HOOFDSTUK 6 VAN 14
Het andere adres
De makelaar had haar destijds voor de deur aangezien voor iemand die kwam schoonmaken. Hij had gezegd dat de bezichtiging nog niet klaar was en dat ze beter over een halfuur terug kon komen.
'Ik kom voor de woning,' had Ada gezegd.
Hij had zich verontschuldigd. Ze had haar werkschoenen aan, met de brede zolen die ze sinds het rijden droeg, en een boodschappentas onder haar arm. Er zat prei in. Ze wist nog dat ze op weg naar die afspraak boodschappen had gedaan, alsof de bezichtiging pas geloofwaardig werd wanneer ze hem tussen gewone bezigheden in kon schuiven.
Het appartement lag op de tweede verdieping. Het was kleiner dan haar nieuwe woning, met een badkamer waar je zijdelings langs de wastafel moest. In de woonkamer zat een beschadiging op de muur, de plek waar een televisie had gehangen.
'Die werken we nog weg,' had de makelaar gezegd.
Ada vond de plek juist geruststellend. Er had iemand gewoond die op een avond had besloten dat het scherm daar moest komen, en op een andere avond dat alles weer mee moest.
Ze had gevraagd hoe gehorig het was.
'Het is een ouder pand.'
Een eerlijk antwoord, voor zover het een antwoord was.
Door de muur hoorde ze een kind lachen. Ze had er kunnen wonen. Met een kleine tafel, een bed, haar kleren. Ze had haar pensioen en spaargeld doorgerekend. Het zou kunnen als ze zorgvuldig bleef. Ze was altijd zorgvuldig geweest met geld.
Met woorden was ze minder zorgvuldig geweest. Of misschien juist te veel. Ze had ieder gesprek met Kees zo vaak in haar hoofd gevoerd dat het echte gesprek nooit kon beantwoorden aan wat zij inmiddels van hem verwachtte.
Het was begonnen met iets kleins. Dat had ze later vervelend gevonden: dat ze geen groot voorval kon aanwijzen zonder alles wat eraan voorafging uit te wissen.
Ze hadden vrienden te eten gehad. Ada had verteld dat ze misschien een cursus wilde volgen, iets met tekenen, hoewel ze op school nauwelijks een rechte lijn had kunnen maken.
'Ze zoekt nog een bezigheid,' had Kees gezegd. 'Sinds ze niet meer rijdt.'
Hij had haar daarbij aangekeken met een glimlach die anderen geruststellend vonden.
'Ik zoek niet zomaar een bezigheid,' had ze gezegd.
'Dat bedoel ik ook niet zo.'
Het gesprek was verdergegaan. Na afloop had ze de glazen afgewassen terwijl Kees ze afdroogde. Dat deden ze altijd samen. Er was een prettige routine in geweest, hij die zocht naar een plek voor een te grote schaal, zij die hem vertelde dat die al jaren onder het aanrecht stond.
Maar die avond had ze gezegd: 'Ik wil dat je ophoudt voor mij te vertellen wat ik bedoel.'
Hij had het glas neergezet.
'Dat deed ik toch niet?'
'Net aan tafel.'
'Ada, je zei dat je iets wilde gaan doen. Ik zei dat je iets wilde gaan doen.'
'Je zei dat ik een bezigheid zocht.'
'Is dat nu zo erg?'
Ze kon het hem niet uitleggen zonder het gesprek groter te maken dan hij redelijk vond. Daarin waren ze geoefend geraakt. Hij stelde een vraag die klein klonk en zij moest het hele huwelijk bijhalen om antwoord te geven.
De volgende ochtend had hij een folder van een tekenvereniging op tafel gelegd. Hij had ernaar gezocht. Dat was ook waar. Ada had hem bedankt.
Er waren veel van die momenten geweest. Kees die precies wist hoe ze haar koffie dronk en niet merkte dat ze in gezelschap ophield aan een verhaal te beginnen. Kees die haar fietsband repareerde en haar route naar haar zus uitlegde, hoewel zij er al tientallen keren was geweest. Kees die naast haar zat wanneer ze slecht nieuws kregen en haar hand zo stevig vasthield dat ze daar werkelijk iets aan had.
Ze had hem liefgehad. Ze had ook steeds vaker uitgekeken naar avonden waarop hij weg was.
In oktober, drie maanden voordat hij werd opgenomen, had ze dat gezegd.
Hij was foto's aan het ordenen, op de grote monitor in zijn werkkamer. Toen ze begon te praten, klikte hij eerst nog een venster weg. Daarna draaide hij zich om.
'Ik wil soms alleen zijn,' had ze gezegd.
'Dan ga ik wel vaker naar de club.'
'Dat bedoel ik niet.'
Hij had gezucht. Ze begreep hem daarin. Ze vroeg hem iets te begrijpen waarvan zijzelf de omvang nauwelijks kende.
'Wat bedoel je dan wel?'
'Dat ik een tijdje ergens anders wil wonen. Kijken hoe dat is.'
Hij had haar aangekeken alsof ze een onbekende prijs noemde voor iets wat hij allang bezat.
'We hebben toch een goed leven?'
'Er is veel goed.'
'Wat ontbreekt er dan?'
Het was een redelijke vraag. Ze had die ook aan zichzelf gesteld en er geen antwoord op gevonden dat ze kon bewijzen.
'Ik weet niet meer wanneer ik iets wil omdat ik het wil,' had ze gezegd, 'en wanneer omdat het ons leven makkelijker maakt.'
Hij was stil geworden.
Later, in de keuken, had hij gevraagd of er iemand anders was.
'Nee.'
'Weet je dat zeker?'
Ze was zo kwaad geworden dat ze het broodmes op het aanrecht had gegooid. Niet naar hem, zelfs niet in zijn richting. Het mes had tegen de rand van de snijplank getikt en was op de vloer gevallen. Ze had zich onmiddellijk geschaamd, vooral omdat de beweging het gesprek een dramatiek gaf die haar tegenstond.
Kees had het mes opgeraapt.
'Zo kunnen we niet praten,' had hij gezegd.
Ze had gehuild. Hij had zijn armen om haar heen geslagen en later iets warms voor hen gemaakt. Een week lang was hij voorzichtig geweest, zo voorzichtig dat ze zich bijna schuldig voelde omdat ze niet opgelucht was.
Toen had zij de bezichtiging geregeld.
Nu, aan haar keukentafel, streek Ada het oude dienstrooster glad. Ze had de bedragen destijds in hele euro's opgeschreven. Er stond een kleine fout in de optelling, tien euro, die ze nooit had gezien.
Ze vroeg zich af of ze het appartement werkelijk zou hebben genomen. Het was gemakkelijker geweest om naar een mogelijk leven te kijken dan om het hare uiteen te halen.
In december was Kees moe geworden. Eerst gewoon moe, zoals hij soms was na een lange wandeling. Daarna had de huisarts hem doorgestuurd. Er volgden afspraken, onderzoeken, uitslagen die ze thuis op papier probeerden te begrijpen. Het ging slechter, toen beter. Er was een middag waarop hij buiten op een bankje had gezeten en zijn ogen had dichtgedaan in de zon.
Ada had gedacht dat ze nog moesten leren ruzie te maken zonder meteen naar hetzelfde eindpunt te lopen.
In zijn laatste week had hij gevraagd of ze thuis zijn oplader wilde halen. De zwarte, niet de andere. Hij had haar daarna bij de hand gepakt.
'Gaat het een beetje met je?'
Ze had ja gezegd.
'Je ziet er moe uit.'
'Dat ben ik ook.'
'Straks slapen we een week.'
Dat was het laatste gesprek geweest waarin hij over straks sprak alsof het een plek was waar ze allebei naartoe zouden gaan.
Ze had hem niet meer over het appartement verteld. Soms voelde dat als een verraad aan hem. Vaker als een verraad aan zichzelf. Er waren ook dagen waarop ze blij was dat hij dat extra verdriet niet had hoeven dragen. Ze kon geen van die gevoelens lang vasthouden zonder dat een ander zich meldde.
Aan de keukentafel ging haar telefoon. Ze schrok zo dat de map van haar knie gleed.
Het was Eva niet. Het was een vrouw van de energiemaatschappij die een vraag had over het nieuwe adres.
Ada gaf de meterstand door die Willem voor haar had opgeschreven. Ze moest haar geboortedatum noemen en bevestigen dat zij de hoofdbewoner werd.
'De enige bewoner,' zei ze.
'Dat is goed,' zei de vrouw.
Ada wist dat het een administratief antwoord was. Toch bleef ze na het gesprek even zitten, met de telefoon in haar hand.