HOOFDSTUK 4 VAN 14
Een uur is een uur
Sofie nodigde me woensdag uit om samen de tweede stem door te nemen. Ze schreef erbij dat Lou erbij zou zijn. Ik antwoordde dat dat geen probleem was. Ik had geen idee of dat waar was, maar het leek me een lelijke reactie om eerst naar het volume van haar kind te vragen.
Haar huis stond in een wijk waar elke straat een eigen versie van dezelfde voortuin had. Ik had er al vaker aangebeld, meestal met een cadeau of een schaal eten. Ditmaal had ik mijn schrift en een kleine speaker bij me. Dat voelde minder verantwoord en daarom prettig.
Lou deed de deur open met een plastic zwaard.
‘Ik ben geen ridder,’ zei hij.
‘Goed dat je het zegt.’
‘Ik ben een bezorger.’
Hij gaf me een leeg doosje en rende weg.
Sofie stond in de keuken een kom rijst van de vloer te rapen. ‘Er was een probleem met de haven,’ zei ze.
Ik zette mijn spullen neer en hielp. Ze zei niet dat dat niet hoefde. Ik vond het prettig dat ik niet eerst moest bewijzen dat ik haar wilde helpen.
Erik kwam langs met zijn jas aan. Hij moest werken. Hij gaf Sofie een kus en vroeg of er nog iets was.
‘Melk,’ zei ze.
‘Ik kom laat terug.’
‘Ik weet het. Daarom zeg ik het nu.’
Hij knikte, zette het in zijn telefoon en vertrok. Het was een gewoon gesprek, zonder iemand die verkeerd reageerde. Toch zag ik hoeveel kleine dingen er in die paar zinnen geregeld werden.
We gingen aan tafel zitten. Sofie had haar bas al aangesloten op een klein versterkertje. Ze speelde zacht. Lou bouwde naast ons een weg van houten blokken. Na twee regels kwam hij vragen waarom wij hetzelfde steeds opnieuw zongen.
‘Omdat het nog niet goed gaat,’ zei Sofie.
‘Dan moet je iets anders doen.’
‘Dat is ook een mogelijkheid,’ zei ik.
We kregen het eerste refrein goed. Sofie zong lager dan ik me herinnerde, met een warme klank die ik vroeger waarschijnlijk als achtergrond had beschouwd. Ik hield op met mijn eigen partij om naar haar te luisteren.
‘Wat?’ vroeg ze.
‘Dat klinkt mooi.’
Ze haalde haar schouders op. ‘Ik zing elke avond. Alleen meestal over een muis die niet naar bed wil.’
Lou keek op. ‘Hij wíl wel. Hij kan niet.’
We namen het refrein op. Daarna moest er een boterham worden gesmeerd. Er viel een beker om. Lou wilde weten waar zijn andere sok was, hoewel hij er twee aanhad. Sofie bleef ondertussen rustig, maar ik zag dat haar aandacht steeds werd losgetrokken en weer teruggelegd.
Toen Lou even in de kamer speelde, vroeg ik of ze niet liever bij mij wilde oefenen.
‘Dat is soms makkelijker,’ zei ze. ‘Maar dan moet Erik er zijn. Of iemand anders. En ik wil niet elke vrije avond iets regelen zodat ik een vrije avond kan hebben.’
Ik knikte alsof ik het begreep. Ze zag dat ik het vooral probeerde.
‘Ik wil graag spelen,’ zei ze. ‘Ik wil ook graag thuiskomen zonder dat ik daarna nog een hele dag moet repareren.’
‘Ik wilde je zaterdag niet opjagen.’
‘Dat deed je ook niet. Je wilde dat ik bleef.’
‘Is dat heel anders?’
‘Voor mij soms niet. Voor jou misschien wel.’
Ik keek naar mijn schrift. Er stonden tijden in de kantlijn. Wanneer we begonnen, hoeveel minuten we per nummer konden besteden, welke stukken nog niet goed gingen. Ik had gedacht dat structuur ons zou helpen. Ik had er niet bij gezet hoeveel energie iemand nodig had om überhaupt in de ruimte te verschijnen.
Lou kwam tegen Sofie aan hangen. Hij was ineens moe. Ze tilde hem op haar schoot en liet hem met een vinger op de losse snaren van de bas tikken. Het instrument maakte een dof, laag geluid. Hij vond het prachtig. Ik ook, onverwacht.
‘Heeft hij ooit gehoord dat jij in een band zat?’ vroeg ik.
‘Hij denkt dat ik nog steeds in een band zit.’
‘Dat klopt nu ook.’
Ze keek even naar me. ‘Misschien.’
Ik bleef eten. We aten rijst die niet op de vloer had gelegen en groente die Lou wantrouwde. Daarna gaf ik hem een boek aan terwijl Sofie de keuken opruimde. Hij wilde dat ik het las, maar corrigeerde me voortdurend. Ik moest de vrachtwagen bozer doen en de fietser juist niet zo verdrietig. Het was mijn eerste publiek in jaren dat precies wist wat het wilde.
Toen Sofie hem naar bed bracht, keek ik rond in de kamer. Er stond een foto van ons vieren op een plank, half achter een plant. Ik pakte hem op. We zaten op de rand van een podium, met onze benen in een wirwar van kabels. Sofie had haar hand boven haar ogen tegen de zon.
Ik had die foto niet meer.
‘Ik dacht dat jij alles had weggegooid,’ zei ik toen ze terugkwam.
‘Waarom zou ik?’
Ik zette de foto neer. ‘Weet ik niet.’
Ze ging op de bank zitten en trok haar benen onder zich. ‘Ik heb het niet alleen vervelend gehad, Juna.’
Dat trof me harder dan een verwijt. Ik had de laatste avond zo groot gemaakt dat ik blijkbaar had aangenomen dat de jaren ervoor voor haar ook verdwenen waren.
We zongen nog één keer zacht het refrein. Ditmaal zonder instrumenten. De stemmen pasten niet meteen op elkaar. We zochten, hielden een noot iets langer vast, begonnen opnieuw. Boven klonk een voetstap. Sofie luisterde. Het bleef stil.
Om halfnegen ging ik naar huis. We hadden minder geoefend dan ik had gepland en meer gedaan dan ik had verwacht. Ik durfde dat niet meteen in de groepschat te schrijven. Het zou te veel hebben geklonken alsof ik haar avond beoordeelde.
In plaats daarvan stuurde ik de opname.
Mo schreef: Mooi.
Bas schreef: Die tweede stem houden.
Sofie stuurde een foto van Lou, die alsnog wakker was en haar bas vast wilde houden. Onder de foto stond: Onze vervanger is nog niet beschikbaar.
Ik legde mijn telefoon neer en neuriede het refrein terwijl ik mijn tanden poetste. Voor het eerst in lange tijd hoorde ik in mijn hoofd niet alleen mijn eigen stem.