Hoofdstuk 1 · 7 minuten lezen
Iedereen mag meedoen
Vera had nog nooit een boek uitgeklopt. Truien wel. Haar gymschoen had ze ook weleens uitgeklopt. Die zat na het spelen helemaal vol zand. Maar een boek?
Ze hield het boven de prullenbak en schudde voorzichtig. Een dun straaltje zand viel tussen de bladzijden uit. Op de prent van een zeer deftige koning bleef een korrel precies op zijn neus liggen.
‘Niet lachen,’ zei Vera tegen Joep.
‘Ik lach niet.’
Zijn wangen stonden bol.
Vera blies op de koning. Het zand kwam in haar oog.
Nu lachte Joep wel.
Ze zat op de stenen rand van de zandbak, met haar knieën opgetrokken. Dat was haar leesplek sinds de oude bank bij de muur was weggehaald. De bank had een losse poot gehad. Volgens meester Kees kon je er veilig op zitten zolang je niemand was die ooit bewoog. Daarna was hij toch maar naar de schuur gebracht.
In de zandbak maakte Puk soep. Ze gebruikte drie schepjes zand, twee blaadjes en een leeg emmertje. Toen ze klaar was, goot ze de soep op Vera’s schoen.
‘Lekker?’ vroeg Puk.
Vera keek naar de hoop op haar veter.
‘Een beetje droog.’
Puk rende weg om water te halen.
‘Dat had je niet moeten zeggen,’ zei Joep.
Vera sprong van de rand. Ze trok haar schoen uit, maar het zand lag inmiddels ook in haar sok. Ze kon het niet kwijt zonder het ergens neer te strooien. Dus bleef ze op één been staan, met een boek, een schoen en een sok in haar handen.
‘Jij hebt een bank nodig,’ zei Joep.
‘Dat weet ik.’
Aan de overkant van het plein vloog een bal door het voetbaldoel. Niet langs de keeper. Dwars door het net. Het gat was zo groot dat Vera er zelf doorheen had kunnen kruipen, als ze haar beide schoenen aan had gehad.
Joep pakte de bal. ‘Wij hebben een doel nodig.’
‘Dat hebben jullie al.’
‘Een doel dat ballen tegenhoudt.’
Hij trapte. De bal ging naast het doel en botste tegen de regenpijp.
‘Daar heb je weinig aan,’ zei Vera.
‘Het was een voorbeeld.’
Puk kwam terug met een gieter. Voor Vera iets kon zeggen, goot ze water over de schoen in haar hand. Een scheut raakte ook de sok. Vera trok die snel weer aan. Op de kaft van haar boek zat nu een vlek die ze niet met blazen wegkreeg.
Na de pauze hing juf Safia een brief op het prikbord. Ze gebruikte vier punaises. Eén in elke hoek, zoals altijd. Joep zei dat ze brieven niet moest ophangen alsof ze bang was dat ze ontsnapten. Safia gaf hem de vijfde punaise en vroeg of hij hem even wilde vasthouden.
‘Over twee weken is het dorpsfeest,’ zei ze. ‘Op zaterdag. Er komt een rommelmarkt, en de burgemeester opent onze opgeknapte speelplek.’
‘Komt die in een auto met zwaailicht?’ vroeg Joep.
‘Ze heeft gezegd dat ze op de fiets komt.’
Dat vond hij minder geschikt voor een burgemeester.
‘Voor één middag kiezen we ook een kinderburgemeester. Die zorgt samen met de school voor een plan voor het plein. Van de vorige rommelmarkt is honderdtachtig euro voor jullie bewaard.’
Vera legde haar boek plat op tafel. Honderdtachtig euro klonk als een groot bedrag. Een leesbank zou vast minder kosten dan een fiets.
‘Er zijn drie ideeën ingeleverd,’ zei Safia. ‘Een beter voetbaldoel, nieuwe spullen voor de zandbak en een bank onder de kastanjeboom. Je mag zo’n idee kiezen en uitwerken. Je hoeft niet hetzelfde te bedenken als je vrienden.’
Op de brief stond: IEDEREEN MAG MEEDOEN.
Joep las het hardop. Toen nog een keer, zachter.
‘Dat hebben ze verkeerd opgeschreven.’
‘Wat?’ vroeg Vera.
‘Iedereen.’
‘Ze bedoelen kinderen.’
‘Dan moeten ze kinderen schrijven.’
Hij kneep de punaise tussen zijn vingers en keek naar de lijst onder de brief. Er stonden drie lege regels. De vierde was veel smaller, doordat het papier daar was omgevouwen.
Vera wilde haar naam opschrijven. Ze wist al hoe de bank eruit moest zien: twee brede planken, een leuning en eronder een plek voor kussens. Een boomtak hing boven het gras alsof hij de juiste plaats aanwees.
Maar toen de bel ging, liepen alle kinderen tegelijk naar het bord. Joep kwam voor haar terecht. Hij was goed in ergens als eerste staan. Als hij dat kon oefenen, deed hij het.
‘Ik doe mee,’ zei hij. ‘Voor het doel.’
Hij schreef JOEP in letters die bijna twee regels nodig hadden.
Eef uit de andere groep stond naast hem. Ze had de voorstellen gelezen en wees op het idee voor de zandbak.
‘Mijn zusje graaft met een soeplepel,’ zei ze. ‘Dat is niet de bedoeling.’
‘Puk maakt soep,’ zei Vera. ‘Dan is het juist handig.’
‘Het is onze soeplepel.’
Eef schreef haar naam op de tweede regel. Haar letters waren klein en keurig. Onder haar naam schreef ze: spullen waar kleine kinderen ook iets mee kunnen.
Vera wachtte tot Joep klaar was met een ster naast zijn naam tekenen. Voor haarzelf was de derde regel over. Ze zette VERA op het papier. Daarachter: leesbank.
Het voelde vreemd om een wens op een lijst te zetten waar iedereen hem kon zien. Alsof ze haar dagboek op het prikbord had gehangen, maar dan met maar één zin erin.
‘Je kunt ook een beker krijgen,’ zei Joep. ‘Als je burgemeester wordt.’
‘Waar staat dat?’
‘Nergens. Maar ik denk van wel.’
Na school liepen ze langs de schooltuin. Vera klopte weer zand uit haar boek. Achter het hek kwam Miep aangewaggeld, de gans van boer Bennie. Ze woonde in de tuin naast de school en kwam graag kijken wanneer iemand iets at. Vooral appels. Bij een wortel keek ze beledigd.
Joep hield de verkiezingsbrief voor zich. Safia had hem een kopie meegegeven omdat hij ‘de regels grondig wilde bestuderen’. Tot nu toe had hij alleen de grootste letters gelezen.
Miep stak haar snavel door het gaas en hapte naar het papier.
Joep trok het weg.
‘Belangstelling,’ zei hij.
De gans stak haar kop scheef. Een druppeltje water gleed van haar snavel op Joeps schoen.
Joep keek van de brief naar Miep. Toen naar Vera.
‘Iedereen,’ zei hij.
Vera zag ineens een gans op het podium staan, met de echte burgemeester ernaast. Ze moest lachen. Zo hard dat er weer zand uit haar boek viel.