← Het reservefonds
Inhoudsopgave · hoofdstuk 2 van 14
  1. 1. De emmer
  2. 2. Een bedrag apart
  3. 3. Vijf stoelen
  4. 4. Twee versies
  5. 5. De werkplaats
  6. 6. Wat er onder verf zit
  7. 7. De naam op de overschrijving
  8. 8. Een voorstel
  9. 9. De ontbrekende regel
  10. 10. Oude bewoners
  11. 11. De prijs van vertrekken
  12. 12. Handtekeningen
  13. 13. Het bedrag dat terugkwam
  14. 14. Onder het nieuwe dak

HOOFDSTUK 2 VAN 14

Een bedrag apart

Op de bankrekening stond zeventienduizend tweehonderdzestig euro toen het jaar eindigde. Simon had het getal vaker gecontroleerd dan de temperatuur van een ziek kind. Hij wist welke betalingen erachter zaten, welke contributies op tijd waren gekomen en dat de verzekeraar een paar euro meer had afgeschreven dan in het voorgaande kwartaal. Toch logde hij opnieuw in, nu aan de keukentafel van Farah, terwijl naast hem de grotere emmer langzaam voller werd.

Er was geen verborgen rekening. Er was geen deposito dat pas in maart vrijkwam. Het geld had steeds op één rekening gestaan, met de naam van de vereniging bovenaan en daaronder de mogelijkheid om een betaling klaar te zetten. Simon kon dat alleen. Eline had jaren geleden voorgesteld dat zij betalingen boven een bepaald bedrag samen zouden bekijken. Ze waren het eens geweest. Het voorstel was blijven staan in een mapje met het woord afspraken, tussen een regeling voor het schoonmaken van de hal en een lijst met de maten van de gezamenlijke kozijnen.

Toen Eline haar telefoon had vervangen, was de toegang tot het internetbankieren op haar nieuwe toestel niet meer ingesteld. Simon zou haar ermee helpen. Er was telkens iets tussengekomen: haar moeder in het ziekenhuis, zijn inventarisatie op het werk, een voorstelling waarvoor ze tot 's avonds laat telefonisch bereikbaar moest blijven. Uiteindelijk stuurde hij haar iedere maand een overzicht. Zij antwoordde dan met een duimpje of met dank. In november had ze een foto van een rood wijnglas gestuurd, per ongeluk bestemd voor iemand anders. Hij had teruggeschreven dat hij het als een compliment beschouwde.

Hij sloot de bankapp en belde Daan.

‘Ik lig onder een bakfiets,’ zei zijn zoon.

‘Kun je praten?’

‘Als het wiel er niet afvalt.’

Simon hoorde een metalen ratel. Daarna werd het stil.

‘Hoe gaat het met die betaling?’ vroeg hij.

‘Welke?’

Dat was een onredelijke vraag. Daan wist welke betaling hij bedoelde. Maar Simon wist ook dat zijn zoon aan het einde van bijna elke werkdag drie of vier mensen moest herinneren aan geld dat ze nog verschuldigd waren.

‘De koerierdienst.’

‘Ik heb vrijdag weer gebeld. Hun financiële man is ziek.’

‘Eén financiële man?’

‘Blijkbaar.’

‘En er kan niemand anders een overschrijving doen?’

‘Dat zal ik aan het wiel vragen.’

Simon keek naar de deur. Hij had Farahs sleutel naast zijn telefoon gelegd en merkte dat hij er steeds naar reikte, alsof het een bezit was waarvan hij de rechtmatigheid moest blijven voelen.

‘Het zou voor de vijftiende geregeld zijn.’

‘Dat had ik gehoopt.’

‘Je zei het.’

‘Ik zei dat ik verwachtte dat ik dan iets kon terugbetalen. Niet alles.’

Simon wilde zeggen dat hij bij het woord iets aan een aanzienlijk deel had gedacht. Hij wilde zelfs zeggen dat hij op zijn zoon had gerekend. Maar dan hoorde hij hoe het klonk, en liet hij een stilte vallen waarin Daan verder kon werken.

Het geld was op negen december van de rekening van de vereniging naar die van Daans werkplaats gegaan. Negentienduizend tweehonderd euro. Daan had het bedrag op een blocnote voor hem uitgerekend: veertienduizend vierhonderd voor een tweedehands bestelbus, vierduizend achthonderd om de achterstand bij de verhuurder van zijn oude werkruimte weg te werken. De bus kon worden ingericht als mobiele fietsenwerkplaats. Er was al een vaste opdracht, zei Daan, en er waren twee scholen die belangstelling hadden voor onderhoud aan de fietsen van hun medewerkers. Hij zou niet opnieuw een bedrijfsruimte huren die hij nog niet kon betalen.

Simon was meegegaan om de bus te bekijken. Hij had met een zaklamp onder het chassis gelegen en Daan had hem uitgelachen. Wat wist hij nou van bussen? Simon had geantwoord dat roest zich niet verstopte omdat iemand geen monteur was. De verkoper had koffie gebracht in plastic bekertjes. In de cabine rook het naar sinaasappelschillen en een luchtverfrisser die al jaren niets meer verfriste.

‘Je kunt ook wachten,’ had Simon gezegd.

‘Dan ben ik mijn opdracht kwijt.’

‘Een opdracht waarvoor je eerst zelf alles moet aanschaffen.’

‘Ja, pap. Dat is wel een beetje hoe werk gaat.’

Later hadden ze bij de broodjeszaak naast het bedrijventerrein gezeten. Daan at niet. Hij had zijn handen tussen zijn knieën geklemd, de vingers ineengevlochten, en keek steeds door het raam naar de bus.

‘Ik weet dat ik het verkeerd heb aangepakt met die werkruimte,’ zei hij. ‘Dat hoef je niet nog een keer uit te leggen.’

Simon had niets uitgelegd. Hij had alleen een servetje gladgestreken. Toch wist hij wat Daan bedoelde. Zijn adviezen kwamen meestal nadat iets mis was gegaan en bevatten dan een overzicht van de plaatsen waar eerder een andere keuze gemaakt had kunnen worden.

‘Ik heb iets apart staan,’ had hij gezegd.

De woorden waren ruim genoeg geweest om niet meteen een leugen te voelen. Er stond iets apart. Het was niet van hem, maar apart stond het zeker. Geld voor werk dat pas later zou gebeuren. Zijn eigen woning ging in januari in de verkoop. Er zat genoeg waarde in om de lening binnen enkele maanden terug te draaien. En misschien zou Daan voor die tijd al veel kunnen terugbetalen. Het was een beweging tussen twee momenten, had Simon gedacht, een brug waar verder niemand overheen hoefde.

Hij had Daan een eenvoudige leningsovereenkomst laten tekenen. Geen rente, een eerste terugbetaling voor half januari, het restant in overleg. Hij had zelfs gezegd dat afspraken hun verhouding zuiver hielden. Daan had getekend met een pen van de broodjeszaak. Op de pen stond het telefoonnummer voor bestellingen vanaf tien broodjes.

‘Ik kom vanavond langs,’ zei Simon nu.

‘Ik heb al eten bij Amir.’

‘Ik wil even overleggen.’

‘Dan kun je morgen naar de bus komen. Ik sta achter de sporthal.’

Er klonk een klap, gevolgd door een vloek. Daan zei dat hij moest ophangen.

Simon bleef met de telefoon in zijn hand zitten. Hij had zijn zoon verteld dat de verkoop van zijn appartement vooral met onderhoud te maken had. Trappen, schoonmaken, de tuin die hij niet gebruikte maar waarvan hij wel een deel betaalde. Hij had niet verteld dat hij het huis soms onverdraaglijk stil vond. Dat maakte de verkoop in zijn eigen ogen ook minder zakelijk. Een man die kleiner ging wonen omdat hij goed rekende, stond steviger dan een man die niet langer alleen aan dezelfde tafel wilde zitten.

Anouk, de makelaar, belde terwijl hij de emmer controleerde.

‘De foto's staan online. Je hebt ze gezien?’

‘Nog niet.’

‘Mooi licht. Het lijkt groter dan toen ik er was.’

‘Dat moet je niet te hard zeggen.’

Ze lachte. ‘Ik heb al twee aanvragen voor donderdag. En ik wil graag de laatste stukken van de vereniging. Het overzicht dat je stuurde is voldoende voor de brochure, maar voor serieuze kopers heb ik de onderliggende gegevens nodig.’

‘Die komen.’

‘Is er nieuws over het dak?’

Hij liep naar het raam en keek naar de stoeprand. Er lag een natte kassabon tegen de band van een geparkeerde auto.

‘We zijn bezig met de planning.’

‘Goed. Zet er dan bij dat er een aanbetaling is gedaan, als dat zo is. Kopers willen weten wat er nog uit de reserve moet komen.’

‘Dat begrijp ik.’

‘Ik vraag het niet voor niets, Simon.’

Ze zei het vriendelijk, maar zonder haar gebruikelijke lach. Hij kende haar niet lang genoeg om te weten of het een algemene waarschuwing was of dat ze iets had gehoord.

‘Er is vanmorgen een lekkage beneden,’ zei hij.

‘Bij jou?’

‘Nee. Bij een van de andere eigenaren.’

‘Dan moet dat erbij.’

‘Het wordt vanmiddag bekeken.’

‘Stuur me daarna wat er vastgesteld is.’

Nadat ze had opgehangen, bleef hij bij het raam staan. Het was mogelijk om nog vandaag naar de bank te gaan. Een persoonlijke lening. Een tijdelijk krediet op de woning. Hij kende de termen, al had hij ze nooit nodig gehad. Hij had altijd geld opzijgezet, de kleine bedragen eerst, later grotere. Een koelkast kocht je wanneer je ervoor had gespaard, behalve als hij plotseling kapotging, en dan hoorde je er dus al voor gespaard te hebben. Dat had hij Daan vaak genoeg verteld.

Hij opende de lade van Farahs keukentafel om een pen te zoeken en trok zijn hand meteen terug. In de lade lagen kaarten, elastiekjes, een schaar, een medisch afsprakenbriefje. Hij had daar niets te zoeken.

Zijn eigen pen lag boven, naast het overzicht met het verkeerde bedrag. Hij pakte de emmer en droeg hem voorzichtig naar de keuken om hem te legen. Het water was geelbruin. Onderin dreef een vlok plafondverf die langzaam rond zijn vingers draaide.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.