Hoofdstuk 13 van 15
Het kleine oor
Zaterdagochtend rook het in de keuken naar geroosterd brood. Bo had haar gele trui al aan. Op haar tuinbroek zat nog een grijze vlek van het knutselen. Ze wreef erover met een natte doek. De vlek werd donkerder, maar verdween niet. Mila zei dat niemand tijdens een optocht de hele tijd naar één knie keek. Bo keek er nog één keer naar en trok haar rode schoenen aan.
Raf was er om vijf voor half tien. Tess een minuut later. Dot zat boven voor het raam, op de mand waarin hij dinsdag was gezet. Hij mocht vandaag niet mee naar het erf. Ze haalden de zijkanten naar buiten en zetten het middendeel ernaast. Bo hielp haar moeder met de kop. Het zachte einde van de slurf hing even over haar arm. Het voelde zo gewoon dat ze haast niet kon geloven hoeveel ruzie die neus had gemaakt.
Tess pakte de oren van de trap. De beschermdoek schoof opzij. Bij het optillen kraakte er iets in het linkeroor. Tess hield stil. Ze keek naar de dunne rand. Er liep nu een scheur door het karton, precies waar het donderdag al had geknikt. Het grote oor zakte aan één kant omlaag. De stoffen binnenkant was heel gebleven. De scheve steek ook. Tess probeerde de rand recht te houden, maar hij knakte opnieuw in haar handen. Ze nam het oor voorzichtig mee naar buiten. Raf volgde haar met het rechteroor.
Bo voelde de tijd ineens veel harder gaan. Op de klok boven de deur zag ze elke beweging van de wijzer. De zijkanten zaten vast. De kop stond erop. Ze moesten alleen nog dat oor. ‘We hebben nog karton,’ zei ze. Mila keek naar de scheur. ‘Voor een hele nieuwe rand redden we het niet meer. Dit is alleen versiering. De wagen zelf is klaar.’ Ze pakte de gescheurde rand niet uit Tess' handen. ‘Wat wil jij ermee?’
Tess knielde naast de wagen. Ze vouwde het kapotte karton weg van de stof en sloeg de buitenste stofrand naar binnen. Het oor werd kleiner, maar het bleef grijs van buiten en roze van binnen. Ze hield het tegen de kop. Het grote rechteroor in Rafs handen zag ernaast een beetje overdreven uit. Bo beet op haar lip. Haar olifant kreeg nu ook nog ongelijke oren.
‘Ik kan het klein maken,’ zei Tess. ‘De band zit hier nog. Maar dan blijft het zo. Niet straks toch een grote lap eroverheen.’ Bo keek naar het roze hoekje met de scheve steek. Tess wachtte op haar antwoord. Raf stond met het rechteroor in zijn handen. ‘Deze kan ook kleiner,’ bood hij aan. ‘Hoeft niet,’ zei Tess. ‘Die is heel.’
Bo haalde diep adem. Ze zag de olifant van vrijdag in de winkelruit. De neus onder de kin. De naden in zijn buik. Daar kon een kleiner oor bij, als hij maar niet op het erf bleef staan. ‘Zo kan ik dat steekje juist goed zien,’ zei ze. Tess keek naar de hoek. ‘Dan blijft dat vooraan.’
Mila hielp met de bevestiging. Tess vouwde de stof op haar eigen manier en trok aan de korte band. Het kleine linkeroor klapte vrolijk tegen de wang. Het rechter stond veel wijder uit. Raf draaide de kop een stukje. Aan de ene kant leek de olifant nieuwsgierig. Aan de andere kant deed hij of hij niet goed kon horen. Bo probeerde niet te lachen. Toen Tess zelf begon, hoefde dat ook niet meer.

Ze ruimden het losse karton op. Mila zette de wagen stil voor de winkel en keek nog één keer naar de wielen en de bevestigingen. Raf ging rechts staan. Tess links. Bo pakte de linker achtergreep, haar moeder de rechter. De staart hing nog altijd een beetje scheef. Er was niets meer dat ze die ochtend groter, ronder of langer konden maken. Bo keek naar de deur van de werkplaats. Ze had hem niet nodig. Ze waren buiten.
Bij het buurthuis stond René met een groen hesje en een map. Hij keek op toen ze aankwamen. ‘Daar is de neus,’ zei hij. ‘Die kan omhoog,’ zei Raf meteen. Tess liet het kleine oor bewegen. René glimlachte. Hij wees hun plek tussen een groep met versierde paraplu's en een kar vol papieren bloemen. Bo hoefde nergens haar tekenblok te laten zien. De olifant stond er zelf.