Hoofdstuk 4 · 7 minuten lezen
Wat als het regent?
Op vrijdag stond er een vraag op Vera’s poster. Iemand had hem met potlood geschreven, klein maar midden op de leuning: WAT ALS HET REGENT?
Vera probeerde het uit te gummen. Het potlood werd lichter. De groene stift ook. Er bleef een bleek gat in de bank achter.
Ze stopte met gummen.
‘Je moet zeggen dat je bank waterdicht is,’ zei Joep.
‘Dat is een bank niet.’
‘Dan maak je hem waterdicht.’
Hij zei het alsof daar een knop voor bestond.
Vera tekende een dak boven de kastanjeboom. Het paste nauwelijks op het papier. Een van de punten ging door de tekst over Miep die op het prikbord ernaast hing.
‘Er zit al een boom,’ zei Eef.
‘Die houdt niet alle regen tegen.’
‘Een dak wel?’
Vera keek naar haar tekening. Ze had er in elk geval veel regen onder kunnen verstoppen.
Die middag stond ze bij de poort met haar poster. Safia had gezegd dat de kandidaten mochten vragen wat andere kinderen van hun plannen vonden. Vera vond dat een lastigere opdracht dan tekenen. Je kon een kind niet uitgummen als het iets vervelends zei.
Het eerste kind liep gewoon door. Het tweede vroeg of er op de bank gegeten mocht worden. Dat leek Vera geen probleem. Het derde wilde weten hoeveel kinderen erop pasten.
‘Vier,’ zei ze.
‘Ook grote?’
‘Denk ik.’
Een jongen uit de hoogste groep zei dat hij wel op haar wilde stemmen als er een dak kwam. Vera knikte voordat ze daarover had nagedacht. Hij keek tevreden en liep weg.
‘Met een dak,’ zei Vera zacht tegen zichzelf.
De woorden klonken al een stuk zwaarder dan toen ze het dak tekende.
Aan de overkant hielp Joep Eef haar poster aan het hek vastmaken. Eef had een meetlint meegenomen. Daarmee tekende ze op de grond hoe breed een kleine kruiwagen was. Puk ging in het vak staan en zei dat het haar huis was.
Vera keek terug naar haar boom. Misschien kon een groot stuk plastic ook een dak zijn. Of een parasol. Haar moeder had ooit een parasol gekocht die in een doos had gepast. Die doos was niet eens zo groot geweest.
Toen hoorde ze een ratelend geluid. Bram van de timmerclub kwam met een handkar langs. In de kar lagen korte stukken hout. Vera kende hem van de knutselmiddag. Hij kon hout recht afzagen zonder eerst een half bos weg te zagen. Dat vond zij knap.
‘Mag ik iets vragen?’ zei ze.
Bram zette de kar stil. ‘Als het over een nieuwe wielas gaat, vraag ik jou iets terug.’
Vera liet haar poster zien.
Hij bekeek de bank. ‘Mooie plek.’
‘Kunnen jullie zoiets maken?’
‘Misschien. Hoe groot moet hij worden?’
Vera stak haar armen uit. ‘Ongeveer zo.’
Bram stak zijn armen ook uit. Zijn bank was meteen een stuk groter dan de hare.
‘Een maat is handig,’ zei hij. ‘Dan tekenen wij niet allemaal een andere bank.’
Vera liet haar armen zakken.
‘Vier kinderen moeten erop passen. En kussens. En een dak.’
‘Een dak?’
Ze wees.
Bram keek naar de kastanjeboom, waar het getekende dak dwars doorheen liep. ‘Die boom geeft al schaduw. Voor een dak heb je palen nodig. En stevige bevestigingen. Je wilt niet dat het deksel op een hoofd valt als het waait.’
‘Het is geen deksel. Het is een dak.’
‘Dat valt dan nog iets harder.’
Hij zei het rustig. Daardoor klonk het erger.
‘Hoeveel geld heb je?’ vroeg hij.
‘Honderdtachtig euro.’
‘Dat is voor alles?’
Vera knikte.
‘Voor een stevige bank kan ik met de club naar resthout kijken. Maar een bank én een veilig dak voor dat bedrag? Daar zou ik niet op rekenen.’
Vera hield haar poster wat lager. Zo zat het dak achter de rand van de handkar.
‘Ik heb het nog niet echt beloofd,’ zei ze.
Ze had alleen geknikt. Een knik was geen hele zin. Toch hoorde ze de jongen opnieuw zeggen: als er een dak komt.
Bram pakte een potlood uit het borstzakje van zijn jas. Het potlood was bijna even kort als de houtrestjes in de kar.
‘Begin met wat je nodig hebt,’ zei hij. ‘Een zitplek. Iets waarin kussens droog kunnen liggen. Misschien kun je de kussens gewoon binnen bewaren. Neem je maten op. Dan kunnen we maandag kijken wat er mogelijk is.’
Hij gaf haar het potlood. ‘Daar staat nog genoeg hout aan om iets goeds mee te tekenen.’
Vera lachte niet meteen. Toen pakte ze het aan.
Ze liep de poort door. De jongen uit de hoogste groep stond bij zijn fiets. Vera wilde doen alsof ze hem niet zag. Ze had hem pas net gesproken. Morgen kon ze het toch ook vertellen?
Maar maandag zou hij misschien al aan anderen zeggen dat haar bank een dak kreeg. Dan waren er ineens meer mensen aan wie ze iets moest vertellen.
‘Over dat dak,’ zei ze.
De jongen legde zijn hand op het zadel.
‘Dat weet ik nog niet. Het kost veel geld. Ik moet het eerst laten uitrekenen.’
Hij keek naar haar poster. ‘Dus het komt misschien niet?’
‘Misschien niet.’
‘Dan weet ik nog niet of ik op je stem.’
Vera knikte. Dit keer betekende haar knik precies wat zij bedoelde.
Thuis legde ze de poster op de keukentafel. Ze tekende een lijn door het dak. Het werd een enorme X. Haar moeder vroeg of de bank op een schatkaart stond.
‘Hij staat op een verkiezingsposter.’
‘Dat kan ook een zoektocht zijn.’
Vera pakte een nieuw vel. Ze tekende de boom opnieuw. De bank kreeg een holle ruimte onder de zitting. Daaronder schreef ze: KUSSENS DROOG BEWAREN. Daarachter zette ze een vraagteken.
Het vraagteken was niet mooi voor een poster. Het leek of ze haar eigen idee niet kende.
Maar ze wist tenminste welke vraag ze maandag aan Bram moest stellen.