Hoofdstuk 14 van 15
Vier plekken in de optocht
Er waren meer geluiden dan tijdens het oefenen. De paraplu's voor hen tikten tegen elkaar. Iemand probeerde een trommelriem korter te maken. Er werd geroepen dat de bloemenkar nog niet klaar was, en daarna dat hij juist allang klaar was maar de bloemen nog niet. Bo hield haar handen om de greep en keek naar Mila. Haar moeder trok niet aan de wagen. Ze wachtte tot de groep voor hen echt begon te lopen.
Toen rolden de wielen. Tess keek over haar schouder en stak haar vrije duim op. Dat was niet het stopsignaal. Bo glimlachte terug. Raf liet de kop rustig naar een rij kinderen draaien. Hij draaide hem weer recht voordat ze verdergingen. Het kleine oor klapperde. De staart kwam in beweging door het rijden. Bo hoefde niemand meer te vertellen waar het volgende mooie stukje zat. Ze waren er middenin.
Bij de eerste huizen gingen inderdaad gordijnen opzij. Een vrouw hield haar kopje vlak onder haar kin om niets te morsen en toch te kunnen kijken. Een man kwam op zijn sokken naar buiten. Bo had hem nog nooit zonder schoenen gezien. Hij wees naar het dier en lachte naar iemand achter hem. Bo zocht even haar eigen spiegelbeeld in de ruit. Ze zag alleen de olifant. Daarna zag ze een gele mouw bij de achterkant. Dat was genoeg om te weten waar ze was.
Voor de bloemenwinkel stond het jongetje van dinsdag, nu buiten met een vrouw. Hij keek naar het kleine oor en begon zijn eigen hand naast zijn hoofd te bewegen. Tess deed het terug. Raf draaide de kop iets naar hen toe. Bo wilde roepen dat hij dinsdag al had gekeken. Het jongetje straalde. Bo liet de wagen rustig doorrollen naast haar moeder.
Net voorbij de winkel kwam een kleiner kind van de stoeprand. Het wilde achter de olifant aanlopen, vlak naast een achterwiel. Tess keek opzij, zag het en stak haar hand hoog op. Bo had de paraplu's al de hoek om zien gaan. Er kwam ruimte voor hen. Ze hoefden maar een klein stukje sneller. Toen zei ze ‘ho’ en hield de greep samen met Mila stil. De bloemenkar achter hen stopte ook.

Mila wenkte de volwassene die bij het kind hoorde. De vrouw van het jongetje had het ook gezien en wees. Even later was het kleine kind weer op de stoep, met een hand om zijn pols. Er was niemand gevallen. De olifant stond er gewoon. Bo voelde haar hart nog hard kloppen. Ze zag hoe dicht een kleine schoen bij hun wiel had gestaan. Tess liet haar hand zakken. Bo knikte naar haar, zonder er een grap van te maken.
De paraplu's waren om de bocht verdwenen, maar de bloemenkar stond nog achter hen en op de stoep stonden mensen. Ze waren niet alleen achtergebleven. Mila keek vooruit en vroeg of iedereen klaar was. Raf hield de kop recht. Tess ging weer naast haar oor staan. Bo pakte haar greep beter vast. ‘Ja.’ De olifant reed verder. Niemand riep dat ze op moesten schieten.
Daar was het paaltje. Het rode bandje zat even scheef als gisteren. Bo had het vanmorgen in gedachten veel groter gemaakt. In het echt kwam het maar tot onder de kop. Toch wachtte ze tot Tess haar hand opstak. Ze stopten vóór de bocht, op hun geoefende plek. Raf zette de slurf omhoog. De grijze punt rustte onder de kin. Zijn witte schoenen stonden vrij naast de kop. Hij keek even achterom. ‘Klaar.’
Mila begon de draai. Bo liep mee aan de linkerkant. De hele olifantenbuik schoof langs de plek waar het dier dinsdag was blijven staan. Er was nu ruimte tussen het paaltje en de neus. Bo kon het rode bandje de hele tijd zien. Halverwege keek ze naar Tess. Die had haar oorband niet opgetrokken. Ze keek naar het pad. Raf hield de kop recht tot ook het laatste wiel de bocht voorbij was.

Op het pleintje parkeerde Mila even. Raf liet het slurfeind weer zakken. Iemand op de stoep klapte. Bo wist niet of het voor de bocht was of voor de olifant, en dat maakte niet uit. Tess liet het kleine oor klapperen. Een man riep dat het beest vast een flinke wind hoorde aankomen. Tess schoof haar hand een beetje onder het oor en liet het nog eens bewegen. ‘Alleen aan deze kant,’ zei Raf. Bo lachte zo hard dat ze met duwen wachtte tot het weer kon.
Ze liepen langs de lage bloembakken aan de achterkant van het blok. De kop bleef recht. In een raam zag Bo de olifant van de andere kant. Het grote rechteroor waaierde uit, de buik had een lichte naad en aan de achterkant hing een pluim van drie bruine veertjes. Daarachter liepen zij en Mila, niet verborgen, gewoon bij hun eigen grepen. Bo kon de hele wagen van voren tot achteren volgen zonder iemand kwijt te raken.
Bij de bakker gingen twee mensen opzij om hun ruimte te geven. Voor hen verschenen de paraplu's weer. Ze stonden bij het buurthuis, dichtgeklapt, als een bos rare bloemen. Er hing geen finishlint. René wees de groepen naar een vrije plek langs de muur. Bo herkende de tegel waarop Mila gisteren de tas met appels had neergezet. Ze waren rond. Niet bijna rond, niet alleen tot aan de bocht. Helemaal.