Hoofdstuk 12 · 10 minuten lezen
De enige belofte die blijft
Maandag zaten er geen vlaggetjes meer boven het plein. Aan één paal hing nog een stukje touw. Onder de kastanjeboom lag een nat koekpapiertje dat niemand had gezien bij het opruimen.
Vera raapte het op. Joep was al bij de schuur. Hij droeg zijn houten kaartje over zijn jas.
‘Je bent er,’ zei ze.
‘Ik mocht het van mezelf.’
Hij haalde het kaartje weg, zodat het niet tussen het hout zou hangen. Eef kwam achter hen aan met haar opgerolde tekening. Ze legde hem op de plank waar haar tas stond.
Bram liet zien welke planken ze mochten schuren. Hij had ze eerst nagekeken en de scherpe randen weggewerkt. Kees bleef erbij. Het zagen en vastmaken zouden de volwassenen doen. Joep pakte meteen een stuk schuurpapier. Vera streek met haar hand over de plank.
‘Met het blokje,’ zei Bram. ‘Dat ligt fijner in je hand.’
Ze schuurden naast elkaar. Het hout rook anders dan de schoolschuur. Eef wees op een donker streepje in haar plank. Ze dacht eerst dat het een splinter was. Bram liet zien dat het bij het hout hoorde.
‘Dan mag het blijven,’ zei ze.
Joep schuurde zo hard dat zijn blokje van de plank gleed. Hij stootte met zijn elleboog tegen zijn jas. Het kaartje tikte tegen de tafel.
‘Ik doe dit niet elke maandag,’ zei hij.
‘Je hoeft maar één bank te maken,’ zei Vera.
‘Dat zeg je nu.’
Ze stonden een half uur aan de tafel. Toen was Vera’s arm moe. Ze legde het blokje neer. Haar plank voelde zachter, maar zag er bijna hetzelfde uit. Bij het hoekje dat ze had overgeslagen, kon Bram precies aanwijzen waar ze nog niet was geweest.
‘Dat doen we later,’ zei hij. ‘Je hoeft niet alles vandaag af te hebben.’
Vera keek naar het rooster dat ze voor de krat had gemaakt. Zij had maandag en donderdag ingevuld. Eef stond op dinsdag. Op vrijdag had Sam zijn naam gezet. De woensdag was leeg.
‘Ik kan woensdag,’ zei Joep.
Vera keek op. ‘Wil je boeken opruimen?’
‘Die krat kan ik wel tillen. Maar geen twaalf dikke boeken.’
‘Zes dunne.’
‘Met tekeningen?’
‘Sommige.’
Hij pakte haar potlood en schreef zijn naam in het lege vakje. Zijn p was groter dan de rest. Er was geen ruimte voor een uitroepteken. Dat vond Vera wel jammer.
De bank was op vrijdag klaar. De timmerclub had hem gebouwd en behandeld met een buitenlaag die eerst moest drogen. Kees had met Bram de onderkant, de randen en de klep gecontroleerd. Ze kwamen hem na school met twee andere volwassenen neerzetten.
Vera wilde erbij blijven tot het laatste stukje hout goed stond. Haar moeder zei dat ze best kon wachten, als ze daarna gewoon haar fiets op slot deed. Vera had hem al twee keer tegen het hek laten staan met de sleutel erin.
De bank kwam op de plek waar de proefbank had gestaan. Vier kinderen pasten erop. Onder het zitvlak zat de ruimte voor de kussens. Als je de lichte klep optilde, bleef die door een steun openstaan. Kees deed het eerst voor. Daarna probeerde Vera het.
‘Niet erin klimmen,’ zei hij tegen Puk, die bij de kleutersdeur was komen kijken.
Puk haalde haar voet weer van de rand. ‘Ik keek of het een huis was.’
‘Voor de kussens.’
Ze bekeek de blauwe stapel. ‘Die hebben geen ramen nodig.’
Vera legde de kussens op de bank. Haar oma kwam even kijken. Ze streek over het gerepareerde hoekje, dat nu aan de achterkant zat. Naast de bank zette Vera de krat met de boeken neer. Twee waren van haar. Twee van Eef. De school had er nog één bij gedaan.
Er zat ook een boek met verschillende knopen bij. Joep had het in de schuur gevonden. Op de eerste bladzijde stond een naam van iemand uit de timmerclub. Hij had gevraagd of het er een tijdje bij mocht.
‘Voor als ik die ene vergeet,’ zei hij.
Op het plein hing het gerepareerde voetbalnet. Joep en zijn vader hadden het woensdag gemaakt. De eerste bal was ertegenaan gekomen terwijl zijn vader nog aan de zijkant stond. De knoop hield. De bal kaatste terug op Joeps schoen. Daarna had hij hem op het doel geschoten en was hij naast gegaan.
‘Het net is wel goed,’ had zijn vader gezegd.
Er zat één scheve knoop in. Joep had hem zelf gemaakt. Hij wilde hem voorlopig laten zitten. Dan kon hij tenminste zien waar zijn eigen werk zat.
Eef ging op de bank zitten en trok haar tas op schoot. Ze haalde haar scheptekening eruit. Aan de achterkant had ze een nieuwe som gemaakt: alleen de vier scheppen die het hardst nodig waren.
‘Ik heb met Safia gepraat,’ zei ze. ‘Ze gaat kijken wat de school al heeft. Er is misschien nog een doos in de berging. Maar de kruiwagen en de rand komen er nu niet.’
Vera keek naar de tekening. ‘Wil je hem aan de muur hangen?’
‘In de klas. Dan vergeet ik hem niet.’
Ze vouwde het papier dicht en pakte een boek uit de krat. Puk kwam naast haar zitten. Ze had de aardappel thuisgelaten. Die stond nu op de vensterbank van de keuken, met zijn hoed ernaast.
Eef liet haar een tekening zien. Puk vertelde dat de boom op de bladzijde erg op hun boom leek. Daarna wees ze op een kleine vogel die er helemaal niet op leek. Vera luisterde even mee. Ze sloeg eindelijk het boek met de deftige koning weer open.
De koning had nog steeds zand op zijn neus. Vera schudde de laatste korrels uit het midden van de bladzijden. Ze vielen op het pad.
Joep stond met de bal voor haar.
‘Doe je mee?’
Vera keek naar haar hoofdstuk. Nog drie bladzijden.
‘Straks.’
Hij bleef staan. Ze keek weer op.
‘Ik lees dit eerst uit. Daarna kom ik.’
‘Goed. Dan ben je bij mij.’
‘Ik kies zelf een team.’
‘Dat is dus elke keer weer een verkiezing.’
Hij liep naar het doel. Vera las haar drie bladzijden. Daarna legde ze het boek terug en ging ze meedoen. Ze raakte de bal eerst met de zijkant van haar schoen. Bij haar tweede poging kwam hij wel vooruit. Joep riep dat zij bij hem hoorde. Eef riep vanaf de bank dat hij eerst de teams gelijk moest maken.
Aan het eind van de middag stond de krat nog naast de bank. Vera was al bij haar fiets toen ze hem zag. Ze liet haar stuur los en liep terug.
‘Het is vrijdag,’ zei ze.
Sam was door zijn vader opgehaald en rechtstreeks naar huis gegaan. Vera zette de krat op de bank. Hij was niet zwaar, maar de hengsels drukten in haar vingers.
Kees kwam het plein opruimen. Hij hield de deur voor haar open. Binnen zette ze de boeken op de afgesproken plank. Ze schreef een briefje voor Sam en legde het in zijn laatje. Niet boos. Hij moest alleen weten waar zijn naam op het rooster stond.
Daarna borg ze de kussens op. Eef hielp de klep dichtdoen. Op de bank bleef een klein nat rondje achter waar Puk haar beker had neergezet. Vera veegde het droog met de doek uit de schuur.
Toen ze eindelijk haar fiets pakte, stond Miep bij het hek. Het bordje van Sam hing er nog. EREBURGEMEESTER. ER ZIJN GEEN SPREEKUREN. Een hoekje was omgekruld.
Vera haalde haar appel uit haar tas. Ze at eerst zelf een hap. Bennie kwam de tuin uit met een gieter. Vera wees op het bordje.
‘Moet zij dan echt niets doen?’
‘Ze moet een gans zijn,’ zei Bennie. ‘Daar heeft ze genoeg aan.’
Vera keek naar Miep. De gans stak haar snavel door het hek. Ze keek naar de appel en toen naar Vera’s hand.
‘Ik heb eerlijk gewonnen,’ zei Vera.
Miep gaf een korte gak.
Vera nam nog een hap. Ze wist inmiddels dat dat antwoord van alles kon betekenen. Waarschijnlijk betekende het vooral: appel.
Ze fietste naar huis met haar jas open. Achter haar bleef de bank onder de kastanjeboom staan. Morgen zou er vast weer iemand op zitten. Misschien met een boek, misschien zonder. Ze hoefde er niet zelf naast te blijven om dat te laten gebeuren.
Einde

