← Nog één keer zaterdag
Inhoudsopgave · hoofdstuk 11 van 14
  1. 1. De uitnodiging
  2. 2. Achter de fietsenstalling
  3. 3. Eén twee drie vier
  4. 4. Een uur is een uur
  5. 5. Het oude nummer
  6. 6. Bij Mo thuis
  7. 7. Mijn eigen stem
  8. 8. De grote zaal
  9. 9. Wat ik niet had gevraagd
  10. 10. Geen nieuw begin
  11. 11. Licht op de vloer
  12. 12. Nog één keer zaterdag
  13. 13. Na de laatste kabel
  14. 14. Over zes weken

HOOFDSTUK 11 VAN 14

Licht op de vloer

Bij mijn tweede les vroeg Carla of ik iets anders had dan Vier hoog. Ik zei dat ik daar juist mee wilde oefenen. Ze knikte en vroeg het nog een keer.

Ik speelde het begin van Halve maat. Zonder de anderen was het erg kaal. Ik neuriede de melodie die ik erbij had gevonden en stopte toen ik niet meer wist hoe ik alleen verder moest.

‘Daar zitten dus nog mensen tussen,’ zei Carla.

‘Drie.’

‘Dat hoor ik.’

Ze vroeg of ik de melodie een keer wilde zingen zonder keyboard. Ik vond dat ongemakkelijk. Mijn handen hielden zich met elkaar bezig. Toch kwam de tweede keer een klank tevoorschijn die ik in de repetitieruimte nog niet had gemaakt, een beetje schor aan het einde. Ik stopte om hem te verbeteren.

‘Waarom stop je?’ vroeg Carla.

‘Het brak.’

‘Vond je het lelijk?’

Ik dacht na. ‘Ik weet het niet.’

‘Je mag het eerst even horen.’

We namen het op en luisterden terug. Het was maar een kort stukje. Ik vond sommige tonen mooi en andere dun. De breuk aan het einde klonk minder als een fout dan ik had verwacht. Ik besloot niet dat ik hem voortaan altijd zou maken. Ik liet hem in de opname staan.

Na de les vroeg Carla of ik na het optreden nog eens wilde komen. Ik had mijn agenda al vast voordat ik besefte dat ik ook gewoon ja kon zeggen zonder een heel project te maken van de maanden daarna. We spraken over drie weken af. Eén afspraak. Geen belofte over wie ik ermee ging worden.

De laatste gewone repetitie was op de zaterdag voor het afscheid. Sofie liet haar einde horen. Ze begon op de lage noot die we kenden en verplaatste daarna één vinger. Er zat iets droevigs in wat ze niet uitlegde. Bas probeerde er een akkoord bij en trok een gezicht.

‘Niet die,’ zei zij.

‘Nee, dat hoorde ik.’

Hij zocht verder. Mo zat met zijn stokken op zijn knieën en tikte alleen met zijn voet. Ik wachtte tot Bas iets had gevonden. Daarna speelde ik de dunne hoge toon die op de oude opname ergens boven iedereen zweefde.

We deden het vier keer. Bij de vijfde ging Sofie vanzelf terug naar het begin. Mo kwam erin zonder te vragen. Het duurde bijna vier minuten. Toen stopten we allemaal tegelijk, behalve de snaren van Bas die nog een beetje doortrilden.

‘Ja,’ zei Mo.

Er kwam geen uitgebreide bespreking. Ik draaide me naar mijn vel papier en schreef alleen de volgorde op. Begin, ruimte, terug. Dat was te weinig voor iemand die het nummer niet kende, maar wij kenden het nu een beetje.

We probeerden de drie nummers achter elkaar. Vier hoog duurde korter dan vroeger, De laatste bus langer. Halve maat liep één keer vast, omdat ik na de open passage te vroeg wilde terugkeren. We spraken af dat Sofie zou aangeven wanneer ze weer begon. Ik hoefde alleen naar haar rechterhand te kijken.

Om kwart voor twaalf pakten we in. Het leek vreemd om niet nog één poging te doen terwijl er tijd was. Toen begon Sofie over schoenen. Ze had geen zin om op een podium te staan in iets waar ze pijn van kreeg. Bas zei dat hij zijn werkschoenen al eerder voor optredens had gebruikt.

‘Jij werkt achter een computer,’ zei Mo.

‘Dat maakt de schoenen niet minder hardwerkend.’

Ik vroeg wat we aantrokken en kreeg drie antwoorden die neerkwamen op kleren. Er was even een plan geweest om dezelfde kleur te kiezen. Dat stierf zonder dat iemand er verdriet van had.

Een week later stond ik voor mijn kast alsof er toch een kledingcommissie zou langskomen. Ik koos een donkerblauwe broek en een shirt dat niet opkroop als ik mijn armen bewoog. Mijn haar deed ik vast, los en opnieuw vast. Vervolgens at ik een banaan boven de gootsteen omdat ik voor een bord geen geduld had.

Om drie uur was de technische doorloop. De Wissel stond vol apparatuur die bij elkaar beter paste in herinneringen dan in de gang. Twee mannen sleepten een grote versterker langs een jongen die zijn eigen spullen in een rugzak droeg. Iemand riep om een verloopstuk. Er was koffie in een kan met een half afgebroken deksel.

Meryem stond op het podium met een rol tape om haar pols. Ze had een headset op, maar tilde één kant op toen we binnenkwamen. René probeerde naast haar een kist te verplaatsen.

‘Jij bent vandaag bezoek,’ zei ze.

‘Ik zet alleen even—’

‘Bezoek mag die kist laten staan.’

Hij liet hem zakken. Ik had hem nog nooit zo gehoorzaam gezien. Meryem wees hem een stoel aan en vroeg ons het keyboard links te zetten.

Voor ons was een band met drie jonge gasten aan de beurt. Ze noemden zich Stoepkrijt, een naam die op de handgeschreven lijst tegelijk kinderlijk en serieus stond. De gitarist had een gezicht dat nog niet helemaal wist wat het met een snor moest. Hij speelde een paar akkoorden en stopte.

‘Ik hoor mezelf niet,’ zei hij.

‘Wat wil je meer horen?’ vroeg de geluidstechnicus vanuit de zaal.

‘Mij.’

Bas boog naar me toe. ‘Dat vind ik een heldere wens.’

Ik glimlachte. De zangeres van een andere band, ouder dan wij, stond naast me haar tekst op een telefoon te lezen. Ze bewoog haar lippen geluidloos. Niemand zag eruit alsof alles vanzelf ging.

Toen wij mochten, bleek het keyboardstatief te hoog. Ik had het thuis niet uitgeklapt. Bas hielp me de vergrendeling los te maken terwijl de zaal wachtte. Het was een klein werkje dat onder toezicht buitengewoon ingewikkeld werd.

‘Rustig,’ zei hij. ‘Hij zit alleen vast.’

We kregen het lager. Ik ging zitten en zag dat er op de vloer een stuk gele tape lag waar ik ongeveer met mijn stoel moest blijven. Sofie stond rechts van mij. Mo zat achter ons, iets hoger. Bas keek diagonaal de zaal in alsof hij al iemand kende die er nog niet was.

De geluidstechnicus vroeg om een stukje zang. Ik pakte de eerste regel van Vier hoog en schrok van mijn stem die verder weg terugkwam dan ik verwachtte. Mijn rechterhand zocht vanzelf naar meer volume op het keyboard.

‘Even laten staan,’ zei de technicus.

Ik haalde mijn hand weg. Hij draaide iets. Ik hoorde mezelf opnieuw, nog steeds vreemd, maar nu dichterbij.

We speelden het refrein. Mo hield zich in; het drumstel was anders neergezet dan in de repetitieruimte. Na het einde vroeg hij of hij de bas iets beter kon horen. Sofie vroeg of haar stem harder mocht in het kastje voor haar voeten. Bas vroeg niets, tot de technicus hem rechtstreeks aankeek.

‘Ik hoor alles,’ zei hij. ‘Dat is nieuw voor me.’

Daarna kwam Halve maat. Meryem had haar pen boven het programma. We moesten nu kiezen of het erop bleef.

Bas begon. Hij speelde wat sneller dan in de ruimte beneden. Sofie ving hem op en Mo liet het ritme zakken. Ik legde mijn noot ertussen. De zaal klonk groot en leeg. Waar ik thuis elk geluid apart had gehoord, vloeiden de tonen hier in elkaar.

Bij de open passage durfde ik nauwelijks te zingen. Ik hoorde de gitarist van Stoepkrijt achter in de zaal een kist dichtdoen en nam dat als een oordeel. Toen keek Sofie naar me en haalde adem. Het was geen instructie, maar ik ademde mee. Mijn melodie kwam er zacht uit.

Ze gaf het teken voor de terugkeer. Haar rechterhand tilde even op en viel op de snaren. Ik zag het en bleef erbij. Aan het einde luisterden we allemaal naar de laatste gitaartoon.

Meryem zette een vinkje.

‘Drie dus,’ zei ze.

Ik knikte en keek naar de anderen. Ze knikten ook. Het besluit voelde klein genoeg om waar te zijn.

In de gang hielp ik Mo zijn bekkenhoes tegen de muur zetten. Hij controleerde zijn telefoon en stak hem weer weg.

‘Gaat het?’ vroeg ik.

‘Ja. Aisha is bij mijn vader vanavond. Ze gaan samen eten.’

‘Fijn.’

‘Ze vroeg of hij mee wilde. Hij zei dat hij jullie vroeger al gehoord had.’

Ik lachte. Mo ook. Daarna zei ik dat ik niet had moeten bedenken wie zijn ochtend kon overnemen.

‘Nee,’ zei hij.

‘Ik wil soms ergens bij helpen omdat ik niet weet hoe ik anders moet reageren.’

‘Je mag ook vragen hoe het met mij is.’

Ik vroeg het. Hij leunde met zijn rug tegen de muur.

‘Moe,’ zei hij. ‘Maar nu heb ik zin in vanavond. Morgen is mijn vader er ook nog.’

We stonden even naast elkaar terwijl iemand met twee dienbladen langs ons schoof. We moesten telkens aan de kant. Mo vroeg hoe laat ik morgen op moest.

‘Vijf.’

‘Dan zijn we allebei moe.’

Ik ging naar buiten om mijn jas in de auto te leggen. Op de parkeerplaats stond een vrouw een shirt recht te trekken bij een jongen die haar handen steeds wegduwde. Achter mij sloeg iemand op een trommel. Binnen zou het over een paar uur warm en vol zijn.

Mijn telefoon trilde. Daan stuurde een foto van de ingerichte grote zaal. De tafels stonden goed. In een hoek zag ik de bezemkar die hij blijkbaar ook had gevonden. Onder de foto stond: Alles loopt. Fijne avond.

Ik antwoordde dank je en stopte de telefoon in het vak van mijn tas dat dicht kon. Daarna liep ik terug naar de blauwe deur. Iemand had hem met een oude stoeptegel opengezet. Hij piepte nog steeds op dezelfde plek.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.