← Het gewicht van lege dozen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 7 van 14
  1. 1. De maat van de kast
  2. 2. De wenteltrap
  3. 3. Uit de selectie
  4. 4. Een ronde door de wijk
  5. 5. De vierde stoel
  6. 6. Het andere adres
  7. 7. Aan het aanrecht
  8. 8. Wat Eva meenam
  9. 9. Het gewicht
  10. 10. De lege kamers
  11. 11. Voor de opening
  12. 12. De foto bij het raam
  13. 13. Een tafel voor hier
  14. 14. Het gewone uur

HOOFDSTUK 7 VAN 14

Aan het aanrecht

Willem belde om te vragen of ze de tafel nog uit elkaar wilde laten halen. Hij kon volgende week donderdag of vrijdag. Op zaterdag moest hij zijn dochter helpen met een schutting.

'Vrijdag,' zei Ada.

'Om een uur of tien?'

Ze keek naar de agenda. Die dag stond er niets.

'Goed.'

'Je klinkt of ik een kies kom trekken.'

'Er is alleen een hoop tegelijk.'

Hij vroeg niet welke hoop. Ada was daar zo opgelucht over dat ze het juist vertelde: de avond bij Eva, het appartement waar ze eerder was gaan kijken, het gevoel dat ze haar kinderen iets had afgepakt wat zijzelf niet meer wilde bewaken.

Willem bleef stil aan de andere kant.

'Ben je er nog?'

'Ja. Ik zocht even een plek om te zitten.'

Hij had haar gebeld terwijl hij een brood kocht. Nu zat hij op een bankje buiten de winkel. Ada hoorde een scooter, stemmen.

'Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen,' zei hij.

'Dat hoeft ook niet.'

'Dat zeggen mensen vaak als ze het eigenlijk wel hopen.'

Ze glimlachte, ondanks zichzelf.

'Misschien hoop ik dat je iets weet wat ik nog niet weet.'

'Dat komt niet zo vaak voor.'

Ze spraken af dat ze woensdag bij hem zou eten. Hij maakte iets wat in een pan kon blijven staan; dan was een halfuur eerder of later geen ramp. Ze schreef zijn adres op de achterkant van een envelop. Na het gesprek had ze het gevoel dat ze te veel had verteld aan iemand die ze nog nauwelijks kende. Toch legde ze de envelop niet weg.

Willem woonde in een huis met een laag dak en een voortuin waarin meerdere planten volgens Ada al dood waren. Hij zei dat ze gewoon overwinterden. Het was april.

'Sommige doen daar langer over dan andere.'

In de keuken stond een kleine ronde tafel. Aan de muur hing een kalender van een molenstichting, nog op februari. Ada wees ernaar.

'Je hebt twee maanden tegoed.'

'Dat is goed nieuws.'

Hij draaide het blad om. Achter maart zat april met een andere molen die er bijna hetzelfde uitzag.

Ze dronken water terwijl het eten opwarmde. Willem vertelde over zijn dochter Karin, die in Deventer woonde en dingen in haar huis kon repareren waar hij zelf niet aan begon. De schutting was een uitzondering.

'Ik word nog af en toe gebruikt als iemand die iets kan vasthouden.'

'Dat is ook een vak.'

'Daar hoop ik dan maar op.'

Op een kastje stond een foto van een vrouw in een kano. Zij lachte naar iets buiten beeld, met haar peddel dwars voor zich.

'Lies?' vroeg Ada.

Willem knikte.

'Ze stuurde dat ding altijd expres de verkeerde kant op. Ik begreep nooit wat daar leuk aan was. Zij wel.'

Ada bekeek de foto. Ze voelde geen ongemak bij de aanwezigheid van de vrouw. Wel vroeg ze zich af of Willem hetzelfde zou voelen wanneer hij bij haar tussen Kees' foto's zat.

'Ik heb die kano nog twee zomers gehouden,' zei hij. 'Ik dacht dat ik er iets mee zou doen.'

'Heb je dat gedaan?'

'Er twee zomers tegenaan gekeken.'

Hij tilde het deksel van de pan. Er kwam een geur van tomaat en knoflook uit. Ada merkte dat ze honger had.

Tijdens het eten vertelde hij over zijn jaren op een technische school. Hij had jongens lesgegeven die in de eerste week al zeker wisten dat zij later veel meer zouden verdienen dan hij. Sommigen hadden gelijk gekregen. Een van hen had onlangs gratis zijn boiler gerepareerd en had erbij gezegd dat het nu wel weer genoeg was geweest met dat gezeur over huiswerk.

Ada vertelde over een man die elke dinsdag op dezelfde halte instapte en altijd vroeg of zij zeker wist dat de bus naar het ziekenhuis ging.

'Op een gegeven moment vroeg ik of ik hem ooit ergens anders had afgezet.'

'En?'

'Toen zei hij dat dat geen garantie voor de toekomst was.'

Ze lachten. Het was prettig om te merken dat ze nog iets kon vertellen wat de ander niet al kende. Ze had in haar huwelijk soms gevoeld dat verhalen bij voorbaat waren afgedaan. Zodra ze begon, wist Kees waar ze heen ging. Soms had hij haar dan geholpen met een naam. Soms had hij het einde alvast verteld.

Toen ze klaar waren, zette Willem de borden op het aanrecht. Ada stond op om mee te helpen. Hij gaf haar zonder protest een doek.

'Mag ik iets vragen?' zei hij.

'Je hebt me al binnen.'

'Was het ook fijn met Kees?'

Ada bleef even met de doek in haar handen staan.

'Ja.'

Ze keek naar de openstaande achterdeur, naar een tuin die rommeliger was dan de hare.

'Heel vaak.'

'Dat dacht ik.'

'Wat dacht je dan van wat ik je vertelde?'

Willem spoelde een bord af.

'Dat jullie twee mensen waren die lang samen hebben geleefd. Ik ken de rest niet.'

Ze vouwde de doek over de rand van het aanrecht.

'Ik ben bang dat ik hem nu alleen nog als een probleem laat klinken.'

'Dan vertel je morgen een andere kant.'

'Daar worden mensen ongeduldig van.'

'Sommige mensen.'

Hij zette de kraan uit.

'Lies heeft vlak voor ze ziek werd gevraagd of ik niet eens een heel weekend mijn mond kon houden. Dat vond ik toen ongehoord. Nu denk ik dat ze soms een punt had.'

Ada keek hem aan. Het ging hem zichtbaar moeite kosten om meer te zeggen.

'Ik heb achteraf veel gesprekken beter gevoerd dan toen,' zei hij.

Ze schoof een bord van het natte gedeelte naar het droge. Er was geen reden meer om dat bord aan te raken.

Toen ze wegging, liep hij mee naar haar fiets. Het was gaan motregenen. Onder de kleine luifel stonden ze zo dicht bij elkaar dat ze zijn adem langs haar wang voelde.

'Dank je voor het eten,' zei ze.

'Dank je voor het afdrogen.'

Ze bleef staan. Willem legde zijn hand tegen haar bovenarm.

'Mag dit?'

Ze wilde hem een grappig antwoord geven, iets waarmee ze de plotselinge ernst lichter kon maken. In plaats daarvan knikte ze.

De kus was kort en onhandig. Haar bril tikte tegen zijn wang. Willem lachte zacht en zette een stap terug, zodat zij ruimte had.

Ada wist onderweg naar huis niet of ze blij was. Ze was vooral opmerkzaam. De regen op haar handen, de lichtvlekken op straat, haar mond. Het was lang geleden dat haar lichaam iets had meegemaakt waarover ze nog geen oordeel klaar had.

Bij de voordeur rommelde ze met haar sleutels. Binnen stond de afdruk van haar bij de bus nog tegen de suikerpot. Ze legde hem plat, ergerde zich aan zichzelf en zette hem weer overeind.

De volgende ochtend werd ze vroeg wakker. Ze had gedroomd dat Kees naast haar zat in een trein en haar vroeg of ze wist waar ze moesten overstappen. Er was niets beschuldigends aan geweest. Hij had het eenvoudigweg willen weten.

Ze stond op en zette koffie. Daarna belde ze Willem.

'Ik weet niet of ik al ergens goed in ben,' zei ze.

'Waarin?'

'In dit.'

Hij was even stil.

'Ik ben ook uit de routine.'

'Dat merkte ik.'

Ze hoorde hem lachen. Zelf lachte ze mee, met haar voorhoofd tegen het koude keukenraam.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.