← Het reservefonds
Inhoudsopgave · hoofdstuk 10 van 14
  1. 1. De emmer
  2. 2. Een bedrag apart
  3. 3. Vijf stoelen
  4. 4. Twee versies
  5. 5. De werkplaats
  6. 6. Wat er onder verf zit
  7. 7. De naam op de overschrijving
  8. 8. Een voorstel
  9. 9. De ontbrekende regel
  10. 10. Oude bewoners
  11. 11. De prijs van vertrekken
  12. 12. Handtekeningen
  13. 13. Het bedrag dat terugkwam
  14. 14. Onder het nieuwe dak

HOOFDSTUK 10 VAN 14

Oude bewoners

Op zaterdagochtend stond Henk bij Simon voor de deur met een pan soep. Hij hield de pan met twee theedoeken vast. Er zat geen deksel op, maar een bord dat bij iedere beweging een stukje verschoof.

‘Je moet iets eten,’ zei hij.

‘Dat doe ik.’

‘Dan kun je dit erbij eten.’

Simon liet hem binnen. Henk zette de pan op het aanrecht, nam het bord eraf en keek of er onderweg iets over de rand was gekomen. Het was erwtensoep, dik genoeg om een lepel rechtop in te laten staan. Simon had er op dat moment geen trek in. Hij rook het spek en dacht aan middagen waarop zijn moeder de ramen van de keuken had opengezet omdat alles besloeg.

Henk liep naar de woonkamer. ‘Netjes opgeruimd.’

‘Voor de foto's.’

‘Ik heb ze bekeken. Je ziet er niets van ons huis op.’

‘Het is mijn appartement.’

‘Dat bedoel ik. Het lijkt alsof het ergens anders is.’

Henk ging op de bank zitten, op de plek waar Els vroeger had gezeten. Hij strekte zijn rechterbeen en wreef over zijn knie. Simon haalde twee koppen koffie. Hij wist dat de soep een reden was om te komen, niet de reden.

‘Ik had ook iets moeten zeggen,’ begon Henk.

Simon zette de koffie neer. ‘Wanneer?’

‘Toen je het vertelde.’

Dat was op een avond in december geweest. Henk had bij Simon aangebeld omdat zijn printer niet meer werkte. Simon was mee naar boven gegaan en had de draadloze verbinding opnieuw ingesteld. Op het scherm had een halfgeschreven brief aan Henks dochter gestaan, maar Simon had gedaan alsof hij die niet zag.

Daarna hadden ze een glas jenever gedronken, iets wat ze zelden deden. Henk had gevraagd hoe het met Daan ging. Simon had over de bus verteld en gezegd dat hij tijdelijk geld had voorgeschoten dat voor het huis gereserveerd was. Hij had het in een bijzin gezegd, met de zekerheid dat Henk zou begrijpen dat sommige dingen makkelijker waren wanneer je ze niet meteen met iedereen besprak.

Henk had zijn glas neergezet en gevraagd of het snel terugkwam. Simon had ja gezegd. Toen had Henk geantwoord dat er geen reden was om iedereen ongerust te maken als het voor de grote werkzaamheden weer beschikbaar was.

Nu keek Henk naar zijn koffie. ‘Ik dacht dat jij wist wat je deed.’

‘Dat dacht ik ook.’

‘Nee. Jij wist wat er niet klopte. Ik wist alleen dat het niet gewoon was.’

Simon wilde zeggen dat Henk precies genoeg had geweten. Hij had zich sinds het begin van de week aan diens stilzwijgen geërgerd, maar ook gehoopt dat hij zou blijven zwijgen. Een getuige die zijn beslissing destijds niet had afgekeurd, leek soms een verzachtende omstandigheid en soms iemand die alles erger kon maken.

‘Je zei dat ik het nog niet hoefde te vertellen.’

‘Ja.’

‘Dus ik was niet de enige.’

Henk keek op. ‘Wil je dat ik mijn soep weer meeneem?’

Simon schudde zijn hoofd.

‘Ik kom niet om jou vrij te praten. Ik kom omdat ik de rest van de week mijn mond heb gehouden terwijl ik hoorde hoe iedereen deed alsof jij alleen in een kamer had gezeten.’

Hij pakte de kop met beide handen vast. Zijn vingers trilden licht. Dat had Simon eerder gezien, vooral wanneer Henk moe was. Het maakte hem niet minder precies in wat hij zei.

‘Ik heb tegen Eline gezegd dat ik het wist. Vanmorgen.’

Simon keek naar hem.

‘Ik heb niet gezegd dat ik namens de vereniging iets had toegestaan. Want dat kon ik niet. Maar ik heb het ook niet tegengehouden.’

‘Wat zei ze?’

‘Dat ze er moe van werd om steeds nog iets te horen.’

Henk glimlachte kort, zonder genoegen. ‘Dat snap ik wel.’

Ze dronken koffie. Buiten werd een auto met draaiende motor stilgezet. Iemand belde aan bij Farah en liep daarna hard terug naar de auto. Simon hoorde het kraken van de brievenbusklep. Het huis bleef gewone geluiden maken, ongeacht hoeveel er binnen veranderde.

‘Waarom heb je toen niets gezegd?’ vroeg Simon.

Henk keek naar de boekenkast. Hij leek een titel te zoeken.

‘Omdat ik blij was dat iemand anders het regelde.’

Hij vertelde over de jaren waarin het pension nog kamers verhuurde. Zijn vrouw Alie had de was gedaan en de ontbijttafels gedekt. Hij had kamers opgeknapt, lampen vervangen en mensen naar het station gereden als ze te veel bagage hadden. Toen het gebouw in appartementen werd verdeeld, had hij gedacht dat het werk minder zou worden. Dat was ook zo geweest, maar daarmee was hij een deel van zijn plaats kwijtgeraakt. Nieuwe mensen betaalden voor iets wat hij vroeger uit zichzelf deed. Er waren ineens vergaderingen voor nodig om te beslissen welke deur geverfd moest worden.

‘Jij nam de administratie over,’ zei hij. ‘Daar was ik blij mee. Ik had geen zin om nog een keer op school te gaan voor mijn eigen huis.’

‘Het is niet zo ingewikkeld.’

Henk keek naar hem. Simon voelde de vergissing zodra hij de woorden hoorde.

‘Blijkbaar wel,’ zei Henk.

Hij stond op en liep naar het raam. Aan de overkant was de fietsenmaker bezig met een rek dat in de wind stond te wiebelen. Het rek stond er al jaren. Iedere nieuwe eigenaar van de winkel zette het iets anders neer, en iedere storm verschoof het weer.

‘Na Alie wilde ik nergens meer achteraan,’ zei Henk. ‘Ik dacht: laat het maar even. Er is al genoeg veranderd. Als jij zei dat iets kon wachten, vond ik dat prettig. En toen jij iets nodig had, zei ik hetzelfde terug.’

Simon ging naast hem staan. Hij had Henk willen verwijten dat die zich achter ouderdom verschool. Hij zag nu een man die vooral niet opnieuw wilde leren hoe hij zijn eigen leven moest organiseren. Dat was geen vrijbrief. Het maakte het wel moeilijker om boos te blijven op de makkelijke manier.

‘Farah vindt dat we allemaal zelf moeten lezen wat we krijgen,’ zei Henk.

‘Daar heeft ze gelijk in.’

‘Dat weet ik. Ik vind het alleen irritant dat ze gelijk heeft terwijl ze hier zo kort woont.’

Simon lachte. Henk ook, heel even. Daarna keek Henk naar hem en werd weer ernstig.

‘Ze heeft voor haar woning betaald. Net zoveel recht om er droog te zitten als jij en ik. Ik vergeet dat soms. Alsof de eerste jaren hier zwaarder tellen.’

Hij liep terug naar de bank en trok zijn jas van de leuning. Hij wilde niet blijven eten. De pan kon Simon later terugbrengen.

‘Ga je weg?’ vroeg hij bij de deur.

‘Dat was al het plan.’

‘Ik bedoel: echt.’

‘Ja.’

Henk knikte. Hij hield zijn hand op de deurpost, waar de verf glad was geworden van twintig jaar aanraken.

‘Dan moet ik maar leren wie ik bel als mijn printer het niet doet.’

‘Je mag mij nog steeds bellen.’

‘Dat zullen we zien.’

Hij liep langzaam de trap op. Simon hoorde hem boven de deur openen en iets tegen zichzelf zeggen. Daarna was het stil.

In de keuken schepte Simon een kom soep uit de pan. Hij zette de rest in de koelkast. Terwijl de magnetron draaide, schreef hij een korte aanvulling op zijn verklaring: Henk had in december van de lening gehoord. Hij had daaruit geen toestemming mogen afleiden. Die laatste zin schreef hij zonder te wachten of iemand erom zou vragen.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.