HOOFDSTUK 3 VAN 14
Eén twee drie vier
De eerste repetitie leverde anderhalf nummer op en een foto die Mo in de groepschat zette. Op die foto stonden we te lachen. Dat was niet gelogen, maar het was een heel precies gekozen moment.
Ik luisterde thuis naar de opname die ik met mijn telefoon had gemaakt. De stem stond te hard en de bas te zacht. Dat lag aan de plek van de telefoon. Het kon ook aan ons liggen. Ik speelde het refrein drie keer terug en hoorde telkens een andere fout.
Op maandag stuurde ik een lijstje met repetitiedata. Ik had voor de zekerheid ook een map gemaakt met oude opnames, akkoorden en teksten. Bas reageerde met een duim. Mo schreef dat hij zou kijken. Sofie vroeg of we de zaterdagmiddag konden vervangen door een ochtend.
Ik schreef: Als we echt willen spelen, moeten we wel tijd maken.
Het duurde negen minuten voordat ik besefte hoe die zin klonk.
Ik zette erachter: Ik bedoel dat we moeten weten waar we aan toe zijn.
Sofie reageerde die avond. Zaterdagochtend kon ze. Middag niet. Woensdag één keer per twee weken, mits ruim op tijd afgesproken. Ze eindigde met: Ik wil graag meedoen. Ik heb ook andere dingen die moeten.
Ik liet haar bericht openstaan terwijl ik eten maakte. Het scherm werd donker en ik tikte erop. Dat deed ik een paar keer, alsof er bij langer kijken iets vriendelijkers kon verschijnen.
De zaterdag ertussen kon niemand. Bij de tweede repetitie waren we er alle vier op tijd. Sofie had haar bas al gestemd. Bas droeg oordoppen aan een koordje om zijn nek. Mo zette de kruk achter het drumstel lager dan vroeger.
‘Rug,’ zei hij toen ik keek.
‘We worden oud.’
‘We hebben gewoon lichamen. Die hadden we vroeger ook, maar toen luisterden we niet.’
Ik zette mijn microfoon iets hoger. Hij stond nog op de stand van de zangeres die voor ons had gerepeteerd. Er lag een elastiekje op de standaard. Ik legde het op de vensterbank, een klein bewijs dat deze ruimte niet op ons had gewacht.
We begonnen Vier hoog opnieuw. Mo telde af. Ik kwam te vroeg in.
‘Nog een keer,’ zei ik.
We deden het nog een keer. Ditmaal kwam Bas te laat in het refrein.
‘Ik dacht dat je nog een regel had,’ zei hij.
‘Die heb ik eruit gehaald.’
‘Wanneer?’
‘Gisteren.’
Hij liet zijn handen van de gitaar zakken. ‘Dan moet je dat even zeggen.’
Ik had de aangepaste tekst in de map gezet. Ik had niet gemeld dat hij veranderd was. In mijn werk vond ik dat van anderen onbegrijpelijk. Bij mijn eigen liedjes noemde ik het kennelijk vanzelfsprekend.
We begonnen weer. Sofie speelde haar baslijn, rustig en precies. Mo legde een eenvoudige slag eronder. Bas hield zijn akkoord langer aan dan vroeger. Ik wilde eerst dat hij sneller wisselde, maar toen ik begon te zingen, bleek er ruimte te zijn die ik niet had verwacht.
Het refrein kwam niet uit de luidsprekers zoals op de oude opname. Het was lager, iets trager. Ik hoefde niet over de anderen heen te duwen. Op de laatste regel hoorde ik Sofie zacht meezingen.
We speelden door tot het einde.
Er was een korte stilte, waarin niemand meteen wist of hij iets mocht zeggen.
‘Ja,’ zei Mo uiteindelijk.
Bas knikte.
Ik lachte. Het kwam onverwacht en ik kon er niet meteen mee ophouden. Sofie lachte mee, eerst om mij en daarna om iets van onszelf. We hadden een nummer gespeeld. Dat was niet veel. Het was ook niet weinig.
Daarna ging het weer mis. Dat was misschien wel het geruststellendste deel.
We werkten aan De laatste bus, een nummer met een wiegende maat waarin ik vroeger altijd te veel lettergrepen probeerde te proppen. Mo tikte het ritme op zijn bovenbenen voordat hij het speelde. Sofie volgde hem. Ik luisterde naar het patroon en probeerde mijn tekst ertussen te zetten.
‘Je hoeft niet alle woorden vandaag kwijt,’ zei Bas.
‘Het zijn de woorden van het nummer.’
‘Dan kunnen er misschien een paar met een andere bus.’
Ik wilde geërgerd zijn, maar hij had gelijk. Ik schrapte twee regels. Het werd beter.
Om kwart voor twaalf begon Sofie haar kabel op te rollen.
‘Nu al?’ vroeg ik.
‘We zouden om twaalf uur stoppen. Ik moet mijn spullen nog inpakken.’
‘We kunnen dat laatste stuk nog één keer doen.’
Ze keek naar haar telefoon en daarna naar mij.
‘Ik kan nog vijf minuten.’
We deden het laatste stuk. Ik stopte na vier maten om iets aan te passen. Sofie speelde niet opnieuw mee.
‘Ik ga,’ zei ze.
‘Maar we zijn net—’
‘Juna. Ik heb gezegd tot twaalf uur.’
Het was geen ruzie. Dat maakte het moeilijker om mijn reactie als verdediging te zien. Ze stopte haar bas in de hoes en wenste ons een fijn weekend. Mo gaf haar een broodje voor onderweg. Bas hield de deur open.
Ik bleef achter mijn keyboard zitten.
‘Het is toch jammer,’ zei ik.
‘Wat?’ vroeg Mo.
‘Als we net lekker bezig zijn.’
Hij ging op de drumkruk zitten en draaide een stok tussen zijn vingers.
‘Misschien was zij ook lekker bezig tot twaalf uur.’
Bas begon zijn versterker uit te zetten. Hij zei niets. Dat vond ik eerst laf, en vervolgens volwassen, en daarna weer laf. Ik was nog niet erg stabiel in mijn oordeel over andere mensen.
Toen alles uit was, dronken we koffie in de gang. Mo moest weg om boodschappen te doen voor zijn vader. Bas vertelde over zijn andere band. Ze speelden vooral in kleine cafés, een paar keer per jaar. Ik had er foto's van gezien, maar vroeg nu pas wat voor muziek ze maakten.
‘Van alles,’ zei hij. ‘Niet zo veel eigen nummers.’
‘Vind je dat niet jammer?’
Hij dacht even na. ‘Soms. Maar ik vind spelen ook gewoon leuk.’
Ik hoorde het woord gewoon en voelde dezelfde weerstand als bij Renés uitnodiging. Alsof iets pas telde wanneer het ergens naartoe moest.
Op weg naar huis luisterde ik niet naar de opname. Ik zette de radio uit en luisterde naar de geluiden van de auto. Bij een verkeerslicht zag ik Sofie aan de overkant fietsen, met Lou in het kinderzitje. Ze zong iets naar achteren. Lou schudde zijn hoofd, waarschijnlijk omdat ze het verkeerde lied had gekozen.
Ik stak mijn hand op, maar ze keek niet mijn kant op. Het licht werd groen.