HOOFDSTUK 1 VAN 14
De maat van de kast
Eva had de linnenkast opgemeten zonder haar jas uit te trekken. Ze zat nu op haar hurken voor de onderste plank, met het metalen lipje van het meetlint onder haar schoen.
'Eenentachtig,' zei ze. 'Dan kan hij dus niet mee.'
Ada stond in de deuropening met een kop koffie in elke hand. Op de overloop was geen plaats om ze neer te zetten. Overal lagen handdoeken, in hopen die Eva kennelijk iets vertelden.
'Hij kan uit elkaar.'
'Dat zeg je altijd.'
'Aan de achterkant.'
'Je kijkt ook weleens tegen een achterkant aan, mam.'
Ada gaf haar de koffie. Ze wilde zeggen dat zij dat risico wel durfde te nemen, maar Eva hield de kop zo onbeholpen vast, gehinderd door het meetlint om haar vingers, dat ze eerst vroeg of het ging. Het ging. Zoals bijna alles volgens Eva ging wanneer ze net iets te veel tegelijk deed.
Beneden sloeg de voordeur dicht. Maarten riep dat hij nog even naar de bouwmarkt reed voor meer dozen.
'We hebben er al dertig,' riep Ada.
'Tweeëndertig,' verbeterde Eva. 'Maar voor de boeken heb je kleine nodig.'
Het huis was plotseling iets waarvoor spullen moesten worden ingekocht. Jarenlang was er van alles bij gekomen zonder plan: een pan die toevallig in de aanbieding was, een vergiet dat eigenlijk van haar zus was, lampen die Kees vond op markten waar hij voor zijn fototoestellen heen ging. Nu moest voor het verdwijnen van die voorwerpen een sluitend systeem worden bedacht.
Eva legde het meetlint in haar jaszak en trok een handdoek uit de eerste hoop.
'Deze zijn nog goed.'
Het was een groene, met een dunne plek in het midden. Ada wist dat hij op Bram had gelegen toen ze hem voor het eerst thuis in bad deden. Ze wist ook dat die herinnering geen praktische reden was om een handdoek te bewaren.
'Neem maar mee als je hem wilt.'
'Ik vroeg of jij hem nog wilde.'
'Ik hoorde je niet vragen.'
Eva streek hem glad op haar knie. Het rood van haar nagels was bij de duimen afgesleten. Toen Ada jong was geweest, had haar moeder haar handen ook zo bekeken: op zoek naar een scheur, een afgebroken nagel, iets waar een boterham of een nieuwe handschoen tegen kon helpen. Nu betrapte ze zichzelf erop. Eva had een hypotheek, een dochter en een team op haar werk. Dat kon Ada allemaal moeilijk beoordelen. Een wondje bleef overzichtelijk.
'We moeten een beetje door,' zei Eva.
'Van wie?'
Haar dochter keek op. Ada hoorde hoe de vraag had geklonken.
'Ik bedoel: de overdracht is pas over zes weken.'
'En het appartement is nog niet eens geverfd. Je weet hoe snel zes weken voorbij zijn.'
Dat wist Ada. Zes weken waren ook lang genoeg om iedere ochtend wakker te worden en een telefoon op te nemen die niet overging. De eerste weken na Kees' dood had ze zijn naam soms op het scherm verwacht, op het tijdstip waarop hij gewoonlijk vroeg of ze brood wilde meenemen. Nu vergat ze af en toe een halve ochtend dat hij dood was. Ze dacht niet dat hij leefde; ze dacht gewoon aan de douchekop of aan een brief die op de post moest. Daarna kwam er een kleine schrik. Alsof ze hem had laten wachten.
Ze ging op de bovenste tree zitten. Eva schonk daar geen aandacht aan. Haar dochter had de afgelopen veertien maanden geleerd niet iedere zucht na te vragen.
'Tom heeft gebeld,' zei Ada.
'Voor de tentoonstelling?'
'Of ik woensdag naar De Brug kom.'
'Goed. Bram gaat ook, toch?'
'Dat moest ik nog vragen.'
'Ik vraag het wel.'
Eva pakte haar telefoon. Ada dronk haar koffie voordat ze iets kon zeggen wat hun ochtend zou veranderen in een gesprek over wie waarvoor toestemming nodig had.
De tentoonstelling was begonnen met zes foto's. Tom wilde in het buurthuis een paar van Kees' beelden laten zien, ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de fotovereniging. Kees was lang voorzitter geweest en had in die jaren eindeloos veel fietsenrekken, paardenlijven en schuine muren besproken. Daarna waren er twaalf foto's bij gekomen en een middag voor leden. Nu heette het Een leven in beelden en moest er iemand iets zeggen.
'Ik hoef toch niet te spreken?' vroeg Ada.
Eva keek nog naar haar scherm.
'Een paar woorden. Wie anders?'
'Tom.'
'Ja, Tom ook.'
Het licht uit het slaapkamerraam viel over de handdoeken. Ada had het gordijn altijd verkeerd om teruggehangen na het wassen; de zoom zat aan de kant waar Kees het zag wanneer hij zich aankleedde. Hij had er jaren een grap over gemaakt. De laatste keer had ze gezegd dat hij het ook zelf kon doen. Hij was verrast geweest, oprecht. Hij had de hele tijd gedacht dat zij de grap eveneens leuk vond.
Eva haalde de onderste lade leeg. Een doos met oude knopen verscheen, een vergeelde envelop met extra gordijnhaakjes en een oranje plastic map.
Ada zette haar kop op de tree.
'Die geef je mij maar.'
'Wat is het?'
'Papieren.'
'Van het huis? Die moeten bij de notarisstukken.'
'Andere papieren.'
Eva gaf haar de map zonder erin te kijken. Daar was Ada haar dankbaar voor, en ze ergerde zich onmiddellijk aan die dankbaarheid. Ze was vierenzestig en hoefde niet opgelucht te zijn omdat haar dochter niet in een map keek.
Het plastic was bij de sluiting ingescheurd. Ze klemde het onder haar arm en liep naar de slaapkamer. In de onderste lade van haar nachtkastje lagen een paar sokken waarvan de maat te groot was. Ze had gedacht dat ze van Bram waren, maar ze bleken van haarzelf, gekocht in een periode waarin haar voeten 's avonds dik waren geweest van het rijden. Ze legde de map eronder en duwde de lade dicht.
Uit de map stak een strook wit papier. Bovenaan stond in blauwe letters een straatnaam. Het was een straat waar ze nu soms met opzet niet doorheen fietste, hoewel niemand haar daar kende.
Toen ze terugkwam op de overloop zat Eva met een oud kussensloop op schoot. Er stond een rafelige olifant op, door Ada geborduurd toen Eva zes was.
'Deze wil ik wel.'
'Voor Lot?'
'Voor mij.'
Ada ging naast haar zitten. De trap was te smal voor hun heupen. Eva schoof een stukje op en morste koffie op haar jas.
'Verdomme.'
'Koud water,' zei Ada.
'Ik weet het.'
Ze bleven zitten terwijl de vlek langzaam naar de naad trok.
Beneden rinkelde de brievenbus. De bezorger drukte folders door de klep en fietste weg. Ada zag hem niet, maar ze kende zijn gehaaste stappen en de manier waarop zijn standaard op de stoep sloeg. Over zes weken zou hij hier nog steeds komen. Iemand anders zou de aanbiedingen van de vloer rapen en denken dat de klep eens geolied moest worden.
'Je hoeft niet alles nu al weg te doen,' zei Eva.
Ada keek naar haar. 'Dat zeg jij?'
'Ik probeer gewoon te helpen.'
'Dat weet ik.'
'Soms lijkt het alsof je alles in één keer kwijt wilt.'
Ada streek met een vinger langs de rand van haar kop. Ze wist niet welk antwoord haar dochter zou geruststellen zonder onwaar te zijn.
'Ik wil ergens kunnen zitten zonder dat er werk om me heen ligt.'
Eva knikte. Het was een antwoord waarmee ze iets kon.
Die middag, toen Maarten de gevulde dozen langs de muur had gezet en Eva naar huis was gereden om Lot op te halen, maakte Ada een broodje kaas. Ze at het staande aan het aanrecht, iets wat Kees onbeschaafd had gevonden. Hij had daar zelf nog weleens chips gegeten, recht uit de zak, maar chips waren volgens hem geen maaltijd.
Op het prikbord hing een ansichtkaart van een haventje. Ze hadden hem twintig jaar geleden naar zichzelf gestuurd omdat Eva dat grappig vond. Kees had geschreven: Alles goed hier, behalve het weer. Ada had eronder gezet dat het brood uitstekend was. Ze kon de vakantie bijna niet meer terughalen. Wel wist ze precies aan welke tafel ze de kaart hadden geschreven, en dat ze haar trui niet had kunnen vinden.
Ze nam de kaart van het bord. Achter de kaart was het kurk donkerder.
Boven trok ze de oranje map uit de lade. Er zaten vier vellen in. Een plattegrond. Een beschrijving van het appartement. Een berekening, door haarzelf gemaakt op de achterkant van een busdienstrooster. En een bevestiging van een bezichtiging.
De afspraak was van zeventien maanden geleden.
Drie maanden voor Kees overleed, had ze daar in een lege kamer gestaan en aan een makelaar gevraagd of ze een maand de tijd kon krijgen. Ze had het appartement niet genomen. De makelaar had haar later gebeld en toen was Kees al ziek geweest. Er waren dagen geweest waarin hij beter leek. Ze had niet geweten dat ze inmiddels in zijn laatste weken waren beland.
Ada haalde de papieren uit de map. Ze legde ze op bed, in de volgorde waarin ze ze had gekregen.
Daarna deed ze ze terug.
Op het busdienstrooster was naast haar berekening nog een oud telefoonnummer te lezen. Ze had het destijds nooit doorgekrast. Haar leven was op dat vel gewoon naast het andere blijven bestaan.