Hoofdstuk 3 · 7 minuten lezen
Een poster voor de verkeerde kandidaat
Op woensdag bracht Joep een rol papier mee die onder zijn arm uitstak. Aan het uiteinde zat een oude kassabon vast. Zijn vader had de rol uit de winkel gehaald. Vera trok de bon los. Er stond twintig keer potgrond op.
‘Dat zijn geen stemmen,’ zei ze.
‘Wel een begin.’
Ze mochten na school in de klas blijven om posters te maken. Eef ging naar huis. Ze moest op haar zusje passen en had daarom haar eigen poster al gemaakt. Er stond een grote zandbak op, met drie scheppen en een kind dat half in een kruiwagen zat.
‘Die kruiwagen is niet om in te rijden,’ zei Eef toen Joep ernaar vroeg.
‘Jammer.’
Vera legde het papier op de grond. Ze begon aan haar bank. Aan één kant tekende ze een boom; aan de andere kant wilde ze een kist maken. Het lukte niet om de kist kleiner te tekenen dan de bank. Uiteindelijk leek het alsof iemand een badkuip vol boeken op het schoolplein wilde zetten.
Joep keek over haar schouder.
‘Daar past Miep in.’
‘Dat is mijn boekenbak.’
‘Die kan kleiner.’
‘Dan zie je de boeken niet.’
‘Miep is makkelijker.’
Hij zette een oranje stift op het papier en tekende een snavel. Vera maakte er een kop aan vast. Daarna een nek, een buik en twee poten. De gans keek ernstig naar de badkuip.
Joep knikte goedkeurend. ‘Die heeft een mening.’
Vera schreef boven de tekening: STEM MIEP. ZIJ HEEFT OVERAL EEN MENING OVER.
Bij de deur stond Safia haar tas dicht te doen. Ze las de poster en glimlachte. ‘Zet er wel bij dat dit de gele verkiezing is.’
Joep kleurde een hoek geel. Vera tekende er een stembriefje in. Dat briefje was maar half zo groot als de snavel.
‘Moet die gans ook niet geel?’ vroeg Joep.
‘Dan is het een kuiken.’
Ze plakten de poster naast de deur. Daarna pakten ze een nieuw vel. Joep wilde Miep met een ambtsketen tekenen, maar Vera maakte er een slinger naast het hek van. Dat mocht van Bennie. Ze gaf de gans geen boek onder de vleugel. Miep kon niet lezen, en een poster moest geen dingen beloven die niet klopten.
Voor ze naar huis gingen, hadden ze vier ganzen getekend. De laatste had één poot te veel. Joep zei dat die het druk had.
Vera’s bank lag nog op de vloer, onder het afgescheurde stuk kassabon.
Donderdag wist bijna iedereen wie Miep was. Twee kleuters hadden haar naam in de zandbak geschreven. De P was achterstevoren, maar Miep leek zich daar niet aan te storen. Ze kwam bij het hek staan en pikte in een grasspriet.
‘We kunnen haar een slogan laten zeggen,’ zei Joep.
‘Welke?’
‘Gak.’
Vera moest lachen. ‘Dat zegt ze al.’
‘Dan is het een goede slogan.’
Hij legde zijn nieuwe poster op het muurtje. Er stond een reusachtige beker op. Voor de beker had hij het voetbaldoel getekend, veel kleiner dan de beker. Het doel leek een bijzettafeltje.
‘Waar is het net?’ vroeg Vera.
‘Dat moet er nog op.’
‘Je kunt ook eerst het net tekenen.’
Joep keek naar de lege ruimte tussen de palen. ‘Dat is veel werk.’
Bij de deur bleven twee kinderen naar de Miep-posters kijken. Ze lazen de zinnen hardop, maakten ganzenstemmen en riepen om beurten: ‘Mijn mening!’ Eén van hen kende de echte burgemeester niet, maar Miep wel. Ze hadden haar gisteren door het gaas zien drinken.
Vera keek naar de posters. Die waren goed gelukt. Zelfs de gans met drie poten. Ze had zijn derde poot later achter een getekende emmer verstopt.
Toen vroeg één van de kinderen wie er voor de witte verkiezing meededen.
‘Joep, Eef en Vera,’ zei een ander.
‘Wat wil Vera?’
Niemand zei iets.
Vera stond nog geen drie stappen verder. Ze kon gewoon antwoorden. Leesbank, wilde ze zeggen. Een leesbank waar je geen zand in je sokken krijgt.
Maar het gesprek was al over de gans gegaan. Het ene kind dacht dat Miep groter was dan een hond. Het andere dacht dat zij honderd jaar kon worden. Vera pakte haar boek uit haar tas en ging op het muurtje zitten. Haar voeten raakten de grond niet.
Joep kwam naast haar staan. Hij had een stuk plakband aan zijn pols hangen. Daar zat een kreukel in die hij niet glad kreeg.
‘Kom je mee? Ik wil nog een poster maken.’
‘Voor wie?’
‘Miep.’
Vera deed haar boek niet open.
‘Dan maak ik nooit mijn eigen poster af.’
Joep keek naar het hek. ‘Maar dit is leuk.’
‘Ja.’
Dat was het vervelende. Het was leuk. Het tekenen, de rare zinnen, het lachen om de derde ganzenpoot. Ze wilde niet zeggen dat ze het niet leuk vond, want dat zou niet waar zijn.
‘Je kunt de bank op een Miep-poster zetten,’ zei Joep. ‘Dan zien ze die ook.’
‘Dan denken ze dat de bank van Miep is.’
Hij dacht even na. ‘Zet erbij: bank van Vera.’
Vera keek naar hem. ‘Wat zet jij erbij? Voetbaldoel van Joep?’
‘Dat hangt niet aan de gans vast.’
‘Mijn bank ook niet.’
Joep trok het plakband van zijn pols. Het plakte nu aan zijn vingers.
‘Ik dacht gewoon dat het leuk was,’ zei hij.
Vera knikte. ‘Ik ook. Alleen wil ik vandaag iets anders tekenen.’
Ze bleef nog even op het muurtje zitten. Joep liep terug naar de klas. Door het raam zag ze hoe hij de papierrol weer uitrolde en een gans begon te tekenen. Eerst de snavel. Dat had hij van haar geleerd.
Vera schoof van het muurtje. Ze ging de klas in, pakte haar eigen vel onder de kassabon vandaan en maakte de badkuip kleiner. De boeken verdwenen bijna helemaal. Dat gaf niet. Op de leuning schreef ze: EEN PLEK OM TE ZITTEN. OOK ZONDER BOEK.
Toen Joep haar om een groene stift vroeg, gaf ze hem die. Ze maakte alleen zijn gans niet af.
Bij het opruimen hingen ze haar poster naast de kandidatenlijst. Iemand bleef ervoor staan, las de woorden en knikte. Vera bleef net lang genoeg bij de deur om dat te zien.