HOOFDSTUK 11 VAN 14
De prijs van vertrekken
Anouk kwam met de eerste belangstellenden op maandagmiddag. Ze had vooraf de gecorrigeerde gegevens gestuurd, met een zakelijke uitleg van de situatie. De persoonlijke gegevens van Daan waren niet meegestuurd. De lening, het ontbrekende bedrag en de voorgenomen terugbetaling wel. Simon had gevraagd of mensen dan nog zouden komen. Anouk had gezegd dat ze zelf konden beslissen.
Het stel was ongeveer veertig. De vrouw heette Judith en werkte op een school, de man heette Peter en zei niet waar hij werkte. Ze wilden kleiner wonen omdat hun zoon voor zijn studie de deur uit was. Simon betrapte zich erop dat hij dat als te vroeg beschouwde. Er was kennelijk een juiste leeftijd om kleiner te gaan wonen, en tot voor kort had die ongeveer bij zijn eigen leeftijd gelegen.
Hij zou tijdens de bezichtiging buiten zijn. Toch was hij nog bezig zijn schoenen aan te trekken toen ze binnenkwamen. Judith complimenteerde hem met de vloer. Hij legde uit dat die er al lag toen hij het appartement kocht en dat ze hem twee keer hadden laten schuren. Hij zei we, hoewel Els al jaren weg was.
Peter vroeg of er veel geluid van boven kwam.
‘Henk is rustig,’ zei Simon. ‘Je hoort af en toe een stoel.’
‘En de achterburen?’
‘Bram werkt in ploegendienst.’
Anouk nam het gesprek over en leidde hen naar de woonkamer. Simon trok zijn jas aan. Op de overloop kwam Farah naar boven met een tas boodschappen. Haar keuken had geen voorraadkast en ze bewaarde zware dingen tijdelijk in het kleine gemeenschappelijke vak bij de trap. Dat was afgesproken voordat hij het geld had overgemaakt. Hij had het toen een rommelige oplossing gevonden.
‘Bezichtiging?’ vroeg ze.
‘Ja.’
Ze keek naar de open deur. ‘Weten ze het?’
‘Ze hebben alles gekregen.’
‘Goed.’
Ze liep verder naar beneden. Ze had geen behoefte om binnen te stappen of haar verhaal nog eens te doen. Simon merkte dat hij op een confrontatie had gerekend en zich daartegen had voorbereid. Zonder die confrontatie bleef alleen haar vraag over, die volkomen redelijk was.
Hij liep een rondje door de stad. In de winkelstraat waren twee panden leeg. Voor een etalage met afgeprijsde lampen bleef hij staan. Er stond een kleine tafellamp die hij mooi vond, met een groene glazen kap. Hij dacht aan de woning die hij nog niet had. Daarna keek hij op zijn telefoon naar Rolfs bericht. Het bod stond nog. Er stond bij dat Rolf het zakelijk bedoelde en hoopte dat Simon dat ook zo zag.
Toen hij terugkwam, stonden Judith en Peter in de gang met Anouk. Peter hield een mapje vast. Judith keek nog eenmaal naar de trap, naar de plek waar een strook van de muur was opengehaald voor onderzoek.
‘We gaan erover nadenken,’ zei ze.
Ze gaf Simon een hand. Haar hand was warm. Hij voelde de neiging om haar te zeggen dat het huis veel beter was dan de laatste week deed vermoeden. In de zomer stond de zon tot laat in de woonkamer. Je kon de winkels lopend bereiken. Henk wist hoe alle oude leidingen liepen. Maar Anouk keek naar hem en hij zei alleen dat ze gerust vragen konden stellen.
Een uur later belde ze. Ze zagen ervan af. Het appartement was mooi, maar ze wilden een rustiger begin op een nieuwe plek.
‘Dat begrijp ik,’ zei Simon.
‘Ik ook,’ zei Anouk.
Hij vroeg of hij de vraagprijs moest verlagen.
‘Eerst de volgende afspraak afwachten.’
‘Hoeveel afspraken hebben we nog?’
‘Eén.’
Hij hing op en ging aan de lege tafel zitten. De verkoopfolder lag voor hem. Hij zag de kamers zoals de fotograaf ze had vastgelegd: geen post, geen natte handdoek, geen schoen tegen een plint. Het licht was hetzelfde geweest als altijd, maar alles had een functie gekregen. De stoel naast het raam betekende rust. De plant betekende zorg. De lege tafel betekende ruimte.
Hij schreef aan Rolf dat hij het bod niet aannam. Daarna wilde hij een uitleg toevoegen, zodat Rolf zou begrijpen dat hij diens aanbod waardeerde. Hij verwijderde die uitleg weer. Rolf antwoordde na tien minuten: Laat weten als er iets verandert.
De volgende kijker kwam op woensdag. Ze heette Merel, werkte als vertaler en had twee kamers nodig omdat ze ook thuis wilde kunnen werken. Anouk had Simon gevraagd echt vóór de afspraak weg te zijn. Hij zat een uur in de bibliotheek en las drie keer dezelfde bladzijde uit een tijdschrift over tuinieren.
Toen hij thuiskwam, was Merel nog in gesprek met Eline. Ze stonden in de gemeenschappelijke hal. Merel vroeg naar de organisatie van de vereniging. Wie nam straks de administratie op zich, wie bevestigde betalingen en hoe werden besluiten teruggevonden? Eline antwoordde dat ze dat opnieuw aan het inrichten waren en dat het nog niet af was.
‘Dat is eerlijk,’ zei Merel. ‘Ik wil geen bestuur waar alles aan één persoon hangt.’
Simon liep de trap op zonder zich voor te stellen. Hij hoorde zijn eigen voetstappen harder dan anders.
Later belde Anouk. Merel wilde de stukken van het herstelplan zien zodra die klaar waren. Ze had belangstelling, maar geen haast. Haar huur liep tot het voorjaar. Ze wilde geen bod doen op basis van de veronderstelling dat iedereen het later wel zou regelen.
Simon vroeg of hij haar zelf moest bellen om iets toe te lichten.
‘Als ze vragen aan jou heeft, laat ik het weten,’ zei Anouk.
Die avond at hij bij Els. Ze had het voorgesteld nadat Daan had gezegd dat hij een paar dagen geen gesprekken over geld wilde. Simon had aanvankelijk geweigerd. Hij vond het onjuist om haar nog meer met zijn problemen te belasten. Els had geantwoord dat hij vooral niet namens haar moest bepalen wat zij kon verdragen.
Haar appartement was kleiner dan hij zich herinnerde. Misschien doordat er nu meer spullen stonden: een stapel boeken, een mand met breiwerk, een fotolijst met een vriendin die hij niet kende. Op het balkon stonden de lege tomatenpotten in een hoek.
‘Je hebt diezelfde pannen nog,’ zei hij.
‘Ze doen het nog.’
Ze aten rijst met groenten en kip. Simon vertelde over de bezichtigingen. Els luisterde zonder oplossingen aan te dragen.
‘Ik dacht altijd dat ik degene was die zekerheid bracht,’ zei hij na een tijdje.
‘Dat dacht jij inderdaad.’
Hij legde zijn vork neer.
‘Soms deed je dat ook,’ zei ze. ‘Als er een rekening kwam, wist jij waar die lag. Als de auto kapotging, had jij al gebeld. Dat was fijn. Maar je vond het moeilijk om te zeggen dat je iets niet wist. Dan kregen we een antwoord waar we omheen moesten leven.’
‘Daan zegt ongeveer hetzelfde.’
‘Dat zal niet uit de lucht komen vallen.’
Hij keek naar haar. Ze klonk niet boos. Dat maakte het niet makkelijker.
‘Heb je daarom…’ begon hij.
‘Nee, Simon. We gaan onze scheiding niet terugbrengen tot je boekhouding.’
Ze schonk water bij. ‘Maar je kunt wel ophouden met denken dat hulp alleen hulp is als jij bepaalt hoe die eruitziet.’
Na het eten stond hij op om af te wassen. Els zei dat de vaatwasser het deed. Hij bleef even met twee borden in zijn handen staan en zette ze daarna in het apparaat, op de plaatsen die ze aanwees.
Toen hij vertrok, gaf ze hem een bakje met eten mee. Hij wilde zeggen dat ze dat niet hoefde te doen. Hij nam het aan en bedankte haar.