HOOFDSTUK 5 VAN 14
De werkplaats
De bus stond achter de sporthal, naast een container voor oud glas. Daan had de achterdeuren opengezet en een doek tussen twee klemmen gespannen om de wind buiten te houden. Binnen brandde een werklamp. Simon zag rijen bakjes met kabels, moeren en binnenbanden, allemaal in een ander formaat maar voorzien van dezelfde witte etiketten. Hij herkende het handschrift van zijn zoon aan de open bovenkant van de a.
‘Dat ziet er goed uit,’ zei hij.
Daan keek over zijn schouder. ‘Je bent vroeg.’
‘Ik kon weg van mijn werk.’
Dat was niet helemaal waar. Hij had gemeld dat er een probleem met de woning was en dat hij de rest van de dag verlof nodig had. Zijn leidinggevende had gezegd dat hij het maar moest regelen. Op het werk was Simon degene die zelden onverwacht vrij nam. Zijn verzoek werd daardoor als bewijs gezien dat er echt iets aan de hand was.
‘Koffie?’ vroeg Daan.
Op de werkbank stond een thermoskan. Daarnaast lagen twee bananen en een doos met schroeven. Simon nam een beker aan. De koffie was lauw en zo sterk dat hij het zuur ervan langs zijn kiezen voelde trekken.
Daan draaide een achterwiel uit het frame van een bakfiets. Hij deed het langzaam, met aandacht voor een kabel die niet gekneld mocht raken. Simon had hem als kind vaak gevraagd waarom hij niet gewoon begon wanneer iets gedaan moest worden. Nu zag hij dat zijn zoon eerst keek, zijn gereedschap klaarlegde en pas dan een beweging maakte. Het leek op aarzelen als je niet wist wat er kon misgaan.
‘Ik heb nog twee fietsen voor ik weg kan,’ zei Daan. ‘Dus als je over die betaling wilt praten…’
‘Het geld kwam niet van mijn eigen rekening.’
De ratel stopte.
‘Van welke dan?’
Simon zette zijn beker op de werkbank. Het plastic liet een bruine kring achter op een montagehandleiding.
‘Van de vereniging.’
Daan draaide zich helemaal naar hem toe. Hij hield de ratel nog in zijn hand, maar liet zijn arm zakken.
‘Welke vereniging?’
‘Van het huis.’
Het duurde even. Op Daans gezicht maakte het onbegrip plaats voor iets wat veel erger was.
‘Dat geld voor het dak?’
‘Er stond genoeg.’
‘Dat vroeg ik toch niet?’
Simon keek naar de container. Er stonden lege wijnflessen naast omdat de opening vol zat. Een groene fles was omgevallen en lag met de hals op de stoeprand.
‘Ik zou het terugzetten zodra de woning verkocht was. Het was tijdelijk.’
‘Hebben die mensen dat goedgevonden?’
‘Ik heb het niet met iedereen besproken.’
‘Met wie wel?’
Hij antwoordde niet.
Daan legde de ratel neer en ging op de rand van de bus zitten. Zijn werkschoenen hingen een paar centimeter boven de grond. Aan de binnenkant van één zool zat een streep opgedroogde lijm.
‘Ik heb je gevraagd of je het kon missen.’
‘Ik kan het ook missen. Er zit genoeg in de woning.’
‘Je zei: er staat iets apart.’
‘Ja.’
‘Je liet me een papier tekenen.’
‘Er moeten afspraken zijn.’
Daan lachte eenmaal, zonder lucht. Hij keek langs Simon heen naar de parkeerplaats. Een vrouw met een peuter aan haar hand liep naar de sporthal. De peuter wilde iedere witte streep van het zebrapad afzonderlijk aanraken met zijn voet. De vrouw wachtte een paar tellen en trok hem toen verder.
‘Ik ben zo klaar met dat woord,’ zei Daan.
‘Welk woord?’
‘Afspraken. Zodra jij iets wilt, heet het een afspraak. Als ik iets niet kan, heb ik me er niet aan gehouden.’
Simon voelde zich onrechtvaardig behandeld. Hij had geholpen. Hij had het misschien op een verkeerde manier gedaan, maar hij was niet degene geweest die met een huurachterstand zat of een bus moest kopen voordat er voldoende opdrachten waren.
‘Je hebt er wel gebruik van gemaakt.’
‘Omdat ik dacht dat het van jou was.’
‘Daarom kom ik het nu vertellen.’
‘Waarom nu?’
Simon wreef zijn handen warm. Het was kouder op het terrein dan in de stad. Achter de sporthal strekte een grasveld zich uit tot aan een rij kale wilgen. Op een van de stammen zat een voetbal die er met een scheur omheen was blijven hangen.
‘Er is een lek. En de administratie wil de betalingen zien.’
‘Dus daarom.’
‘Ik wil niet dat jij er via iemand anders over hoort.’
Daan knikte langzaam, maar het was geen instemming. ‘Hoeveel heb je nodig?’
‘Het liefst zo veel mogelijk.’
‘Ik heb twaalfhonderd op mijn rekening. Daar moeten onderdelen van worden betaald. En mijn eigen huur. Ik kan niet ineens negentienduizend maken omdat jij iets hebt gedaan.’
‘Dat weet ik.’
‘Volgens mij weet je dat niet. Volgens mij denk je dat er altijd ergens een bedrag ligt als iemand zijn spullen maar goed op orde heeft.’
Simon keek de bus in. De bakjes, de etiketten, de kleine bankschroef die Daan aan een verstevigde plank had vastgezet. Het was geen rommelige onderneming. Het was een werkplek waarover een man lang had nagedacht en waaraan hij kortgeleden nog met hoop had gewerkt.
‘Je kunt de bus verkopen,’ zei hij.
Daan sprong van de rand af. ‘En waarmee ga ik dan het geld verdienen dat ik je moet terugbetalen?’
‘Ik zeg niet dat het moet.’
‘Je zegt het wel. Je staat hier, je kijkt naar mijn bus, en je zegt het.’
Er kwam een man uit de sporthal met een fiets aan zijn hand. De voorband was leeg. Hij stak zijn hand op naar Daan en liep naar hen toe.
‘Kan deze nog even tussendoor?’
Daan veegde zijn handen aan een doek. Zijn stem veranderde. ‘Ik kijk zo. Waarschijnlijk wel, maar ik moet eerst even de bakfiets afmaken.’
‘Ik ben nog een uur binnen.’
‘Zet hem daar maar neer. Heb je je naam op het kaartje?’
De man schreef zijn gegevens op een kartonnen label. Hij vroeg of hij met zijn telefoon kon betalen. Daan zei dat het straks kon. Hij glimlachte zelfs, een korte glimlach die Simon herkende van schoolfoto's waarop zijn zoon liever niet was gegaan maar toch zijn best had gedaan.
Toen de man weg was, pakte Daan de ratel weer op.
‘Je moet nu even weg,’ zei hij.
‘We zijn nog niet klaar.’
‘Ik moet werken.’
Simon wilde op de rand van de bus gaan zitten, wachten tot het rustiger was. Maar Daan stond zo dat hij de doorgang blokkeerde. Hij deed het niet dreigend. Hij bleef gewoon op de plaats staan waar hij voor zijn werk moest zijn.
‘Kun je vanavond bellen?’
‘Ik weet het niet.’
Simon liep naar zijn auto. Halverwege draaide hij zich om.
‘Ze zullen misschien vragen of je een rekening hebt gestuurd.’
Daan keek op.
‘Dat heb je niet,’ zei Simon snel. ‘Ik zeg alleen dat ze het kunnen vragen.’
‘Wat heb je gezegd dat ik deed?’
Simon bleef staan.
‘Pap.’
‘Werk voor het huis.’
Zijn zoon legde de ratel opnieuw neer. Deze keer heel voorzichtig.
‘Ik heb één keer die kapotte deurdranger vastgezet. Daar heb ik geen geld voor gevraagd.’
‘Dat weet ik.’
‘Dat weet jij. Weten zij dat ook?’
‘Ik zal het uitleggen.’
‘Je gaat zeggen dat ik niet wist waar het geld vandaan kwam.’
‘Ja.’
‘Tegen iedereen. Niet alleen als iemand erom vraagt.’
Simon knikte.
Hij reed niet meteen weg. Door de voorruit zag hij Daan de lege fietsband onderzoeken. Zijn zoon hield de opgepompte binnenband in een bak met water. Even later wees hij naar een plek waar kleine bellen omhoogkwamen. De handeling was eenvoudig, zichtbaar, overtuigend. Je vond het gat en wist wat je moest repareren.
Simon startte de motor toen Daan opkeek.
Thuis wachtte een bericht van Els. Daan had haar gebeld. Ze schreef alleen: Bel me niet om uit te leggen dat je het goed bedoelde. Ik heb straks tijd om te luisteren naar wat je gaat doen.
Hij las het bericht driemaal. Daarna zette hij zijn telefoon op tafel en haalde een leeg vel papier uit de printer.