← Nog één keer zaterdag
Inhoudsopgave · hoofdstuk 7 van 14
  1. 1. De uitnodiging
  2. 2. Achter de fietsenstalling
  3. 3. Eén twee drie vier
  4. 4. Een uur is een uur
  5. 5. Het oude nummer
  6. 6. Bij Mo thuis
  7. 7. Mijn eigen stem
  8. 8. De grote zaal
  9. 9. Wat ik niet had gevraagd
  10. 10. Geen nieuw begin
  11. 11. Licht op de vloer
  12. 12. Nog één keer zaterdag
  13. 13. Na de laatste kabel
  14. 14. Over zes weken

HOOFDSTUK 7 VAN 14

Mijn eigen stem

Carla liet me beginnen met het stukje waar ik bang voor was. Dat vond ik geen bijzonder vriendelijke opvatting van een kennismakingsles.

Haar lesruimte was een voormalige bloemenwinkel. In de vensterbank stonden nog tegels met een randje groen, maar de emmers waren vervangen door een piano en twee stoelen. Ik had haar nummer van het prikbord in De Wissel gehaald. Op het kaartje stond dat ze zangles gaf aan beginners en mensen die opnieuw begonnen. Ik had beide categorieën beledigend gevonden en toch gebeld.

‘Ik zoek vooral even iemand die luistert,’ had ik aan de telefoon gezegd.

‘Dat komt goed uit,’ had ze geantwoord. ‘Dat doe ik meestal.’

Nu zat ze op een kruk met een gebarsten zitting. Ze droeg sportschoenen onder een wijde rok en schreef mijn naam op een los vel. Ik had haar leeftijd niet kunnen raden. Alles aan haar leek al lang gebruikt en nog prima bruikbaar.

Ik speelde de eerste akkoorden van Vier hoog. Op haar piano klonken ze meteen deftiger. Ik begon te zingen en voelde bij de hogere zin mijn kin naar voren gaan. Mijn stem werd scherp. Ik hield de laatste noot aan, langer dan nodig was, alsof duur kon goedmaken wat er verder misging.

Carla liet me uitzingen.

‘Dat klinkt als hard werken,’ zei ze.

‘Het ging vroeger makkelijker.’

‘Mag ik horen hoe je het vroeger deed?’

Ik zocht een oud filmpje. Ze luisterde naar ongeveer twintig seconden en gaf de telefoon terug.

‘Daar werk je ook hard.’

‘Ik klonk wel hoger.’

‘Ja.’

Ik wachtte op wat dat betekende. Ze schoof haar kruk naar de piano en speelde de beginakkoorden lager. De toon lag waar we hem in de repetitie ook hadden gevonden.

‘Zing nu alsof je de woorden aan mij vertelt.’

Ik deed mijn best om te klinken alsof ik geen moeite deed. Ze stak haar hand op.

‘Je hoeft geen nieuwe stem te verzinnen. Praat de eerste zin maar eens.’

Ik zei de woorden. Zonder melodie waren ze behoorlijk stellig. Een meisje vertelde dat niemand haar ooit nog zou vinden als ze vertrok. Op mijn twintigste had ik dat een romantische gedachte gevonden. Nu zag ik vooral mijn moeder voor me, die belde om te vragen of ik de sleutel nog had.

Ik lachte midden in de zin.

‘Wat?’ vroeg Carla.

‘Ik geloof niet meer alles wat ik heb geschreven.’

‘Dan moet je kiezen wat je ermee doet. Maar dat hoeft niet in deze minuut.’

We werkten een kwartier aan vier regels. Ik kreeg geen indrukwekkende oefeningen die op een opname zouden klinken als de voorbereiding van een groot artiest. Ik moest tussendoor zitten, opstaan, gewoon ademhalen en opnieuw proberen zonder al bij de eerste letter naar het einde te willen. Soms ging het beter. Soms veel slechter, omdat ik vervolgens begreep dat het beter ging en het wilde vasthouden.

‘Je kijkt steeds naar mijn gezicht,’ zei Carla.

‘Ik wil weten of het goed is.’

‘Ik zal het je vertellen als ik iets hoor waarmee we verder kunnen. Je hoeft mijn wenkbrauwen niet te lezen.’

Ik keek naar de groene tegels. Bij de laatste herhaling kwam de hoge zin er klein uit, maar zonder de botsing die ik verwachtte. Ik stopte vanzelf.

‘Dat was niet veel,’ zei ik.

‘Het was een begin. Je mag ook een volgende zin zingen.’

Aan het einde vroeg ze wat het optreden moest worden. Ik vertelde over René en de drie nummers en hoorde mezelf zeggen dat we natuurlijk geen kinderen meer waren. Het klonk als een verontschuldiging voor iets wat zij nog niet had aangerekend.

‘Hoeveel mensen komen er?’ vroeg ze.

‘Geen idee. Een zaal vol oude bandjes, vermoed ik. Ouders. Jongeren die er nu spelen.’

‘En hoeveel daarvan komen om jouw stem van acht jaar geleden te controleren?’

‘Eentje,’ zei ik.

Ze glimlachte, maar maakte er geen punt van. Ze schreef de lagere toonsoort op een kaartje en gaf me een paar eenvoudige stukken om thuis te proberen. Ik boekte nog een les voor twee weken later. Mijn betaling voelde verrassend ernstig. Ik kocht voor het eerst in jaren iets voor muziek zonder mezelf te kunnen vertellen dat het uitsluitend voor anderen was.

Op zaterdag had Bas de oude opname uitgewerkt. Niet helemaal, zei hij meteen. Hij had vooral geluisterd waar hij destijds zijn vingers had neergezet.

‘Ik speelde het toen sneller,’ zei hij.

‘We deden alles sneller,’ zei Sofie. Ze haalde haar bas uit de hoes. ‘Behalve kiezen waar we gingen eten.’

Mo schoof zijn stoel naar achteren en vroeg of we het nieuwe stukje eerst konden doen. Hij moest zijn vader later naar een verjaardag brengen. Hij zei het achteloos. Ik wilde vragen of er niet iemand anders kon rijden en hield mijn mond. Hij had een tijd genoemd; de tijd was duidelijk.

Bas speelde de reeks tonen. Het was minder glad dan ik me herinnerde. Er zat een sprong in die steeds iets te vroeg leek te komen. Sofie probeerde haar twee lage noten terug te vinden. Bij de tweede poging knikte Mo en zette hij een zacht ritme eronder.

Ik legde mijn handen op het keyboard. Er was veel ruimte. Dat maakte me onrustig. Ik vulde een akkoord in, nog één, en daarna een melodie die ik in de auto had bedacht.

Bas stopte.

‘Wacht even. Dan raak ik mijn begin kwijt.’

‘Ik dacht dat het daar naartoe kon.’

‘Misschien. Kunnen we eerst horen waar het nu heen gaat?’

Ik trok mijn handen terug en legde ze op mijn bovenbenen. Sofie keek naar me. Ik wist niet of ze waardering zag of beledigd zwijgen. Het verschil kon op mijn gezicht klein zijn.

Ze begonnen opnieuw. Zonder mijn akkoorden hoorde ik dat de tweede basnoot langer bleef hangen dan de eerste. Mo tikte er vlak naast, liet zijn stok even boven het bekken wachten en kwam dan terug. Bas liet het laatste stukje van zijn reeks weg.

‘Daar,’ zei ik.

Niemand stopte. Ik drukte één toets in en hield hem vast. De noot paste eerst nergens bij, dacht ik, en toen veranderde Bas van toon en lag hij precies goed. Ik begon zacht te neuriën. Mijn stem zat laag genoeg om niet te hoeven zoeken.

We speelden bijna twee minuten. Toen raakte Mo zijn ritme kwijt en schoot Sofie in de lach.

‘Waar zijn we?’ vroeg Bas.

‘Geen idee,’ zei ik.

‘Er ontbreekt ergens een halve maat.’

‘Dat zou de naam kunnen zijn,’ zei Sofie.

Mo tikte zijn stokken tegen elkaar. ‘Halve maat. Voor mensen met weinig tijd.’

Ik schreef het boven aan een nieuw blad. Daaronder wilde ik meteen een volgorde zetten, maar ik liet het potlood op tafel liggen. Bas vroeg of we nog een keer konden beginnen. Hij had iets gehoord wat hij terug wilde.

De volgende poging werd veel minder mooi. Ik zocht de goede noot van daarnet en vond hem pas toen de anderen verder waren. Bas speelde te veel. Mo zette het ritme recht en vond het vervolgens saai. Sofie trok aan de hals van haar bas en zei dat ze honger had.

‘Het is halfelf,’ zei ik.

‘Ik was om kwart over vijf wakker.’

We aten de koekjes die Bas bij de supermarkt had meegenomen. Hij had de goedkoopste gekozen omdat er meer in de verpakking zaten. Dat was een redenering die ik me van vroeger herinnerde en meteen prettig vond.

Ik liet ze het begin van Vier hoog horen zoals ik het bij Carla had gezongen. Er was geen begeleiding, alleen mijn stem en het zachte tikken van Mo die onbewust zijn stok op zijn knie liet vallen.

Sofie keek op van de verpakking.

‘Dat kan ik erbij zingen,’ zei ze.

Ze deed het. Haar melodie liep eerst met mij mee en koos daarna een andere toon. Bij het einde ademden we tegelijk in. We moesten allebei lachen omdat het zonder afspraak gebeurde.

‘Zo,’ zei Bas. ‘Nu hoeven we alleen nog ons eigen werk goed te doen.’

We haalden Vier hoog in de nieuwe versie van begin tot einde zonder echt te stoppen. De overgang naar het tweede deel was rommelig en ik vergat een woord, maar ik kon blijven luisteren. Dat was nieuw. Gewoonlijk hoorde ik tijdens het zingen vooral hoeveel er nog mis kon gaan.

Bij het opruimen vroeg Mo of iemand de opnamen van Halve maat wilde rondsturen. Ik pakte zijn oude apparaat en hield het omhoog.

‘Ik stuur het door.’

‘Alle versies,’ zei Bas.

‘Ook die lelijke?’

‘Vooral die. Daar zit volgens mij het goede einde in.’

Thuis luisterde ik ze allemaal terug. Bij de tweede versie lag mijn stem over Sofies lage noot en schoof Bas erachterlangs. Verderop zei ik te hard dat we moesten stoppen. Ik schoof met mijn vinger over het scherm, terug naar de muziek.

Er waren achttien seconden die ik wilde bewaren. Ik luisterde er zo vaak naar dat ik vergat mijn was uit de machine te halen. Toen ik uiteindelijk opstond, moest alles opnieuw omdat het muf rook.

Ik stuurde de bestanden zonder commentaar naar de groep. Even later typte ik toch nog: Volgens mij kan dit iets worden.

Daar hoefde niemand iets op te antwoorden. Dat besefte ik pas nadat ik drie keer had gekeken.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.