HOOFDSTUK 2 VAN 14
De wenteltrap
Het nieuwe appartement lag boven een voormalige drogisterij. Aan de buitenkant zat nog een klok waarop altijd kwart over twee was. De eigenaar had beloofd hem weg te halen voordat Ada de sleutel kreeg. Ze had gezegd dat hij geen haast hoefde te maken. Kwart over twee was een uitstekend tijdstip.
Binnen rook het naar verse kit en de citroenzeep van de vorige bewoner. Ada had de woonkamer al drie keer bekeken. Toch verbaasde de afmeting haar steeds opnieuw. In haar oude huis waren meubels op den duur een deel van de ruimte geworden. Hier moest ze uit lege lucht afleiden wat erin paste.
Willem stond op de overloop met een gereedschapstas die tegen zijn been sloeg. Hij droeg een trui die bij de ellebogen glom.
'Jij bent Ada.'
'En jij hebt de trap overleefd.'
'Het laatste stuk ging op karakter.'
Hij zette de tas neer en streek zijn haar plat. Derya had hem aanbevolen. In het kluscafé waar zij haar broodrooster had laten repareren, had Willem een lade rechtgehangen zonder daar eerst een hele beschouwing over te geven. Dat was volgens Derya een zeldzame kwaliteit.
Ada wees naar de muur waar de boekenplanken moesten komen.
'Ik wil ze laag. Zodat ik de bovenste plank ook kan gebruiken.'
Willem legde een duimstok uit. 'Hoe laag?'
'Hier.'
Hij maakte een potloodstreep op haar hoogte.
'Dat is een meter vijfenveertig.'
'Dat zal dan wel.'
Hij keek naar de streep en knikte. Ze had zich voorbereid op een gesprek over wat gebruikelijk was. Hij begon over de pluggen.
Terwijl hij de muur bekeek, liep Ada naar het balkon. Er paste een stoel op, misschien twee als je je benen onderling afsprak. Beneden bond een vrouw haar hond los van een fiets. De hond wachtte rustig, de vrouw niet. Ze zocht in twee zakken, hing haar tas over haar schouder, zette hem weer op de bagagedrager en trok tenslotte een sleutel uit haar mouw.
Ada kon hier uitkijken zonder zelf bekeken te worden. Het uitzicht bestond uit daken, een binnenplaats en de achterkant van een supermarkt. Ze had aan Eva verteld dat ze van daken hield. Dat klonk waardiger dan dat ze genoeg had van een tuin.
Kees was de tuin ingegaan met de bedoeling er vijf minuten iets aan te doen en kwam dan twee uur later binnen. Ada was er altijd direct met een taak in verdwenen. Er moest een kliko terug, iets van de lijn, een bal uit een struik. Wanneer ze ging zitten, zag ze wat er nog moest gebeuren. Kees had gezegd dat ze beter moest leren kijken.
'Is deze schakelaar ergens voor?' vroeg Willem.
Ada kwam terug. 'Voor dat stopcontact, geloof ik.'
'Dan zetten we daar de boor maar niet in. Anders moet jij de hele tijd het licht aanhouden.'
Hij haalde een verlengsnoer uit zijn tas. Ada vroeg of hij koffie wilde.
'Graag. Als het geen onderneming is.'
De waterkoker stond nog in een boodschappentas. Ze had twee mokken meegenomen, een pot koffie en een theelepel. Toen ze de tas uitpakte, bleek het de lange lepel te zijn die ze gebruikten voor augurken.
'Dat wordt zorgvuldig roeren,' zei Willem.
Hij nam de mok aan en ging op de vensterbank zitten. Ada bleef staan.
'Waar woon je nu?'
Ze noemde de straat.
'Dat huis met die blauwe regen?'
'Ja.'
'Mijn vrouw wilde die ook. We hebben een klimroos genomen. Om de een of andere reden krijg je bij zo'n compromis altijd een derde ding.'
Hij dronk. Ada wachtte of hij verderging.
'Ze is zes jaar dood,' zei hij. 'De roos doet het nog. Al heb ik hem vorig jaar bijna afgemaakt.'
'Veertien maanden,' zei Ada.
Ze hoefde niet te zeggen wie. Het getal klonk kaal in de kamer.
Willem zette zijn mok neer. 'Dan is het nog een heel gedoe.'
Hij zei het alsof hij het over de trap had. Ze vond dat prettig.
'Het is vooral veel spul.'
'Ja. Daar zat ik ook mee.'
Ada bekeek zijn gezicht. Hij had een kleine inkeping naast zijn mond waar zijn kinbaard niet groeide. Zijn ogen waren lichter dan ze aanvankelijk had gedacht.
'Wat heb je ermee gedaan?'
'Eerst verkeerd.'
Ze lachte. Hij ook, al leek hij een moment te overwegen of het wel grappig was geweest.
'Ik heb een doos servies aan mijn dochter gegeven die zij helemaal niet wilde. Ik was beledigd toen ze dat zei. Later heb ik de doos zelf naar de kringloop gebracht.'
'Was het mooi servies?'
'Nee. Dat hielp niet.'
Hij schoof van de vensterbank en pakte de duimstok weer.
Ada vouwde een stuk karton dubbel om onder de gereedschapstas te leggen. De vloer was nieuw en ze voelde zich daar onverwacht verantwoordelijk voor. In haar oude huis kenden krassen hun plaats. Hier zou iedere beschadiging met haar beginnen.
Willem legde uit dat hij één plank wilde ophangen om te zien of de afstand klopte. Ze hoefde niet meteen over alle vier te beslissen.
'Hoeveel boeken heb je?'
'Die van mij of die van het huis?'
'Dat is een ingewikkelde boekenkast.'
Ze dacht aan Kees' fotoboeken, zwaar en zo groot dat je er nauwelijks mee in een stoel kon zitten. Zelf las ze romans uit de bibliotheek. Wanneer ze er een kocht, zette Kees hem vaak tijdelijk op een stapel om ruimte te maken. Tijdelijk had bij hem lang kunnen duren.
'Vier planken is genoeg.'
Op weg naar huis kocht Ada bij de supermarkt een pak soep en een bos tulpen. Bij de kassa pakte ze uit gewoonte twee zakken pepermunt. Kees had ze overal laten rondslingeren: in zijn cameratas, tussen de autostoelen, in een la bij de batterijen. Ze zette er één terug en hield de andere vast.
Toen ze thuis de bloemen in een vaas zette, belde Eva.
'Hoe was die klusman?'
'Hij heet Willem.'
'Dat zegt niets over of hij een beetje zorgvuldig is.'
'Hij heeft de eerste plank opgehangen.'
'Eentje?'
'Om te kijken of de hoogte goed was.'
Eva zweeg. Op de achtergrond hoorde Ada Lot vragen waar haar gymtas was.
'Onder de kapstok,' zei Ada.
'Wat?'
'De gymtas. Vorige week lag hij onder de kapstok.'
Er klonk gerommel en toen zei Eva: 'Ja. Dank je.'
Ze praatten nog even over de vloer in de slaapkamer. Ada had groen uitgezocht voor de muur. Eva wilde weten welk groen. Ze zei dat ze een foto zou sturen, al wist ze niet hoe ze een foto moest maken van een kleur die nog in een blik zat.
'Ik kom zaterdag wel even langs,' zei Eva. 'Dan kijken we samen.'
Ada zette de vaas midden op tafel. 'Ik ga hem vrijdag schilderen.'
'O.'
'Het is een mooie kleur.'
'Dat zal vast.'
Er was niets onaardigs gezegd. Toch bleef het gesprek nog een tijdje in de keuken hangen nadat Ada had opgehangen.
Die avond schoof ze een stoel bij de doos met haar boeken. Ze haalde er de titels uit die ze wilde meenemen, zonder te bedenken of ze ze ooit nog zou lezen. Een boek over tuinieren ging terug. Een dunne atlas mocht mee. Ze had hem gekocht toen ze begon met rijden, omdat ze had gemerkt hoe weinig ze van de plaatsen buiten haar eigen streek wist. Toen ze hem jaren later weer uit de kast haalde, had Kees gezegd dat je tegenwoordig alles op je telefoon kon zien.
In de atlas zaten strookjes papier bij steden waar ze nooit was geweest. Ze liet ze zitten.