HOOFDSTUK 9 VAN 14
Het gewicht
De dag voor de verhuizing vond Ada een zak met handleidingen. Ze waren zorgvuldig bij elkaar bewaard in een keukenla. De helft van de apparaten bestond niet meer. Ze hield een boekje vast van een koffiezetapparaat dat ze hadden gehad toen Bram nog thuis woonde.
Willem zat op zijn knieën bij de eettafel en draaide een bout los.
'Wat moet ik hiermee?' vroeg ze.
'Wat is het?'
'Bewijs dat wij dingen hebben gekocht.'
Hij keek op. 'Een indrukwekkende verzameling.'
Ze gooide de handleiding weg. Daarna nog één. Bij de gebruiksaanwijzing van de wasmachine stopte ze.
'Die gaat mee.'
'Dan heeft de verzameling toch nut gehad.'
Hij legde de bouten in een plastic bakje en schreef er TAFEL op. Ada zag het woord, in grote onregelmatige letters. Ze zou hem later ergens anders weer in elkaar moeten zetten, die tafel waaraan zo veel avonden hadden plaatsgevonden. Het hout zelf zou daar weinig moeite mee hebben.
Ze pakten samen de laatste keukenkast in. Willem vroeg bij ieder voorwerp of het mee moest. Na tien minuten zei Ada dat hij ook zelf dingen mocht besluiten.
'Dat lijkt me geen goed begin.'
'Het is een aardappelschilmesje.'
'Je hebt er vier.'
'Dan mag je er twee kiezen.'
Hij legde er twee neer. Ze pakte een andere terug. Hij keek haar aan.
'Dat bedoel ik.'
Ze lachten. Het was gemakkelijk om met hem te lachen wanneer er iets praktisch te doen was. Ze wist nog niet hoe het zou zijn op een avond waarop niemand een taak had.
Bij de achterdeur stond de doos met Kees' dagelijkse spullen. Een portemonnee, een bril, een horloge dat stilstond. Ze had die doos de eerste week gemaakt en daarna steeds uit de buurt van andere dozen gehouden.
Willem raakte hem niet aan.
'Deze gaat met mij mee in de auto,' zei ze.
'Goed.'
Ze had zich voorbereid op een geruststellende opmerking. Toen die uitbleef, kon ze de doos gewoon dichtvouwen.
De volgende ochtend stond Bram iets na achten voor de deur met de bestelwagen. Maarten zat naast hem, omringd door spanbanden en een papieren zak met broodjes.
'Eerst eten,' zei Ada.
'Eerst een beetje laden,' zei Bram.
'Ik ben een moeder. Ik moet het vragen.'
Hij gaf haar een snelle kus en bekeek de stapel dozen.
'Welke zijn zwaar?'
'Daar heb ik BOEKEN op geschreven.'
'Duidelijk.'
Eva kwam een halfuur later. Lot was bij een vriendin. Ze liep meteen naar de keuken, zag dat de laatste kopjes nog buiten de dozen stonden en begon ze af te wassen.
Ada wilde zeggen dat het niet hoefde. Ze besloot het één keer niet te zeggen.
Het laden ging sneller dan ze had verwacht. Wat jarenlang onverplaatsbaar had geleken, kon met twee mensen door de voordeur. De bank, de losse kast, het kleine bureau. Bij de linnenkast stopten ze.
'Die blijft,' zei Ada.
Eva keek op van het schrift.
'Zeker?'
'De nieuwe bewoners willen hem hebben.'
'Hij paste ook niet.'
'Hij kon uit elkaar.'
Eva keek naar haar moeder en knikte.
'Ja. Dat weet ik.'
Om elf uur was de woonkamer bijna leeg. Op de vloer lagen kleine ronde stukjes stof op de plekken waar de poten hadden gestaan. Maarten trok een spier in zijn rug toen hij dacht dat hij nog best één doos alleen kon dragen. Hij rechtte zich, glimlachte op een manier die niemand overtuigde en zei dat het ging.
'Ga zitten,' zei Ada.
'Waar?'
Ze keken om zich heen en begonnen te lachen. Uiteindelijk zat hij op de onderste trede met een zak bevroren doperwten tegen zijn rug.
Bram werd kortaf. Hij moest de wagen voor zes uur terugbrengen en kon niet alle meubels alleen naar boven dragen. Ada zag hem op zijn telefoon naar de tijd kijken.
'We kunnen een extra dag huren.'
'Dat kan niet zomaar.'
'Dan betalen we—'
'Mam, stop even.'
Hij stond midden in de lege kamer, een spanband in zijn hand.
'Je hoeft niet elke keer meteen iets op te lossen. Ik probeer te bedenken wat handig is.'
Ada zweeg. Eva haalde haar eigen telefoon uit haar zak en belde een collega die een straat verderop woonde. Een kwartier later kwam een lange man binnen die zich voorstelde als Patrick en vroeg of iemand wist welke kant zijn schoenen op mochten.
'Gewoon op de vloer,' zei Ada.
Patrick hielp drie uur. Daarna ging hij weer naar huis, zonder dat er een verhaal nodig was over wat een goede daad dat was geweest. Ada gaf hem een fles wijn die ze tussen het glaswerk vond. Hij zei dat hij liever een biertje dronk. Ze gaf hem er zes.
Bij het appartement bleek de trap nog smaller wanneer je een matras droeg. Ada stond onderaan en hield de deur open. Ze hoorde de mannen boven elkaar aanwijzingen geven. Een onbekende buurvrouw kwam uit haar woning en vroeg of ze de poes even binnen moest houden.
'Dat lijkt me voor iedereen goed,' zei Ada.
De buurvrouw heette Ria. Ze had een rood schort aan en meel op haar wang.
'Ik kom later wel eens kennismaken. Vandaag kun je niemand gebruiken.'
Ada wilde haar onmiddellijk aardig vinden, maar besloot daarmee nog even te wachten.
In de woonkamer stond Eva bij de groene muur.
'Het is mooi,' zei ze.
'Ja.'
'Lichter dan ik dacht.'
'Als het droog is, verandert het.'
Ze bekeken samen de planken. Er stonden nog geen boeken op. Het middaglicht viel door de lege kamer en Ada zag voor het eerst hoe het hier in mei zou zijn.
Aan het eind van de middag zat iedereen ergens anders. Maarten op de bank, Eva op de vensterbank, Bram op een doos die hij zelf had gecontroleerd op breekbare inhoud. Ada stond bij de waterkoker.
'Waar zijn de kopjes?' vroeg ze.
'Doos drie,' zei Eva.
Het waren dozen met nummers geworden terwijl Ada niet oplette. Ze besloot daar dankbaar voor te zijn.
Bram reed de wagen terug. Maarten kwam voorzichtig overeind. Eva bleef nog even om de lakens om het bed te doen. Ada hielp aan de andere kant, zoals ze dat vroeger samen hadden gedaan als er logés kwamen.
'Goed zo?' vroeg Eva.
Ada trok een hoek glad.
'Ja.'
Toen haar dochter weg was, liep ze door de kamers zonder het licht aan te doen. Buiten was het nog niet donker. De buren waren ergens aan het koken; er hing een geur van ui en iets zoets.
Ze zette de doos met Kees' spullen op de kast in de slaapkamer. Er was geen bijzondere plek voor bedacht. Ze zette hem neer waar ruimte was.
Op de vensterbank lagen de bouten in hun bakje. Willem had beloofd de volgende dag te komen. Ada haalde er één uit en rolde hem tussen haar vingers. Ze was moe in haar benen, in haar schouders, op een plek achter haar ogen.
Ze ging op de bank zitten en at een broodje dat Maarten had achtergelaten. Het viel in kruimels op haar schoot.
Er was niemand die vroeg of ze geen bord wilde pakken.