HOOFDSTUK 10 VAN 14
Geen nieuw begin
Ik vroeg Sofie of ze een keer met me wilde lopen. Zonder instrumenten en zonder dat ik iets aan een planning wilde veranderen. Ze stuurde terug dat ze maandag om halfacht kon. Daarna schreef ze: Gewoon een rondje? Ik antwoordde ja.
Het was nog licht toen ik bij haar kwam. Erik zat op de vloer naast een grote kartonnen doos. Lou stond erin en hield een plastic bord voor zijn borst.
‘Boot,’ zei hij tegen mij.
‘Ik zie het.’
‘Niet aanraken.’
‘Begrepen.’
Sofie trok in de gang haar schoenen aan. Erik vroeg of ze haar sleutel had. Ze stak hem omhoog en we liepen naar buiten. Ik hoorde Lou nog roepen dat de boot nu naar oma ging. Daar bleek niemand een probleem van te maken.
We liepen langs de singel. Het gras was pas gemaaid en er lagen nog kleine hopen langs de rand. Sofie hield haar handen in de zakken van haar jas. Ik had al een hele openingszin voorbereid en vond hem ineens onaangenaam netjes.
‘Ik wil je iets zeggen over dat nummer,’ begon ik.
Ze keek vooruit.
‘Ik had het toen niet mogen spelen. Je had het duidelijk gezegd. Ik vond dat mijn idee over de muziek belangrijker was dan wat jij vroeg. En daarna heb ik gedaan alsof jij degene was die alles kapotmaakte.’
Er fietste iemand langs met twee honden. De kleinste trok aan de lijn en bracht de hele opstelling uit evenwicht. We gingen achter elkaar lopen om ruimte te maken.
Toen we weer naast elkaar liepen, zei Sofie: ‘Ja.’
Ik knikte. Het was een passend antwoord. Ik had onbewust toch op iets ruimers gehoopt.
‘Het spijt me,’ zei ik.
‘Dat geloof ik.’
We liepen een stukje verder. Mijn handen waren koud, maar ik wilde ze niet ook in mijn zakken steken omdat ik dan nog meer op haar zou lijken.
‘Ik dacht lang dat je uiteindelijk wel zou begrijpen waarom ik het had gedaan,’ zei ik.
Ze draaide haar hoofd.
‘Dat klinkt verkeerd.’ Ik stopte even met lopen. ‘Dat was ook verkeerd. Ik bedoel dat ik mezelf dat heb verteld. Dan hoefde ik geen contact te zoeken om iets te zeggen waar je kwaad om mocht blijven.’
Sofie knikte langzaam. Aan de overkant van het water joeg een kind achter een bal aan. Zijn vader riep dat hij op de fietsers moest letten. Het kind knikte zonder te kijken.
‘Ik was vooral bang dat iedereen het doorhad,’ zei Sofie. ‘Mijn moeder stond achterin. Mijn tante ook. Ik had mijn moeder gevraagd om te komen. Dat was al een heel ding. En toen begon jij.’
‘Ik wist niet dat ze er was.’
Sofie keek me aan.
‘Dat maakt het niet beter,’ zei ik snel.
‘Nee.’
We gingen weer lopen. Ik herinnerde me het podium. Het licht in mijn gezicht, mijn hand op het keyboard, Sofie die een stap naar achteren deed. Ik had haar beweging gezien. Ik had gedacht dat als ik doorzong, ze niet anders kon dan terugkomen.
Ik vertelde haar dat. Het was het deel dat ik het liefst alsnog voor mezelf had gehouden.
Sofie bleef staan bij de brug. Ze pakte een stukje verf van de leuning en drukte het tussen haar vingers.
‘Dat wist ik niet,’ zei ze.
‘Ik weet het.’
‘Ik dacht dat je helemaal niet naar me keek.’
Ik had geen antwoord dat iets hielp. De verf brak in twee stukken. Ze veegde haar vingers af aan haar broek.
‘Ik ben blij dat je het zegt,’ zei ze. ‘Ik weet alleen niet of ik er nu blij van word.’
‘Dat hoeft ook niet.’
Ze keek naar me. ‘Dat weet ik.’
Ik had zelfs bij mijn excuses de neiging om toestemming uit te delen. Ik voelde een vermoeide schaamte die minder dramatisch was dan de schaamte in de repetitieruimte. Er viel niets mee te doen behalve blijven staan.
Sofie wees met haar kin naar het pad. We staken de brug over. Er zat een eend op het lage beton, precies op een plek waar iedereen hem moest ontwijken. Ik maakte een grote boog. Sofie liep er vlak langs. De eend week geen centimeter.
‘Mijn moeder en ik doen het nu op onze manier,’ zei ze. ‘Soms zien we elkaar vaak. Soms een paar weken niet. Ze komt graag bij Lou. Dat is soms fijn en soms ingewikkeld.’
Ik knikte.
‘Je hoeft niet te vragen hoe ingewikkeld.’
‘Dat was ik niet van plan.’
‘Een beetje wel.’
Ik lachte kort. ‘Een beetje.’
Ze keek nu ook even alsof ze kon lachen. Daarna werd haar gezicht weer ernstig.
‘Ik heb je daarna ook niet veel kansen gegeven,’ zei ze.
Ik voelde hoe graag ik dat wilde vastpakken. Ik hield mijn ogen op het pad.
‘Dat hoefde je niet.’
‘Nee. Maar ik kon soms doen alsof alles wat je zei dezelfde bedoeling had. Ook als je alleen maar vroeg of ik koffie wilde.’
Ze vertelde over een verjaardag, bijna vier jaar eerder, waar ik had gevraagd of ze ooit nog muziek maakte. Ze had net een positieve zwangerschapstest gehad en het aan niemand verteld. Mijn vraag was voor haar gaan klinken alsof ze moest uitleggen wat ze met haar leven had gedaan. Ik herinnerde me dat gesprek nauwelijks. Ik herinnerde me vooral dat ze kort had geantwoord en dat ik mezelf daarna buiten had neergezet met de conclusie dat ze geen behoefte aan me had.
‘Ik had gewoon kunnen zeggen dat ik er geen zin in had om over te praten,’ zei ze.
‘Ik had ook iets anders kunnen vragen.’
‘Ja.’
We vonden een bankje met één natte plank. Sofie ging op de droge kant zitten. Ik haalde een oude kassabon uit mijn zak en gebruikte hem om de druppels weg te vegen. Hij werd onmiddellijk slap en liet een wit stukje papier achter. Ik pulkte het van het hout.
‘Je bent goed voorbereid,’ zei ze.
‘Professioneel.’
We zaten een tijdje zonder dat iemand een nieuwe vraag stelde. Aan de andere kant van de singel ging een man met een stok tussen de struiken. Zijn hond stond op het pad te wachten. Het leek erop dat de rollen tijdelijk omgedraaid waren.
Ik vroeg Sofie wat ze prettig vond aan het repeteren. Ze dacht langer na dan ik had verwacht.
‘Dat mijn handen het nog weten,’ zei ze. ‘Niet alles. Maar soms zet ik ze neer en dan komt er iets. En dat Lou mijn bas nu een echt instrument vindt. Eerst dacht hij dat het een heel grote gitaar voor mama was.’
‘Dat is het toch ook ongeveer.’
‘Pas op.’
Ik glimlachte. Ze keek naar haar vingers, die nog lichte strepen hadden van de snaren.
‘Ik miste het samen spelen,’ zei ze. ‘Dat iemand iets doet waar je op kunt reageren. Op mijn werk is reageren meestal een probleem dat opgelost moet worden. Hier mag het gewoon geluid zijn.’
Ze werkte als planner bij een zorgorganisatie. Dat wist ik, maar ik had haar nooit gevraagd hoe een gewone dag eruitzag. Ik vroeg het nu. Ze vertelde over roosters, mensen die met goede redenen niet konden en een collega die altijd de namiddagdienst wilde omdat hij 's ochtends voor zijn kleinkind zorgde. Er zat geen groot verhaal in. Er zaten veel mensen in die allemaal ergens op tijd moesten zijn.
‘Soms plan ik thuis in mijn hoofd nog door,’ zei ze. ‘Dan ben ik heel blij als Erik zegt dat de was ook morgen kan.’
Ik vertelde over Daan en de bezems. Ze lachte hardop. Daarna zei ze dat ze haar bericht over een reservetoetsenist onaardig had bedoeld.
‘Ik dacht al dat er geen gezichtje ontbrak,’ zei ik.
‘Nee. Het was expres zonder.’
Ik was blij dat ze het zei, hoewel het de opmerking niet ongedaan maakte. Het gaf me in elk geval een werkelijkheid waar ik niet eindeloos over hoefde na te denken.
We liepen terug langs de andere kant van het water. Bij een kruising pakte ze mijn mouw omdat ik doorliep terwijl een fietser afsloeg. Ze liet meteen weer los. Het was een klein, oud gebaar. Ik had het niet verdiend of geregeld. Het gebeurde.
Voor haar huis vroeg ik of ze Halve maat thuis had geprobeerd.
‘Een beetje. Ik heb een ander einde.’
‘Mag ik het horen?’
Ze keek naar het verlichte raam. ‘Nu niet. Lou gaat bijna naar bed. Zaterdag.’
‘Zaterdag.’
Ze stak haar sleutel in het slot en bleef nog even staan.
‘Ik wil niet dat dit gesprek een soort nieuw begin moet zijn,’ zei ze. ‘Dan moet alles hierna meteen goed.’
‘Dat lijkt me ook vermoeiend.’
‘Het mag gewoon een gesprek zijn.’
Ik knikte. Toen ging ze naar binnen en liep ik naar mijn auto. Ik had niets opgeschreven en niets opgenomen. Toch wist ik zeker dat ik het meeste zou onthouden.