Hoofdstuk 15 van 15
De achterkant van het papier
Mila parkeerde de wagen langs de muur. Bo hield de greep nog vast terwijl haar moeder al losgelaten had. Ze deed haar vingers één voor één open. Haar hand was warm en een beetje plakkerig. Tess ging naast haar staan. Raf kwam om de kop heen. Even waren alle drie de kinderen aan dezelfde kant van de olifant. Hij kon best een ogenblik zonder hen, nu hij niet meer hoefde te lopen.
René kwam vragen of ze iets wilden drinken. Bo koos water, omdat haar mond droog was van het lachen. Hij vroeg niet waarom het linkeroor kleiner was. Er kwamen andere mensen kijken. Een vrouw wilde weten of de naden open konden. Raf vertelde over de poort. Bo liet de overlap zien, zonder eraan te trekken. Tess liet het kleine oor bewegen. De vrouw bewoog haar eigen oor met haar hand. Dat lukte haar minder goed.
Een meisje vroeg of het dier een naam had. Bo keek naar Raf en Tess. ‘Nee,’ zei ze. ‘Nog niet.’ Raf stelde Neus voor. Tess vond dat ook een gieter zo kon heten. Het meisje zei dat hun hond Fred heette en dat dat vast wel kon. Toen werd ze geroepen. Bo bleef naar de kop kijken. Hij had helemaal geen naam nodig gehad om naar buiten te komen. Ze konden er later over nadenken.
Op de terugweg liepen ze met Mila naar de werkplaats. De straat was nog afgesloten en op de stoep werden lege bekertjes verzameld. Bij de winkel stopte Bo en keek omhoog. Vanuit hun eigen raam zou je de olifant prachtig hebben kunnen zien. Ze was blij dat ze er niet had gestaan. Haar moeder haalde de sleutel tevoorschijn. Op het erf stond alles nog zoals ze het had achtergelaten: de gieter, de zandbak en het losse karton in de bak.
Ze haalden de onderdelen naar binnen. De kop ging op zijn doek. Tess legde haar oor op de trap en zette het rechter ernaast. Raf streek de veertjes in de staart terug op hun plek. Toen de twee zijkanten eraf waren, leek het middendeel weer op de kleine bushalte van die eerste donderdag. Bo kon zich bijna niet voorstellen dat het eerst alleen maar dat was geweest. Mila zette het onder het afdak en sloot de poort.
Boven legde Bo de grote tekening op tafel. De eerste olifant lag boven. Hij had een gladde dikke buik, twee gelijke oren en een veel te lange slurf. Raf pakte een potlood. Tess schoof haar stoel aan. Bo draaide het papier om. Naast de tekening van boven was nog een groot leeg stuk. ‘Deze kant kan,’ zei ze. Ze gaf Raf het zwarte potlood en Tess het roze.
Bo tekende de echte ronde rug met twee lichte lijnen voor de naden. Raf tekende de neus onder de kin, en daarna nog een kleine neus ernaast die omlaag hing. Tess maakte het linkeroor kleiner. In de hoek zette ze één scheve roze steek. Bo tekende vier voetenparen naast de wagen. Deze keer waren de bruine schoenen van haar moeder er vanaf het begin bij. Achteraan tekende Raf drie veertjes, een beetje uit het midden.

Mila bracht boterhammen. Ze zette het bord op een leeg stukje tafel en keek naar de tekening. Bo schoof de losse potloden opzij. Daarna schoof ze het vel naar haar moeder. ‘Deze is het geworden.’ Mila keek er lang genoeg naar om alle voeten te tellen. Toen pakte ze haar boterham. Ze hoefde er niets aan te veranderen.
Na het eten gingen Raf en Tess naar huis. Raf wilde nog aan zijn knikkerbaan werken. De laatste bocht moest nog. Tess nam de grijze en roze restjes mee die van haar waren. Bo liep met hen naar beneden. Bij de werkplaats stonden ze even stil bij de olifantenkop. Raf zette de losse kop een klein stukje naar Tess toe. Zij tilde het kleine oor op alsof hij gedag zei. Daarna legden ze alles terug.
Toen Bo bovenkwam, zat Dot voor de tekening. Hij had zijn witte voorpoot precies op een getekende slurf gezet. Bo schoof de stoel dichterbij en streek over zijn rug. ‘Je hebt hem gemist,’ zei ze. Dot trok zijn poot terug en ging op de lege hoek van het vel zitten. Bo liet hem daar. De hele olifant bleef zichtbaar.