HOOFDSTUK 13 VAN 14
Een tafel voor hier
In mei haalde Ada de laatste doos leeg. Hij had twee weken in de slaapkamer gestaan met een vest eroverheen. Ze was eraan gewend geraakt eromheen te lopen. Toen ze 's nachts met haar kleine teen tegen de hoek stootte, vond ze de aanpassing niet langer aanvaardbaar.
Er zaten kabels in, drie mappen en de miniatuurbus die ze bij haar afscheid van het werk had gekregen. De bus had al die tijd ondersteboven gelegen. Eén van de spiegels was afgebroken. Ada vond hem onder in de doos en legde hem in een theeschoteltje. Derya had bij het afscheid gezegd dat het een perfect model was: de spiegel zat precies op de hoogte van de regenpijp bij het station.
Het oranje mapje lag tussen twee handleidingen. Ada haalde het eruit. Ze had gedacht dat ze het na het gesprek met haar kinderen zou weggooien. Nu zat ze op het bed en las de vier bladen nogmaals. Huur, vaste lasten, boodschappen, het bedrag dat ze apart had willen houden voor onverwachte dingen. Ze corrigeerde met een potlood de optelfout die ze eerder had ontdekt.
Het appartement was allang aan iemand anders verhuurd. Misschien woonde er een vrouw die geen kinderen had, misschien een man met een hond, misschien twee mensen die zonder moeite hun jassen in hetzelfde kastje hingen. Ada kende alleen de lege kamers en haar eigen voornemen. Ze dacht aan die vrouw van toen, anderhalf jaar eerder, die onder het bezichtigen de kraan had opengedraaid om te controleren of er voldoende druk op stond. Zelfs op een middag die haar hele leven kon veranderen had ze geweten waarop ze moest letten.
Ze deed de papieren terug. In haar nieuwe slaapkamer stond een smalle ladekast. De bovenste la bevatte bankpapieren, de middelste sokken, de onderste nog niets. Ze legde het mapje bij de bankpapieren. Dat was geen mooie oplossing, maar ze wist het daar terug te vinden.
Die avond zou Willem komen eten. Hij had de afgelopen weken een paar keer bij haar geslapen. De eerste ochtend had ze zich in de badkamer aangekleed en zich daar later over verbaasd. De tweede ochtend had hij om half acht koffie gezet omdat hij thuis om half acht koffie zette. Zij had tot negen uur willen blijven liggen. Ze hadden het er aan tafel over gehad, allebei in hun ondergoed, tussen twee glazen en de broodzak.
'Je hoeft niet wakker te worden omdat ik opsta,' had hij gezegd.
'Ik word wakker van de kastjes.'
'Dan pak ik de spullen 's avonds vast.'
'Dat lijkt me een beetje overdreven.'
'Wat wil je dan?'
Ze had haar mond geopend en weer dichtgedaan. Het was een nuttige vraag geweest, juist omdat ze er geen onmiddellijk antwoord op had.
Nu maakte ze rijst en een groenteschotel die te groot was voor de schaal. Ze duwde de laatste courgette tussen de tomaten en hoorde de deurbel. Willem had een stoffen tas bij zich. Hij zette hem onder de kapstok.
'Wat zit daarin?' vroeg ze.
'Een overhemd. Mijn leesbril. Oplader.'
Ada keek naar de tas.
'Om hier te laten?'
'Als dat kan. Dan hoef ik niet telkens alles mee te nemen.'
'Waar wou je het laten?'
Hij keek de gang rond, alsof hij de woning tot dan toe voor veel groter had gehouden.
'In een la, misschien.'
Ze wist dat het een redelijke vraag was. Er was een lege la. Hij vroeg niet om een sleutel, een naambordje, een abonnement op dezelfde krant. Toch hoorde ze zichzelf zeggen dat ze net alles had uitgepakt.
Willem trok zijn jas uit. Hij hing hem over de leuning van een stoel, niet aan de kapstok.
'Dan neem ik het straks weer mee.'
'Je hoeft niet zo te doen.'
'Hoe?'
'Alsof ik je de deur wijs.'
Hij keek haar aan. Ze voelde warmte in haar gezicht komen.
'Ik probeer te begrijpen wat je zegt,' zei hij. 'Ik kan die tas meenemen. Maar ik weet niet of je daarmee bedoelt dat je geen spullen van mij wilt of dat je mij eigenlijk te vaak ziet.'
Ada draaide zich naar de oven. Ze had hem niet eens aangezet. Ze drukte de knop in en bleef een paar tellen met haar hand bij het bedieningspaneel staan.
'Ik wil niet weer ongemerkt overal afspraken over hebben die ik nooit gemaakt heb.'
'Deze afspraak probeer ik juist te maken.'
Ze kon daar niets tegenin brengen. Dat maakte haar niet meteen vriendelijker.
'Ik heb nog maar net een eigen huis.'
'Ik heb ook een eigen huis.'
'Dat weet ik.'
'Met gereedschap op plekken die alleen ik begrijp. En een buurman die om de dag iets komt lenen. En Lies haar stoel, waar ik nog steeds graag in zit. Ik ben niet bezig het leeg te maken om hier te komen wonen.'
Hij zei het zonder boosheid, maar hij zei het wel. Ada keek naar de tas. Er stak een hoek van een blauw overhemd uit.
'Dat dacht ik niet echt.'
'Een beetje misschien.'
'Ja.'
De oven begon te blazen. Ada pakte twee glazen, zette ze neer en vergat er water in te doen. Willem ging aan tafel zitten. Ze ging tegenover hem zitten.
'Ik wil je graag zien,' zei ze. 'Ik vind het fijn als je blijft slapen. En soms wil ik een avond niemand. Dat weet ik niet altijd van tevoren.'
'Dat heb ik ook.'
'Maar jij zegt het gewoon.'
'Niet altijd. Soms ga ik de schuur opruimen en hoop ik dat de ander de aanwijzing begrijpt.'
Ze lachte, tegen haar zin in.
'Heb je dat met mij al gedaan?'
'Nee. Jij bent nog nooit lang genoeg in mijn schuur geweest.'
Ze praatten verder. Geen vaste avonden, wel laten weten wanneer iemand op de ander rekende. Niet aannemen dat een lege dag een uitnodiging was. Allebei hun eigen woning houden. Het klonk zakelijker dan Ada had verwacht van een gesprek met iemand wiens borst ze sinds kort kende. Toen Willem over de tafel haar hand pakte, vond ze de zakelijkheid niet meer bezwaarlijk.
'Eén la,' zei ze.
'Een hele?'
'De kleinste.'
Hij kwam naast haar staan toen ze de schaal in de oven zette. Hij sloeg zijn arm om haar heen zonder haar weg te sturen bij het koken. Ze leunde even tegen hem aan. De rijst was te vroeg klaar. Ze aten hem lauw.
Een week later kwam Eva op donderdagmiddag. Ze had gebeld om te vragen of het uitkwam. Ada had net de ramen willen wassen en zei dat het uitkwam. Niet uit plicht; ze had geen zin meer in de ramen.
Eva bracht de blauwe braadpan terug. Maarten had hem na de verhuizing een paar weken geleend en was gehecht geraakt aan het gewicht van de deksel.
'Hij zei dat ik moest vragen waar je hem gekocht hebt.'
'Kees heeft hem gekocht.'
'Dat weet ik. Maar waar?'
Ada wist het niet. Ze tilde de pan uit de tas en zag dat Maarten de zwarte rand aan de onderkant bijna helemaal schoon had gekregen.
'Hou hem maar.'
Eva schudde meteen haar hoofd.
'Dat was niet de bedoeling.'
'Bij mij staat hij in het kastje boven de afzuigkap. Als ik hem naar beneden moet halen, kan ik beter eerst het buurtvervoer bestellen.'
'We kunnen hem ook ergens anders zetten.'
'Ik wil hem jullie geven.'
Eva liet de handvatten los. Ze streelde met haar hand langs het email.
'Dan zal hij er heel blij mee zijn.'
'Dat moet hij er wel bij zeggen als de randen weer zwart zijn.'
Ze dronken thee op het balkon. Het was eigenlijk te koud, maar Eva wilde buiten zitten. Beneden liep een vrouw met twee honden, waarvan er één bij elke geparkeerde fiets bleef stilstaan. Ada had nog geen planten gekocht. Er stonden twee potten met oude aarde, achtergelaten door de vorige bewoner.
'Zal ik een keer met je naar het tuincentrum?' vroeg Eva.
'Ik wil eerst zien hoeveel zon hier komt.'
'Natuurlijk. Ik vraag alleen maar.'
Ada keek opzij. Eva trok haar vest dichter om zich heen.
'Ik bedoelde het niet als een verwijt,' zei Ada.
'Ik weet het. Ik moet er alleen een beetje op letten dat ik niet telkens denk dat je blij bent dat je van ons af bent.'
'Van jullie?'
'Ook van hem. Misschien.'
Ada zette haar kopje op de betonnen rand. Ze dacht aan een gemakkelijk antwoord, iets met altijd houden van, iets wat ze jarenlang zonder nadenken had kunnen zeggen.
'Sommige dingen vind ik gemakkelijker nu,' zei ze. 'Ik ben blij met dit huis. En ik mis hem. Gisteren wilde ik hem laten zien hoe die man aan de overkant zijn ladder had neergezet. Alleen hij zou daar precies zo lang naar hebben willen kijken als ik.'
Eva glimlachte niet. Ze luisterde.
'Ik weet niet hoe het was gegaan als hij nog leefde. Misschien had ik dat appartement genomen. Misschien was ik na drie weken teruggekomen. Misschien ook niet. Ik kan het achteraf niet mooier of erger maken dan het was.'
'Had je dat toen tegen hem gezegd?'
'Dat ik apart wilde wonen. Ja.'
'En?'
'Hij vond het een slecht idee. Hij dacht dat het over zou gaan.'
Een tijdlang zeiden ze niets. De vrouw met de honden was teruggekomen aan de andere kant van de straat.
'Ik had liever gehad dat ik het eerder wist,' zei Eva.
'Dat begrijp ik.'
'Maar misschien had ik toen ook gezegd dat het een slecht idee was.'
Ada keek naar haar dochter. Eva wreef met haar wijsvinger over een bobbeltje op het handvat van haar kopje.
'Je mocht hem aardig vinden,' zei Ada. 'Je mag hem nog steeds aardig vinden.'
'Ik vond hem niet aardig. Ik hield van hem.'
'Ja. Dat bedoel ik.'
Eva knikte langzaam. Het was niet het einde van het gesprek, alleen het einde van wat ze die middag konden zeggen.
Binnen trok ze de tas met de braadpan naar zich toe. Ada wilde haar helpen dragen en hield zich toen in. Eva kon een pan dragen. Bij de deur draaide haar dochter zich om.
'Lot heeft gevraagd of jij volgende week donderdag bij het toneelstuk komt. Ze voeren het nog een keer op voor de ouderavond.'
'Dat staat in mijn agenda.'
'Ze is nu een boom én een vogel. Er was iemand ziek.'
'Dat lijkt me druk.'
'Ze neemt het heel serieus.'
Ada ging op donderdag naar het toneelstuk. Ze zat naast Maarten, die vertelde dat de pan uitstekend werkte. Op het podium vergat Lot haar tekst. Ze stond in een bruin pak met kartonnen bladeren op haar schouders en keek naar de juf. Toen ze het weer wist, sprak ze zo hard dat de rij voor Ada ervan schrok. Eva draaide zich om. Ze lachten naar elkaar, ieder met haar eigen telefoon op schoot.