HOOFDSTUK 8 VAN 14
Wat Eva meenam
Eva kwam op dinsdagavond om de fotoalbums op te halen. Ze had van tevoren gevraagd of het uitkwam. Dat was nieuw.
Ada zette thee, hoewel haar dochter meestal koffie dronk. Ze ontdekte de vergissing pas toen het water kookte.
'Thee is goed,' zei Eva.
Ze bleven aan weerszijden van de tafel staan tot Ada vroeg of ze wilde zitten.
De albums lagen in een plastic krat. Er waren er zeven, van vóór de tijd waarin foto's vooral op apparaten verdwenen. Kees had ze ingeplakt met hoekjes die uitdroogden. Wanneer je een blad omsloeg, schoof er vaak een kind uit een vakantie.
Eva opende het tweede album. Haar handen waren voorzichtig. Ada zag een bladzijde met een kampeertent en drie foto's van een verjaardagstaart die onderweg was ingezakt.
'Ik vond het altijd fijn thuis,' zei Eva.
Ada knikte.
'Dat hoop ik.'
'Je zegt dat alsof ik me iets verbeeld.'
'Nee. Ik ben blij dat het zo was.'
Eva sloeg een bladzijde om en hield een losse afdruk tegen.
'Ik herinner me heus wel dat jullie ruzie hadden.'
'Dat weet ik.'
'Maar dat hoorde erbij. Bij iedereen was weleens wat.'
Ada ging tegenover haar zitten. Op de foto stond Eva met een grote wollen muts en een stok in haar hand. Ze moesten toen in Duitsland zijn geweest. Kees had die stok op maat gezaagd omdat Eva hem als wandelstok wilde gebruiken.
'Die heeft hij de hele vakantie meegedragen,' zei Ada.
Eva knikte. Ze keek niet op.
'Ik weet niet wat ik moet met wat je hebt gezegd.'
'Je hoeft er niet iets mee te doen.'
'Natuurlijk wel.'
Ada wachtte.
'Het verandert hoe ik aan jullie denk. Aan ons. Jij weet dat al jaren. Ik hoor het tussen de rijst en de verhuisdozen.'
Dat was waar. Ada legde haar handen op tafel, plat, alsof ze wilde laten zien dat ze niets achterhield.
'Het spijt me dat het zo ging.'
'Maar niet dat je weg wilde.'
Ada slikte.
'Nee.'
Eva deed het album dicht. Het plastic van de omslag kraakte.
'Dat vind ik moeilijk.'
'Ik ook.'
'Je had het hem moeten zeggen.'
'Ik heb het hem gezegd. Dat ik een tijd alleen wilde wonen.'
'Maar niet dat je al ergens was gaan kijken.'
'Dat niet.'
Eva knikte langzaam. Ada zag hoe haar dochter probeerde een plek te vinden waar ze kon blijven staan zonder haar vader los te laten.
'Hij kon ook moeilijk zijn,' zei Eva tenslotte. 'Dat weet ik.'
'Je hoeft mij geen gelijk te geven.'
'Ik probeer juist iets te zeggen.'
Ada zweeg. Dat had Kees vaak tegen haar gezegd: laat me even uitpraten. Ze had het gehaat, en nu deed ze precies wat ze hem verweet. Ze schonk thee in, voorzichtig om het gesprek niet met een verontschuldiging over te nemen.
'Hij had met Maarten soms dingen,' zei Eva. 'Over zijn werk. Of hij niet iets anders wilde, of er genoeg toekomst in zat. Maarten vond dat vervelend.'
'Dat wist ik niet.'
'Maarten zei dat hij ermee kon omgaan. Maar ik heb er nooit iets van gezegd. Ik dacht steeds: pap bedoelt het goed.'
Ze schoof haar kopje een paar centimeter op.
'Ik wil niet dat ik nu ineens alleen dat zie.'
'Dat gaat niet gebeuren,' zei Ada. Toen verbeterde ze zichzelf. 'Dat hoop ik niet.'
Eva keek door het raam naar de tuin.
'Hij heeft de schommel voor Lot gemaakt.'
'Ja.'
'Hij kon uren met haar in de schuur staan.'
'Dat kon hij.'
Ze zaten een tijd stil. Voor het eerst leek die stilte niet te betekenen dat een van hen op een beter antwoord wachtte.
Toen Eva opstond, tilde ze het krat niet meteen op.
'Kom je nog naar haar schoolding donderdag?'
'Als ik welkom ben.'
Eva trok een gezicht.
'Doe alsjeblieft niet zo.'
Ada voelde haar wangen warm worden. 'Je hebt gelijk.'
'Donderdag om drie. Ze speelt een boom.'
'Een grote rol.'
'Een heel aanwezige boom.'
Ze glimlachten allebei, nauwelijks, maar genoeg om het krat samen naar de auto te dragen.
Die avond belde Bram. Hij wilde weten of de tafel werkelijk uit elkaar kon, want hij had naar de afmetingen van de bestelwagen gekeken.
'Willem komt vrijdag.'
'Prima.'
Het woord klonk eenvoudiger dan een week geleden.
Ada vertelde dat Eva de albums had opgehaald.
'Ging het?'
'Een beetje.'
'Dat is al iets.'
Er viel een stilte.
'Bram?'
'Ja?'
'Heb ik jullie te veel laten denken dat alles goed was?'
Hij zuchtte. Ze hoorde verkeer op de achtergrond.
'Ik weet niet of dat een vraag is die ik voor je kan beantwoorden.'
'Nee.'
'Ik heb ook niet alles verteld. Sanne en ik hadden een halfjaar terug een tijd apart willen wonen. Dat hebben we uiteindelijk niet gedaan.'
Ada ging rechter zitten.
'Waarom heb je niets gezegd?'
'Omdat je dan precies zo klinkt.'
Ze keek naar haar eigen hand, die zich om de telefoon had gespannen.
'O.'
'En omdat het ons gesprek was. We moesten eerst zelf iets uitzoeken.'
'Gaat het nu beter?'
'Meestal.'
Dat woord vond ze onbevredigend en geloofwaardig.
'Ik wil het je wel vertellen,' zei Bram. 'Maar niet zodat je gaat controleren of ik gelukkig genoeg ben.'
Ze liet een paar seconden voorbijgaan voordat ze antwoordde.
'Ik zal het proberen.'
'Meer kan ik ook niet beloven.'
Na het gesprek liep Ada door de woonkamer. De boekenkast was halfleeg. Op de plek waar een breed fotoboek had gestaan, lag stof in een smalle streep. Ze haalde er haar vinger langs en veegde die af aan haar broek.
Ze had gedacht dat het vertellen van haar geheim iets zou oplossen. Dat was een misrekening geweest. Het had vooral nieuwe gesprekken mogelijk gemaakt, met minder controle over wat anderen daarin zouden zeggen.
Op donderdag zat ze naast Eva in de aula van Lots school. Lot droeg een bruine trui en hield twee takken omhoog. Tijdens het zingen keek ze zo ernstig dat Ada moeite moest doen haar lachen in te houden.
Eva boog naar haar toe.
'Ze wilde eerst de zon zijn.'
'Dat is lastig stil te houden.'
Eva beet op haar lip om niet te lachen. Haar schouder raakte die van Ada. Geen van beiden schoof weg.