HOOFDSTUK 12 VAN 14
Nog één keer zaterdag
Om kwart over negen had ik water nodig en wilde ik niets drinken. Mijn mond was droog. Mijn maag had andere opvattingen over wat verstandig was. Bas draaide de dop van een fles en gaf hem aan me.
‘Klein slokje,’ zei hij.
Ik keek hem aan.
‘Sorry,’ zei hij. ‘Je kunt zelf drinken.’
Ik lachte en nam een slok. Het hielp iets. Ik stond achter het gordijn aan de zijkant. Op het podium speelde een band waarvan de leden elkaar bij elk refrein enthousiast aankeken. Ze waren zeker tien jaar ouder dan wij. Eén van hen droeg een bril die langzaam van zijn neus schoof. Hij duwde hem steeds terug zonder de maat kwijt te raken.
De zaal was voller dan bij de doorloop. Er stonden mensen bij de bar, mensen tegen de muren en mensen midden in de looproute die nooit van plan leken om door te lopen. Ik had mijn ouders gezien. Mijn vader had me met zijn hele arm toegewuifd. Mijn moeder had alleen haar hand opgestoken, alsof ze rekening wilde houden met een onbekende hoeveelheid spanning in mijn lichaam.
Lou was in de namiddag even geweest. Hij had met oorkappen op naar het drumstel gekeken en gevraagd of Mo alles zelf kon raken. Mo had hem één stok gegeven en hem op een trommel laten slaan. Daarna had Lou zijn eigen schrik ontkend. Erik had hem voor het avondeten meegenomen. Sofie had hen bij de deur uitgezwaaid en was teruggekomen met een vergeten kinderhandschoen in haar achterzak, hoewel het daar allang te warm voor was.
Nu stond ze naast me. Ze tikte met twee vingers op de hals van haar bas, een beweging zonder geluid. Ik vroeg of ze zenuwachtig was.
‘Ja,’ zei ze. ‘Jij?’
‘Ik ben aan het overwegen of ik nog naar het toilet moet.’
‘Dat is geen antwoord.’
‘Dat is mijn antwoord.’
Ze glimlachte en keek het podium op. De band was aan de laatste maat bezig. Het applaus begon al voor de laatste toon, een beetje onhandig en daardoor prettig. Meryem stak achter het gordijn drie vingers op, wees naar ons en vervolgens naar het podium.
Mo liep als eerste. Hij had zijn stokken in zijn achterzak. Bas volgde met zijn gitaar tegen zijn buik. Sofie liet mij voorgaan. Ik bleef even bij de rand staan om het trapje goed te zien. Daarna zat ik op mijn stoel, op de plek van de gele tape.
Het licht maakte de mensen verderop onscherp. Ik zag vooraan een paar gezichten, daarachter vooral hoofden die bewogen. Mijn keyboard had een kleine kras bij de volumeknop. Ik legde mijn vingers ernaast en keek naar Bas.
Hij stak zijn duim op. Mo tikte zacht op de rand van zijn trommel. Sofie draaide haar hoofd naar mij.
Meryem noemde onze naam. Er klonk een geluid uit de zaal dat groter was dan ik had verwacht. Iemand riep iets wat ik niet verstond. Ik glimlachte te breed en schoof de microfoon iets naar me toe.
‘Wij zijn Bijna Thuis,’ zei ik. ‘Dat is nog steeds de naam. Dank je, René, dat we weer mogen.’
Meer had ik niet voorbereid. Dat bleek genoeg om te kunnen beginnen.
Vier hoog begon met mijn akkoorden. Ik had het thuis zo vaak gedaan dat mijn handen het konden terwijl ik mijn hoofd ergens anders voor gebruikte. Dat was nu niet helemaal een voordeel. Ik dacht aan de zaal, aan het licht, aan het feit dat mijn broek bij mijn knie trok. De eerste woorden kwamen eerder dan mijn aandacht.
Bij de tweede zin hoorde ik dat ik de oude hoge melodie wilde pakken. Mijn stem spande aan. Ik keek naar de toetsen en zong de volgende regel lager, waar we hem hadden geoefend. Sofie kwam erbij. Haar stem gaf me iets buiten mezelf om naar te luisteren.
Het refrein werd breder. Mo speelde duidelijker dan in de repetitie, zonder harder te worden dan nodig was. Bas liet een akkoord trillen. Ik zag iemand vooraan zijn hoofd bewegen op de maat. Het was een vrouw die ik niet kende. Ze hield een glas water met twee handen vast.
Ik vergat een woord. Het was geen belangrijk woord, maar in de ruimte die het achterliet dacht ik een ogenblik dat iedereen moest stoppen. Sofie zong door. Ik viel een tel later weer in. Niemand in de zaal leek erdoor te zijn getroffen.
Tegen het einde durfde ik op te kijken. René stond bij de zijkant, naast Meryem. Hij had een papier in zijn handen dat hij kennelijk niet had weggelegd. Hij glimlachte niet de hele tijd. Hij luisterde. Dat vond ik veel fijner dan ik had verwacht.
Het laatste akkoord viel gelijk. Er volgde applaus. Ik ademde uit alsof ik tot dan toe iets onder water had gedaan.
Bas begon de gitaar voor De laatste bus te stemmen. Het was maar een kleine aanpassing, maar hij luisterde zorgvuldig. Ik pakte mijn fles water. De dop zat vaster dan daarnet. Ik probeerde hem twee keer en legde de fles terug.
Sofie boog naar me toe. ‘Gaat goed.’
‘Ja?’
Ze knikte. ‘Adem ook even tussen de nummers.’
Mo tikte het begin aan. De laatste bus moest zacht bewegen. Ik begon te vroeg. Bas kwam mee, Sofie wachtte de goede tel af en ineens waren er twee plekken waar de maat leek te zitten.
Ik keek om naar Mo. Hij hield zijn ritme, maar zijn wenkbrauwen gingen omhoog. Bas stopte één akkoord, zette opnieuw in en kwam naast Sofie terecht. Ik liet mijn handen even rusten. Mijn stem liep nog een halve zin door. Daarna luisterde ik en vond de plek terug.
Het duurde misschien vijf seconden. In mijn hoofd had ik tijd om de hele avond af te schaffen. Toen hoorde ik Sofies lage noot weer op de juiste plaats vallen en ging de muziek verder.
Bij het tweede refrein zongen we samen. Haar stem lag zo dicht bij de mijne dat ik soms niet wist welke van ons ik hoorde. Ik hield de laatste klank langer vast, zoals we hadden afgesproken. Mo maakte een kleine beweging over de trommels en kwam terug op het zachte ritme. Bas speelde de korte reeks tonen die vroeger een veel langere solo was geweest.
Iemand achterin liet een glas vallen. Er werd gelachen. Ik bleef zingen. Het glas hoorde bij de zaal, niet bij het lied, en toch kon het er allebei zijn.
Toen we klaar waren, keek Bas naar Mo en trok een verontschuldigend gezicht. Mo haalde één schouder op. Het was opgelost. We hoefden niet midden op het podium uit te zoeken wie er als eerste een fout had gemaakt.
Ik schoof mijn stoel een paar centimeter naar achteren. Voor Halve maat zat ik liever iets verder van het keyboard. Mijn knie stootte tegen de standaard. Er gebeurde niets. Ik liet mijn handen in mijn schoot vallen.
‘Dit laatste hebben we pas afgemaakt,’ zei ik. ‘Het begon heel lang geleden. Het heet Halve maat.’
Ik keek naar Sofie, daarna naar Bas en Mo. Bas zette de eerste tonen in.
Ze klonken helder, bijna alleen. Sofie liet haar twee lage noten antwoorden. Mo kwam erin op de plek die ik inmiddels kon voelen zonder hem te hoeven tellen. Ik wachtte. De neiging om iets te doen was sterk; er stonden mensen voor ons en ik zat zichtbaar achter een instrument. Toch liet ik Bas nog een keer de reeks spelen voordat ik mijn toets indrukte.
De hoge toon bleef hangen. Sofie ging naar de verandering die ze had meegenomen. Het maakte de hele ruimte achter de melodie anders. Ik begon te zingen zonder woorden.
Dat had ik vroeger alleen gedurfd als voorbereiding op een echte tekst. Nu kon ik nergens uitleg in stoppen. Er was een klank, en daarna een volgende. De tweede brak een beetje, zoals bij Carla. Ik liet hem doorgaan.
Bas keek naar mij. Hij speelde zachter. Ik dacht even dat hij vond dat ik te weinig volume had, toen begreep ik dat hij gewoon ruimte maakte. Mo nam zijn stok van het bekken en speelde alleen op de trommel. Sofie bleef op haar toon, vast en rustig.
Ik hoorde mijn eigen stem in de kast voor mijn voeten en verder weg uit de zaal. De twee kwamen niet precies tegelijk terug. Ik kon ze niet allebei controleren. Ik koos de stem die het dichtst bij me was.
In de open passage keek ik naar Sofies hand. Ze had haar ogen op haar bas. Ze wachtte langer dan bij de doorloop. Ik dacht dat ze het teken misschien vergeten was. Mijn vingers wilden alvast naar het beginakkoord.
Toen tilde ze haar hand op. Een kleine beweging. Ze keek naar Mo en liet haar hand op de snaren vallen.
We kwamen samen terug.
Er gebeurde niets groots in de zaal. Niemand stond ineens op. Er kwam geen geluid dat bevestigde dat dit belangrijk was. Maar Bas glimlachte naar Sofie en Mo zette het ritme steviger neer. Ik zong de melodie nog een keer, nu met een andere laatste toon, en hoorde dat die erbij paste.
Het einde kwam dichterbij. Ik wist dat omdat ik de anderen hoorde, niet omdat ik naar het papier keek. Sofie maakte haar verandering. Bas liet zijn laatste akkoord los en Mo hield zijn stok boven de trommel zonder hem nog neer te laten komen.
We stopten.
De gitaartoon bleef even achter. Ik liet mijn handen op mijn benen liggen tot ik hem niet meer hoorde.
Toen kwam het applaus. Het was warm en rommelig en veel. Ik keek de zaal in en vond mijn moeder. Ze had haar handen voor haar gezicht, niet huilend, gewoon klappend op een manier die ik van haar kende. Mijn vader stond naast haar met zijn mond open. Hij riep vermoedelijk iets. Deze keer hoefde ik niet te weten wat.
Sofie boog naar voren. Bas deed een overdreven hoffelijke buiging naar haar en struikelde bijna over zijn kabel. Ik lachte in de microfoon. Het klonk harder dan mijn laatste noot.
René kwam naar de rand van het podium. Hij legde zijn hand op het hout en keek eerst naar Mo, daarna naar ons allemaal.
‘Dat laatste,’ zei hij, maar het applaus maakte de rest onhoorbaar.
Ik boog naar hem toe.
‘Wat?’
‘Dat laatste kende ik nog niet.’
‘Wij ook bijna niet,’ zei ik.
Hij lachte en stapte achteruit zodat we langs hem konden. Meryem wees naar de vrije kant van het podium. De volgende band stond al klaar. We hadden onze minuten gehad.
Ik trok de stekker uit mijn keyboard en hielp Bas de standaard opzijzetten. Mijn handen trilden nu pas echt. Er liep een jongen langs me met een gitaar, zijn schouders hoog, zijn mond dun van concentratie. Hij keek naar het podium alsof het iets van hem kon afpakken.
‘Veel plezier,’ zei ik.
Hij knikte zonder me goed te zien. Ik ging voor hem aan de kant.