HOOFDSTUK 6 VAN 14
Bij Mo thuis
Mo vroeg of ik donderdag zijn oude opnameapparaat wilde ophalen. Er stonden nog bestanden op die we misschien konden gebruiken om een derde nummer te vinden. Hij kon niet naar het centrum komen en zei dat ik ook later kon gaan, volgende week of zo. Ik schreef dat ik toch in de buurt was. Dat was niet waar, maar het was minder omslachtig dan zeggen dat ik hem graag wilde zien.
Hij deed open met een theedoek over zijn schouder.
‘Je moet een beetje langs de schoenen.’
In de gang stonden vier paar schoenen en een rollator. Ik wist dat zijn vader moeilijk liep. Ik wist niet dat Mo op donderdagavond rijst kookte in zijn keuken en de vuilniszak alvast bij de deur zette.
Zijn vader zat in de woonkamer met de televisie aan. Hij herkende me niet meteen. Toen Mo mijn naam zei, glimlachte hij.
‘Zangeres.’
‘Soms,’ zei ik.
‘Vroeger harder.’
Mo lachte vanuit de keuken. ‘Dat is waar.’
Ik ging zitten op een bank waarvan de kussens steeds naar het midden schoven. Op de salontafel lagen kranten, een afstandsbediening en een bakje mandarijnen. Zijn vader vroeg of ik thee wilde. Voor ik iets kon zeggen, zei Mo dat het theewater al opstond.
Er zat een vermoeidheid in zijn stem die ik in de repetitieruimte niet had gehoord.
Ik wilde helpen en wist niet waarmee. Ik vroeg of ik de tafel kon dekken. Mo wees waar de borden stonden. Hij zei dat ik kon blijven eten. Ik had eten in huis, maar niets dat moeilijk zonder mij kon.
Tijdens het eten vertelde zijn vader over de tuin die hij vroeger had gehad. Ik had het verhaal eerder gehoord. Mo ook, vaker dan ik. Toch stelde hij een vraag over de perenboom. Zijn vader kwam daardoor bij een ander deel van het verhaal uit, een buurman die altijd fruit plukte voordat het rijp was.
Na het eten bracht Mo een stapel papieren naar de keuken. Hij maakte er twee stapels van en legde één stapel weer terug. Ik vroeg of hij veel regelde.
‘Een beetje.’
‘Dat ziet er niet uit als een beetje.’
Hij keek naar de papieren. ‘Het is vooral vaak.’
Ik dacht aan zijn late aankomst op de eerste repetitie. Aan mijn opmerking dat we tijd moesten maken.
‘Had je daarom zaterdag eerst nog iets?’
‘Ja.’
‘Waarom zeg je dat niet?’
Hij leunde tegen het aanrecht. ‘Omdat ik geen reden nodig wil hebben om te mogen zeggen hoe laat ik kan.’
Ik zei niets. Het was een zin die ik waarschijnlijk in mijn telefoon had opgeslagen als iemand anders hem tegen iemand anders had gezegd. Nu stond hij voor me met afwaswater op zijn mouw.
‘Ik vind de band leuk,’ zei hij. ‘Maar ik wil niet bij elke afspraak uitleggen wat er hier gebeurt.’
‘Dat snap ik.’
‘Misschien kun je het gewoon aannemen als ik zeg dat iets niet kan.’
Ik knikte. Hij liep terug naar de woonkamer om zijn vader te helpen met iets aan de televisie. Het bleek een instelling te zijn die per ongeluk was veranderd. Ze kibbelden erover alsof het een wedstrijd was die al jaren liep.
Toen we later in zijn oude slaapkamer naar het opnameapparaat zochten, zag ik de posters die nog aan de muur hingen. Ze waren verbleekt. Op het bureau stond een lamp met een kap die scheef hing. Het was vreemd om Mo in die kamer te zien, met zijn brede schouders en zijn korte baard. Hij paste er niet meer helemaal in, maar wist nog steeds waar de batterijen lagen.
‘Ik woon hier niet,’ zei hij, alsof hij mijn gedachte had gehoord.
‘Dat weet ik.’
‘Ik ben hier alleen veel.’
We vonden het apparaat in een doos met kabels. Hij stopte er nieuwe batterijen in en we luisterden naar korte fragmenten. Een drumsolo die veel te lang duurde. Bas die zei dat zijn vingers koud waren. Ik die vroeg of we nu eindelijk konden beginnen.
‘Gezellig mens,’ zei ik.
‘Je kon ook leuk zijn.’
‘Bewijs?’
Hij zocht verder. Op het volgende fragment lachte ik zo hard dat ik nauwelijks nog kon zingen. Sofie probeerde een zin over een gebroken hart serieus te houden, maar iemand had een piepend geluid gemaakt met een stoel. We klonken jong en onbeschaamd gelukkig.
Ik voelde mijn ogen prikken. Mo deed alsof hij het apparaat aandachtig bekeek.
‘We waren niet altijd aan het repeteren,’ zei hij.
‘Nee.’
‘Misschien is dat een deel van wat ik mis.’
We vonden een instrumentaal stukje dat we nooit hadden afgemaakt. Bas speelde een korte reeks tonen, Sofie antwoordde met twee lage noten en Mo kwam er halverwege met een ander ritme onder. Ik neuriede iets wat geen tekst was. Daarna stopten we omdat iemand naar huis moest.
‘Deze,’ zei ik.
Mo keek op.
‘Kunnen we hier iets mee?’
Hij speelde het nog eens af. ‘Misschien.’
Ik wilde meteen zeggen hoe we het konden opbouwen. Ik slikte de eerste twee ideeën in en vroeg wat hij hoorde.
Hij tikte met zijn vingers op het bureau. Eerst langzaam, daarna met een verschuiving waardoor ik niet meer wist waar het begin van de maat zat. Toen liet hij één tik weg. Het hele stukje veranderde.
‘Dat is mooi,’ zei ik.
Hij glimlachte. ‘Daar kan nog iets tussen.’
Beneden riep zijn vader. Mo stond op. Ik bleef zitten en luisterde naar de opname. De stemmen op de achtergrond praatten door elkaar. Niemand was de leider van dat fragment. Het was alleen een begin dat we samen hadden laten liggen.
Toen ik wegging, gaf Mo me het apparaat en een bakje eten.
‘Dat hoeft niet,’ zei ik.
‘Ik heb te veel gemaakt.’
Ik nam het aan. Bij de deur zei ik dat hij voor de volgende repetitie alleen hoefde te laten weten of hij kon. Geen uitleg nodig.
Hij keek me aan. ‘Dank je.’
Ik reed naar huis met twee dozen op de passagiersstoel: één met een oude opname en één met rijst. Ik vond het moeilijk te bepalen welke ik eerder nodig had gehad.