HOOFDSTUK 2 VAN 14
Achter de fietsenstalling
Mijn keyboard was zwaarder dan ik het me herinnerde. Dat kon aan het keyboard liggen, maar mijn vader zei dat het gewoon aan de hoes lag. Hij had er in de loop der jaren verschillende kabels bij gestopt die volgens hem vast van mij waren.
Er zat een snoer van een printer tussen en een oplader voor een telefoon die ik niet herkende.
‘Je weet maar nooit,’ zei hij.
Ik haalde ze eruit. Mijn moeder stond in de keuken een bakje eten in te pakken dat ik niet had gevraagd maar wel mee zou nemen. Ze vroeg of Bas nog gitaar speelde.
‘Volgens mij wel.’
‘En Sofie heeft nu een kindje.’
‘Lou is drie.’
Mijn moeder keek op. ‘Drie alweer?’
Ik voelde de lichte verwijtende warmte van die vraag, hoewel ze er misschien niets mee bedoelde. Tijd ging bij andermans kinderen altijd sneller dan bij je eigen plannen.
Mijn vader hielp het keyboard in de auto. Hij vroeg of ik nog bladmuziek had.
‘Het waren onze eigen nummers.’
‘Dan moet je toch ook weten wat je speelt.’
Dat was een goede vraag, die ik uit gewoonte irritant vond.
Een week later stond ik met de hoes voor de deur van De Wissel. De fietsenstalling was vernieuwd. De oude golfplaten overkapping was weg en er stonden nu strakke rekken waarin mijn fiets vroeger met geen mogelijkheid recht zou zijn gebleven. Aan het gebouw zelf was weinig veranderd. Er hing een nieuw bord. De deur was nog steeds blauw.
René deed open met een mok in zijn hand. Hij droeg een vest dat ik kende, of een vest dat zoveel op zijn oude leek dat hij het net zo goed had kunnen bewaren.
‘Juna.’
Hij zette de mok neer en gaf me een omhelzing waarbij het keyboard tussen ons in bleef.
‘Je hebt hem nog.’
‘Mijn ouders vooral.’
Hij pakte de andere kant van de hoes en hielp me naar binnen. De gang rook naar schoonmaakmiddel en iets gebakkens. Vroeger had hij naar frituur en natte jassen geroken. Ik voelde me onmiddellijk teleurgesteld, wat veel zei over de betrouwbaarheid van nostalgie.
In het lokaal stond Bas zijn gitaar te stemmen. Hij had korter haar en een klein buikje dat hem goed stond. Ik vond het onvriendelijk van mezelf dat ik dat meteen opmerkte.
‘Hé,’ zei hij.
‘Hé.’
We omhelsden elkaar ongemakkelijk, omdat zijn gitaar nog om zijn nek hing. Er was die ochtend opvallend veel apparatuur tussen mensen.
‘Je ziet er goed uit,’ zei hij.
‘Jij ook.’
‘Dat zeggen we nu gewoon, toch?’
‘Ja. Dan is dat geweest.’
Hij lachte. Het geluid was hetzelfde gebleven, een beetje door zijn neus. Daar was ik blijer mee dan met het gebouw.
Sofie kwam binnen met haar bas op haar rug en een tas waar een plastic dinosaurus uit stak. Ze zag mijn blik.
‘Die is niet van mij.’
‘Jammer.’
‘Hij bijt wel.’
Ze gaf me een kus op mijn wang. Haar jas rook naar kinderlotion. Ze legde haar telefoon op de versterker en zette het geluid aan.
‘Ik moet bereikbaar zijn,’ zei ze.
Niemand had er iets van gezegd. Toch begreep ik waarom ze het alvast meldde.
Mo kwam om kwart over tien, zoals afgesproken, maar bood zijn excuses aan alsof hij te laat was. Hij had een zak broodjes bij zich en een bos sleutels waarvan het geluid nog precies hetzelfde was. Ik had hem vaker gezien dan de anderen, maar in deze ruimte zag hij er ineens weer uit als onze drummer. Alleen zijn baard was nieuw.
‘Daar zitten we dan,’ zei hij.
‘We staan nog,’ zei Bas.
Mo gaf hem een broodje.
René liet ons zien wat er veranderd was. De drumstellen waren beter, de stoelen slechter. Het tapijt aan de muur was weg. Er hingen echte panelen. Ik klapte één keer in mijn handen om te horen wat er gebeurde.
‘Dat deden jullie vroeger ook altijd,’ zei René. ‘Alsof je wist waar je naar luisterde.’
‘We wisten precies waar we naar luisterden,’ zei Bas. ‘Naar onszelf.’
We lachten. Het was gemakkelijk om samen te lachen over wie we waren geweest. Moeilijker was dat we daarna moesten uitzoeken wie er nu stond.
René vertelde over de afscheidsavond. Verschillende bandjes, oud en nieuw. Niet iedereen hoefde lang te spelen. Drie nummers was genoeg. Het centrum bleef gewoon open. Meryem nam zijn werk over.
‘Ben je niet te jong om te stoppen?’ vroeg Mo.
René haalde zijn schouders op. ‘Ik stop hier. Niet met ademhalen.’
Hij ging bij zijn partner wonen, in een andere stad. Hij zou nog wat lessen geven en misschien een paar dagen werken in een winkel van een vriend. Hij vertelde het zonder de verhevenheid waarmee ik zelf elke verandering probeerde aan te kondigen.
‘En ik wil ook weleens op zaterdag ergens zijn waar niemand vraagt of ik een kabel heb,’ zei hij.
We keken allemaal naar de kabels op de grond.
Toen hij weg was, zetten we onze spullen klaar. Mijn keyboard ging aan. Op het scherm verscheen dezelfde onhandige tekst als vroeger. Ik drukte op een toets. Er kwam een dun orgelgeluid uit.
‘Je laatste instelling,’ zei Bas.
Ik wist niet meer bij welk nummer die hoorde. Dat voelde erger dan ik had verwacht.
Mo hielp me aansluiten. Hij legde een kabel langs de muur zodat niemand erover struikelde en zette een klein kastje op de vloer. Sofie testte haar bas. De eerste lage noot vulde de kamer. Ik voelde hem in mijn benen voordat ik hem echt hoorde.
‘Daar is hij,’ zei Mo.
We besloten met Vier hoog te beginnen. Dat kende iedereen nog, dachten we. Ik gaf de akkoorden. Bas speelde een intro dat ik niet herkende.
‘Dat is de verkeerde,’ zei ik.
Hij stopte. ‘Is dit niet de tweede versie?’
‘We hadden geen tweede versie.’
Sofie keek op. ‘Jawel. Omdat die eerste te lang was.’
Ik bladerde in het oude schrift dat ik had meegenomen. Er stonden doorhalingen in mijn eigen handschrift. Naast het intro stond: korter, Bas. Ik had het nummer blijkbaar zelf veranderd en daarna de herinnering teruggezet.
‘Goed,’ zei ik. ‘De tweede versie.’
We begonnen. Na acht maten stopte Mo.
‘Volgens mij zijn we niet allemaal in dezelfde maat.’
‘Dat was vroeger ook al zo,’ zei Bas.
Sofie keek naar de klok.
Ik voelde iets in mijn borst aantrekken. We waren nog geen halfuur bezig en ik wilde al dat het beter ging dan het ging.