recht vooruit.
Bij het paaltje met het rode bandje was het pad smaller. Daar moest de wagen naar links. Mila kwam langzaam dichterbij en stopte nog voor de bocht. Raf wilde de kop alvast laten kijken waar ze heen gingen. De slurf veegde laag langs de buitenkant van de kop. ‘Wacht,’ zei hij. Hij zette de kop terug. De punt was vlak naast een van Tess' gele laarzen gekomen.
Bo keek naar de lege ruimte achter het paaltje. Daar was genoeg plaats voor de wielen. ‘We kunnen erlangs.’ Mila duwde de rechtergreep een klein stukje opzij. De wagen begon te draaien. De punt van de slurf kwam dicht bij het paaltje, ook al waren de wielen er nog lang niet. Tess stak haar vrije hand op. ‘Ho!’ Mila stopte. De grijze punt hing vlak vóór het rode bandje.

Het paaltje was niet ineens groter. Het stond er zoals het vorige week dinsdag had gestaan. De slurf was lang. Bo had dat zelf geweldig gevonden. Nu wees hij naar een plek waar de wagen niet heen moest. Raf hield de kop vast. ‘Als ik hem draai, wordt het nog erger.’ Bo stapte naar voren om te kijken. Mila bleef bij de geparkeerde wagen.
‘Hij kan toch even omhoog?’ vroeg Bo. Ze raakte de onderkant van de slurf aan. Het papier kraakte. Mila legde een hand op de kop. ‘Zo kan hij niet bewegen. Niet verder buigen.’ Bo trok haar vingers terug. Raf keek naar de aansluiting. ‘We moeten iets maken dat echt kan bewegen.’ Tess liet de oorband zien. ‘Zoals dit, maar dan voor zijn neus.’ Raf schudde zijn hoofd. ‘Deze is stijf. Die moet eerst anders.’
In de verte sloeg een deur. Mila keek hoe laat het was. ‘We gaan terug. Er komt zo iemand een fiets ophalen.’ Bo voelde de vrolijkheid van het jongetje achter het glas wegzakken. Ze waren nauwelijks begonnen. ‘Kunnen we niet de andere kant om?’ ‘Vandaag wel,’ zei Mila. ‘Maar dit is de bocht van de route. Die moeten we voor zaterdag kunnen nemen.’ Ze reden een klein stukje achteruit, onder Mila's leiding, tot ze weer recht stonden.
Terug bij de werkplaats moesten de zijkanten opnieuw los. De hele olifant moest door dezelfde poort naar binnen. Niemand vergat nu hoe dat ging. Raf zette de kop op de doek. Hij legde zijn hand bij het begin van de slurf. ‘Donderdag kunnen we hem korter maken. Of klapbaar. Maar dan moeten we nog oefenen.’ Bo streek over de lange grijze neus. Aan de punt zat een klein vouwtje van haar hand.
‘Misschien kan hij zaterdag bij de bocht gewoon uit,’ zei ze. Raf keek op. ‘Eruit?’ ‘Alleen de slurf. Daarna er weer aan.’ ‘Dan weet ik nog niet hoe het gaat. Dan doe ik het voor het eerst terwijl iedereen kijkt.’ ‘We hebben hem toch hier gemaakt?’ Bo hoorde hoe ongeduldig ze klonk, maar ze kon het niet terugnemen. Raf stopte zijn handen in zijn zakken. ‘Bouwen is niet hetzelfde als lopen.’
Mila kwam terug om de poort af te sluiten. Raf zei haar gedag en vertrok. Tess bleef nog even bij haar oor staan. Bo hoopte dat ze zou zeggen dat Raf overdreef. Tess trok de beschermdoek recht. ‘Hij heeft wel gelijk dat we het moeten proberen.’ Bo pakte het puntje van de doek en stopte het eronder. Dat was iets wat haar handen konden doen zonder dat ze antwoord hoefde te geven.