HOOFDSTUK 5 VAN 14
De vierde stoel
Maarten had een stoofschotel gemaakt waarvoor hij naar eigen zeggen eigenlijk een andere pan nodig had. Ada zei dat ze er nog een had staan. Eva keek op van haar bord.
'Die blauwe?'
'Als hij hem wil.'
'Die heb je van pap gekregen.'
'Hij heeft hem in een winkel gekocht. Hij heeft hem niet zelf gegoten.'
Maarten schepte haastig nog wat saus op zijn rijst. Bram keek naar zijn moeder en toen naar zijn zus.
Lot zat tussen hen in en at eerst alle wortels uit haar bord. Ze was acht en had de gewoonte zich stil te houden wanneer volwassenen ingewikkeld begonnen te doen. Dat maakte Ada altijd een beetje ongerust.
'Ik wil die pan graag,' zei Maarten. 'Maar alleen als niemand er ruzie over krijgt.'
'Er is geen ruzie,' zei Eva.
Ze schoof een schrift naast haar bord. Daarin stond de verhuisplanning. De bestelwagen was op zaterdag de achttiende beschikbaar. Bram kon hem om acht uur ophalen. Maarten wilde liever eerst de grote meubels doen en daarna de dozen. Eva had iemand gevonden die de ramen in het oude huis kon wassen.
'Dat hoeft toch niet?' vroeg Ada.
'Je laat het toch netjes achter.'
'Ik laat het netjes achter. Er hoeft geen optocht langs.'
Lot lachte. Eva niet.
Bram pakte het schrift en bekeek het.
'Wie is Willem?'
'Iemand die met de planken heeft geholpen,' zei Ada.
'O. Die komt ook?'
'Hij heeft aangeboden de tafel uit elkaar te halen.'
'Kan ik ook.'
'Dat weet ik.'
'Dan hoeft er geen vreemde bij.'
Ada keek naar haar zoon. Er zat geen jaloezie in zijn stem. Hij dacht werkelijk dat hij iets van haar overnam.
'Hij is geen vreemde voor mij.'
Eva legde haar bestek neer.
'Je kent hem twee weken.'
'Drie.'
Maarten vroeg of iemand nog rijst wilde. Iedereen zei nee, behalve Lot, die naar het toilet moest. Hij stond met haar op. Ada hoorde de keukendeur achter hen dichtgaan.
'Ik bedoel het niet rot,' zei Eva. 'Je moet alleen een beetje voorzichtig zijn.'
'Met een tafel?'
'Met mensen die ineens heel behulpzaam zijn.'
Ada keek naar het schrift, waarin haar nieuwe leven in nette blokken was verdeeld. Ze wist dat Eva dit uit liefde deed. Dat maakte het moeilijker om boos te worden en makkelijker om iets onherstelbaars te zeggen.
'Ik ben niet ineens iemand geworden die niets kan beoordelen.'
'Dat zegt niemand.'
'Je zei het net.'
'We proberen ervoor te zorgen dat je geen dingen te snel doet.'
Bram draaide het schrift terug naar zijn zus. 'Laat mam zelf beslissen wie die tafel losschroeft.'
'Daar gaat het niet om.'
Het ging inderdaad niet om de tafel. Dat wist Ada ook. Ze zaten aan dezelfde tafel waar ze met Kerst hadden besloten dat het goed zou zijn als ze kleiner ging wonen. Toen was Eva degene geweest die zei dat een huis te groot kon worden. Nu het appartement bestond, met groene verf en planken op een ongebruikelijke hoogte, leek het alsof iedereen geschrokken was van de snelheid waarmee een verstandig plan werkelijk werd.
'Ik heb hier lang over nagedacht,' zei Ada.
'Ik weet het. Sinds pap—'
'Ook daarvoor.'
De woorden waren er eerder dan de beslissing om ze uit te spreken.
Eva keek haar aan. Bram boog iets naar voren.
'Wat bedoel je?'
Ada legde haar servet naast haar bord. De stof was nog warm van haar handen.
'Dat ik al eerder heb gekeken naar iets voor mezelf.'
'Naar een appartement?'
'Ja.'
'Met pap?'
Ze had nog kunnen zeggen dat het om een gedachte ging, een losse mogelijkheid waar ieder mens weleens mee speelt. Maar Eva kende haar goed genoeg om het verschil te horen. En Ada was moe van de hoeveelheid oplettendheid die nodig was om in ieder gesprek dezelfde versie van haar leven overeind te houden.
'Zonder hem.'
Uit de keuken klonk Lot, die iets wilde pakken wat te hoog stond.
'Je wilde bij pap weg?' vroeg Eva.
'Ik wilde een tijd apart wonen.'
'Dat is hetzelfde.'
'Voor mij was het niet hetzelfde.'
Eva stond op en pakte de schaal, hoewel niemand meer at.
'Wanneer was dat?'
'Een paar maanden voordat hij ziek werd.'
'Een paar maanden.'
Ze herhaalde het alsof ze het moest leren onthouden.
Bram keek naar zijn bord. 'Wist hij het?'
Ada knikte langzaam.
'Hij wist dat ik niet zo verder wilde. Het appartement heb ik niet met hem bekeken.'
'Maar wist hij dat je ging kijken?'
'Nee.'
Eva zette de schaal zo hard neer dat de saus over de rand liep.
'En dat vertel je nu.'
'Ik wilde het jullie niet aan tafel vertellen.'
'Wanneer dan? Na de tentoonstelling? Nadat we allemaal hadden gezegd wat een prachtig leven jullie hebben gehad?'
'Dat leven was er ook.'
'Je kunt niet allebei zeggen.'
Ada voelde haar borst strak worden. Ze keek naar Bram, maar wilde hem niet vragen partij te kiezen. Hij had zijn handen onder de tafel gevouwen.
'Waarom niet?' vroeg hij tenslotte.
Eva schudde haar hoofd.
'Omdat hij er niet meer is. Omdat we hem niet meer kunnen vragen hoe het zat.'
Daar had Ada geen antwoord op dat de situatie draaglijker maakte.
Maarten kwam terug met Lot. Hij zag hun gezichten, keek naar de schaal en begon met een doek de saus op te vegen.
'Ben je boos, mama?' vroeg Lot.
'Nee, liefje. We praten even.'
Ada wist nog hoe ze zelf dat zinnetje had gebruikt. Terwijl de kinderen allang hoorden dat er iets mis was, bleef je verzekeren dat er alleen gepraat werd.
'Oma gaat naar huis,' zei ze.
Lot keek teleurgesteld. Ze hadden een spelletje zullen doen.
'Een andere keer.'
Bij de deur hield Eva haar jas vast. Het was een klein, automatisch gebaar dat Ada meer pijn deed dan de woorden aan tafel.
'Heeft die Willem daar iets mee te maken?'
'Ik kende hem toen niet.'
'Ik weet niet meer wat ik wel weet.'
Ada trok haar jas aan. 'Dat begrijp ik.'
'Zeg dat dan niet zo.'
Ze stonden tegenover elkaar in de smalle gang. Ada zag het spiegelbeeld van haar dochter naast de kapstok. Ze herkende zichzelf in de gespannen mond en begreep dat Eva dat op dit moment afschuwelijk zou vinden.
'Ik weet niet hoe ik het goed moet zeggen,' zei ze.
'Misschien had je eerder moeten beginnen.'
Bram liep met haar naar de auto. Hij zou meerijden naar het station. Ze reden een paar straten zonder te praten.
'Wil je er iets over weten?' vroeg Ada.
'Ik weet het nog niet.'
'Dat is goed.'
Hij keek uit het raam.
'Ik wil niet degene zijn die het tussen jou en Eva moet uitleggen.'
'Dat vraag ik niet.'
'Mooi.'
Bij het station bleef hij even zitten nadat ze de motor had uitgezet.
'Ik dacht wel dat jullie het moeilijk hadden,' zei hij. 'Maar ik dacht altijd dat het daarna weer overging.'
'Soms ging het ook over.'
'En soms niet.'
'Nee.'
Hij knikte en pakte zijn tas. Voor hij uitstapte, legde hij zijn hand op haar schouder. Het gebaar duurde kort, bijna zakelijk. Ada was er dankbaar voor.
Thuis zette ze de stoel waarop Kees altijd had gezeten iets verder onder de tafel. Ze deed dat niet met een bedoeling. Ze moest er langs om de lamp uit te doen.