Hoofdstuk 2 · 7 minuten lezen
Een kandidaat zonder zakken
De volgende ochtend stond MIEP op de vierde regel. Joep had er een uitroepteken achter gezet. Dat paste niet meer op het papier en stond daarom op het prikbord.
‘Dit is precies waarom er een rand omheen zit,’ zei juf Safia.
Joep wreef met zijn mouw over het uitroepteken. Het werd een grijze veeg. De veeg leek een beetje op een gans, als je wist dat je naar een gans moest kijken.
‘Miep woont naast de school,’ zei hij. ‘Ze hoort er dus bij.’
Safia keek naar de brief. Naar de vierde regel. Toen keek ze naar Vera, die plotseling heel druk een dop op een stift duwde.
‘Hebben jullie dit samen bedacht?’
‘Een beetje,’ zei Vera.
‘Het was mijn idee,’ zei Joep meteen. ‘Vera deed het lachen.’
Eef wilde weten wat een gans met honderdtachtig euro ging doen.
‘Appels kopen,’ zei iemand achter in de klas.
‘Heel veel appels.’
‘Een appelboom!’
Safia pakte de stift van Vera. Ze schreef op het bord: ECHTE TAAK. Daaronder: ERETAAK.
‘Een gans kan niet verantwoordelijk zijn voor geld,’ zei ze. ‘Ze kan niet zeggen wat er moet gebeuren. En een gans heeft andere dingen te doen dan burgemeester zijn.’
‘Ze heeft ook geen zakken,’ zei Joep.
‘Die heb ik soms ook niet. Dat is niet het grootste probleem.’
Vera probeerde zich Miep met een portemonnee voor te stellen. Ze zag vooral losse muntjes in het gras liggen.
‘Maar,’ zei Safia, ‘een ereburgemeester hoeft geen geld te beheren. Dat kan een vrolijke dorpsmascotte zijn. Als Bennie het goedvindt, mag Miep daarvoor meedoen. We houden dan twee stemmingen. Een witte voor de kinderburgemeester. Een gele voor de mascotte.’
Joep stak zijn hand op.
‘Mag ik aan allebei meedoen?’
‘Je staat al op de witte lijst.’
‘En op de gele?’
‘Een mascotte is dit keer een dier of een figuur die jullie zelf hebben bedacht.’
Joep ging rechter zitten. ‘Ik kan heel stil staan.’
‘Dat zou je nu kunnen oefenen.’
Na de les mochten Vera en Joep bij Bennie gaan vragen of Miep mee kon doen. Safia liep mee tot het tuinhek. Bennie was bezig een kruiwagen uit een modderige hoek te trekken. Toen hij klaar was, zat de modder aan de kruiwagen, aan zijn laarzen en op de onderkant van zijn neus.
‘Miep? Burgemeester?’
Hij keek om. Miep stond met haar snavel in een lage waterbak. Ze spoelde een stukje gras af en sloeg het naar binnen.
‘Van geld heeft ze weinig verstand,’ zei Bennie. ‘Van gras genoeg.’
Vera vertelde over de twee lijsten. Ze deed het zorgvuldig. Joep wilde graag helpen, maar hij was vooral van plan de belangrijkste woorden harder te zeggen.
‘Het is een eretaak,’ eindigde Vera. ‘Ze hoeft geen toespraken te houden.’
‘Die houdt ze toch wel,’ zei Bennie.
De gans trok haar kop uit de bak en gakte.
‘Zie je?’
Joep keek naar het hek. ‘Misschien kunnen we haar een lint geven.’
‘Nee.’
‘Alleen een klein—’
‘Ook geen klein lint. Geen hoed, geen ketting en geen jas. Ze heeft een prima pak van veren. Dat blijft zo.’
Bennie zette de kruiwagen tegen de schuur. ‘En geen appels uitdelen. Niemand gaat haar optillen of naar het podium dragen. Als ik zie dat ze het druk vindt, brengen we haar naar haar gewone plek. Het feest kan prima zonder een gans.’
Miep liep naar het achterste stuk van de tuin. Daar lag een tweede gans te slapen. Ze ging ernaast staan en sloot één oog.
Joep keek teleurgesteld. ‘Dus ze gaat niet echt campagne voeren?’
‘Ze gaat gans zijn. Jullie mogen campagne voeren.’
Vera vond dat eigenlijk een opluchting. Ze had niet geweten hoe je Miep iets moest uitleggen zonder dat ze de uitleg opat.
‘Dan mogen we een poster maken?’ vroeg ze.
‘Voor de mensen, ja. Niet in haar waterbak.’
Op de terugweg bleef Joep bij de schooltuin staan. Er groeiden rijen sla met kaartjes ervoor. Safia had één kaartje in een doorzichtig hoesje gedaan omdat regen de woorden telkens wegspoelde.
‘Miep vindt dit vast interessant,’ zei Joep.
‘Die sla?’
‘De verkiezing.’
‘Ze ging slapen.’
‘Om energie te sparen.’
Vera raapte een takje op en tekende een gans in de aarde. Ze maakte de buik veel te groot. Het dier leek op een bal met een snavel.
‘Daar zou je wél op kunnen stemmen,’ zei Joep. ‘Die kan ik uit karton knippen.’
‘Dan stemmen mensen op karton.’
‘Dat maakt het tellen makkelijker.’
Die middag legde Safia de regels voor iedereen op tafel. De kinderen van vier tot en met twaalf mochten op de witte lijst stemmen. De mensen die op het feest kwamen, mochten één gele stem uitbrengen. Ook kleintjes die nog geen vier waren. Een volwassene mocht helpen bij het lezen, maar de kiezer moest zelf kiezen.
Vera schreef WIT en GEEL op twee kleine blaadjes. Ze plakte ze naast de kandidatenlijst. Onder Miep zette ze met een pijl: GEEL. Daarna schoof ze haar eigen naam iets omhoog, zodat hij minder dicht bij de vouw stond.
Joep zette er een derde blaadje bij.
‘Wat is dat?’ vroeg Vera.
‘Mijn beker.’
Hij had een beker getekend met twee oren en een enorme voet. Een beker die bijna nergens op zou passen.
‘Je bent nog geen burgemeester,’ zei Eef, die langs het bord liep.
‘Ik oefen alvast.’
Eef knikte. ‘Ik ook.’ Ze haalde een echte kleine schep uit haar tas. Het handvat was met plakband omwikkeld. Toen ze het voorzichtig bewoog, viel de schep op de vloer.
Joep keek naar de twee losse stukken.
‘Die heeft geen zakken meer nodig,’ zei hij.
Eef raapte de schep op. ‘Maar wel een plan.’