HOOFDSTUK 3 VAN 14
Uit de selectie
Tom had een tafel in De Brug bedekt met grijze kartonnen passe-partouts. Hij droeg een leesbril aan een koord, een tweede bril op zijn neus en hij zocht een derde, die hij nodig had voor het scherm.
'Die ligt op je hoofd,' zei Bram.
'O ja. Dat is alvast opgelost.'
Ada hing haar jas aan de stoel. Het buurthuis rook naar filterkoffie en de vloerreiniger die ook op het busstation was gebruikt. In het zaaltje ernaast oefende een zanggroep. Ze begonnen steeds opnieuw aan dezelfde regel.
Bram schoof een kopje naar haar toe. Hij was rechtstreeks van zijn werk gekomen en had zwarte vegen bij zijn pols, waar zijn mouw niet helemaal overheen viel.
'Fietsketting,' zei hij toen hij haar zag kijken.
'Ik zei niets.'
'Je keek zoals oma vroeger keek.'
'Dat zal mij leren.'
Hij glimlachte en drukte zijn duim op de rand van het kopje. Bram kon vriendelijk zijn op een manier die iets afsloot. Dat had hij van Kees, dacht ze, en onmiddellijk vond ze dat onrechtvaardig. Het was ook gewoon Bram.
Tom schoof een afdruk naar het midden.
'Hier zou ik mee willen beginnen.'
Op de foto stond Ada naast haar bus. Ze droeg het oude donkerblauwe uniform, haar haar zat opgestoken met een klem die te klein was geweest. Achter haar weerspiegelde het rode achterlicht van een andere bus in de deur. Ze keek langs de fotograaf heen.
'Mooi,' zei Bram.
Ada herkende de ochtend. Ze had een vroege dienst gereden, daarna had een collega zich ziek gemeld en was haar gevraagd nog twee ritten over te nemen. Kees stond haar bij de remise op te wachten. Ze hadden samen naar een markt gewild. Hij had drie kwartier gewacht en was daar boos over, hoewel ze hem had gebeld.
Op de foto zag je een vrouw die ergens naar uitkeek.
'Een krachtig beeld,' zei Tom. 'Je ziet het contact.'
'Ik keek naar de bus achter hem. Die moest eruit.'
Tom boog zich over de foto. 'Dat doet er niet toe. Het beeld vertelt zijn eigen verhaal.'
Bram keek naar Ada, kort. Hij hoorde de rest van haar antwoord, ook als zij het niet uitsprak.
Tom pakte een volgende foto: een mistig voetbalveld met een scheef doel. Ada wist dat Kees daar een prijs mee had gewonnen. Ze hadden het hele huishouden om die mist heen gepland, een herfst lang. Op sommige ochtenden was hij teruggekomen met koude handen en een humeur waar geen koffie tegen hielp. Op andere had hij zijn camera bijna op de keukentafel laten vallen om haar te kunnen omhelzen.
Ze herinnerde zich hoe hij dan rook, naar natte wol en buitenlucht. Dat was een herinnering die nergens om vroeg.
'Deze moet er zeker in,' zei ze.
'Dat dachten wij ook,' zei Tom.
Het meervoud stoorde haar. Kees was langer lid geweest van die vereniging dan zij bevriend was met de meeste mensen in haar eigen leven. Ze wist dat Tom recht had op zijn verdriet. Toch voelde het soms alsof de leden onderling hadden besloten wat voor man er was overleden en haar nu uitnodigden dat te bevestigen.
Ze bekeken het voetbalveld, drie portretten, een serie bomen waarvan Ada de verschillen niet kon onthouden en een foto van Bram als jongetje. Hij zat onder de tuintafel met een boterham, zijn knieën opgetrokken.
'Die liever niet,' zei Bram.
'Omdat je erop staat?' vroeg Tom.
'Omdat ik niet onder die tafel wilde worden gefotografeerd.'
Tom keek op. Bram draaide het kopje aan het oortje.
'Ik had ruzie. Ik weet niet eens meer waarover. Maar ik weet nog dat ik daar wilde zitten zonder dat iemand me zag.'
'Dat maakt hem juist ontroerend.'
'Voor jou misschien.'
Er viel een stilte waarin de zanggroep er eindelijk in slaagde de regel uit te zingen.
Ada legde de foto opzij.
'We hebben er genoeg, Tom.'
'Natuurlijk. Het is ook jullie keuze.'
Hij zei het correct, maar zijn mond trok scheef. Ada had de neiging hem gerust te stellen. Bram drukte met zijn knie tegen de hare, onder de tafel. Ze wist niet of het bewust was.
Ze gingen verder. Bij een landschapsfoto lachten ze om Kees' hardnekkige gewoonte een paaltje net buiten beeld te houden, ook als hij daarvoor in een sloot moest staan. Tom vertelde hoe hij hem eens aan zijn jas omhoog had getrokken. Bram zei dat zijn vader nog steeds had moeten wachten tot iemand een foto van dat hele tafereel had gemaakt.
Zo kon het ook, dacht Ada. Je kon om iemand lachen zonder zijn laatste maanden erbij te halen.
Na een uur lagen er achttien foto's op de tafel. Tom toonde op de computer een voorlopige uitnodiging. Onder Kees' naam stond een tekst waarin zijn aandacht, zijn geduld en zijn liefde voor het gewone werden genoemd.
'Aandacht,' las Bram.
Ada hoorde het, maar Tom niet. Hij zocht een bestand.
'En hier zou dan een persoonlijk stukje van jou komen,' zei Tom. 'Een herinnering. Iets wat wij niet kennen.'
Ada keek naar het witte vlak onder de tekst.
'Hoe lang?'
'Een paar honderd woorden. Het hoeft niet lang. Over jullie leven. Wat fotografie voor hem betekende, en voor jullie.'
'Voor hem betekende het meer.'
Tom draaide zich om. 'Dat is juist een mooi begin.'
Ze wist niet wat ze daarop moest zeggen.
Op de parkeerplaats bleef Bram bij haar fiets staan. Er zat een scheur in het handvat. Hij draaide het voorzichtig.
'Dat vervang ik even als ik kom verhuizen.'
'Het zit al jaren zo.'
'Dat geloof ik direct.'
Hij zette de fiets iets rechter in het rek.
'Je hoeft dat stukje niet te schrijven.'
'Het zijn maar een paar honderd woorden.'
'Dat is niet de hoeveelheid waar ik het over heb.'
Ada stak de sleutel in het slot. Hij ging niet om. Ze had de verkeerde, die van het appartement.
'Tom doet zijn best,' zei ze.
'Weet ik.'
'Hij mist je vader.'
'Ik ook.'
Ze keek op. Bram stond met zijn handen in zijn jaszakken, zijn schouders een beetje naar voren. Het was dezelfde houding als op de foto onder de tafel.
'Ik weet dat jij hem ook mist.'
'Soms lijkt het alsof dat alleen telt als ik alles mooi vind.'
Ada schoof de juiste sleutel in het slot en liet hem zitten.
'Wat vond je van die foto bij de bus?'
'Mooi. Dat vond ik echt.'
'Je vader was die ochtend kwaad op me.'
Bram knikte, alsof ze een tijdstip had genoemd.
'Dat kan toch?'
Ze wilde zeggen dat het ingewikkelder lag. Dat hij kwaad was geweest, dat zij zich schuldig had gevoeld omdat ze collega's niet had willen laten zitten, dat er daarna een goede middag was gekomen waarin hij een wollen muts kocht die hij jaren had gedragen. Maar Bram wachtte niet op zo'n afweging. Hij keek naar de klok boven de ingang en zei dat hij zijn trein moest halen.
Ada fietste naar huis met de afdruk van haarzelf in haar tas. Bij een verkeerslicht keek een jongen op een brommer haar ongeduldig aan. Ze stond te ver naar links. Ze schoof op, verontschuldigde zich en werd daarna boos omdat ze zich had verontschuldigd.
Thuis zette ze de foto tegen de suikerpot.
Ze was negenendertig op dat beeld. De bus had een koppeling gehad die te zwaar was en een radio die alleen werkte als het droog was. Ze kon zich de beweging van het stuur nog herinneren, het kleine tegensputteren wanneer ze bij de remise scherp afsloeg.
Die vrouw had een vroege dienst achter de rug. Ze wist waar de bus achter de fotograaf naartoe moest. Ada bleef een tijdje naar haar kijken en haalde toen de aardappelen uit de kast.