HOOFDSTUK 11 VAN 14
Voor de opening
Willem zette de tafel op woensdag in elkaar. Ada had die ochtend de sleutels ingeleverd. Het laatste papier was getekend aan een bureau met een schaal pepermuntjes erop; ze had er twee meegenomen. Willem had de tafel zondag al in elkaar proberen te zetten, maar één van de metalen verbindingsstukken was bij het verhuizen verbogen. Het vervangende stuk legde hij op de vensterbank, naast de post die nog naar het oude adres was gestuurd.
'Gerepareerd?' vroeg ze.
'Vervangen.'
'Dat klinkt minder indrukwekkend.'
'Het houdt beter.'
Ze hield het tafelblad op zijn kant terwijl hij de poten vastzette. Zijn overhemd trok open bij zijn buik. Ada keek ernaar en keek toen weg, hoewel er geen reden was om weg te kijken. Het was een buik. Ze had zelf ook een buik. Toch voelde ze zich betrapt toen hij opkeek.
'Iets mis?'
'Nee.'
'Je kijkt alsof ik een schroef overhoud.'
'Nog niet.'
Toen de tafel stond, schuifelden ze ermee door de kamer. Tegen de groene muur was het te donker, middenin kon de balkondeur niet helemaal open. Uiteindelijk stond hij schuin genoeg om ergerlijk te zijn en goed genoeg om eraan te kunnen eten.
'We kunnen hem inkorten,' zei Willem.
'Vandaag niet.'
Hij ging zitten op de stoel die bij de voordeur had gestaan. Ada zette koffie. Haar spullen hadden nog niet allemaal een vaste plek, maar de koffie stond al drie dagen in hetzelfde kastje. Ze vond dat vooruitgang.
'Ik ga morgen naar Karin,' zei Willem.
'O.'
'Er moet een hek worden gemaakt. De hond loopt weg.'
'Ze heeft toch een hek?'
'Ze heeft een hond die hoger springt dan gedacht.'
Hij bleef tot zaterdagmiddag. Ada hoorde zichzelf uitrekenen wat dat betekende: twee avonden en twee nachten waarin hij niet langs zou komen. Hij kwam ook anders niet iedere avond. Er was niets afgesproken. Toch zat ze met een soort teleurstelling waarvoor ze geen geschikte woorden had.
'De opening is zaterdag,' zei ze.
'Half vier. Dat weet ik.'
'Je hoeft je niet te haasten.'
Willem roerde in zijn koffie zonder suiker te hebben toegevoegd.
'Wil je dat ik kom?'
'Ik zei toch dat je niet—'
'Ik vraag iets anders.'
Ada keek naar de tafel. In het blad zat een lichte kring die onder het kleed nooit zichtbaar was geweest.
'Ja. Maar ik weet niet of ik de hele middag bij je kan staan.'
'Dat hoeft ook niet.'
'En Eva vindt het misschien moeilijk.'
'We kunnen elkaar gewoon gedag zeggen.'
Ze knikte. Het leek heel eenvoudig als hij het zo zei. Ze wist dat hij er zijn best voor deed; eenvoud was niet hetzelfde als onverschilligheid. Voor zijn dochter ging hij drie dagen een hek maken. Bij haar zat hij op een stoel waarvan de zitting doorzakte en wachtte tot ze een antwoord gaf.
'Ik vind het prettig als je er bent,' zei ze.
Hij zette zijn kopje neer.
'Dan kom ik.'
Die middag ging Ada naar De Brug. Tom stond in de grote zaal met twee stapels fotolijsten en een rol schildersplakband. Zijn leesbril hing aan een koord dat verstrikt zat in de knopen van zijn overhemd. Op een stoel lag een vel met de titel van de tentoonstelling. Een leven in beelden. Daaronder Kees' naam en de jaartallen van zijn leven.
Ada keek langer naar de jaartallen dan naar de titel.
'Goed zo?' vroeg Tom.
'Ja.'
'Ik heb het twee keer nagekeken. Je wilt niet weten wat er ooit met de datum van ons jubileum is gebeurd.'
Hij liet haar de opstelling zien. De foto's hingen op verplaatsbare wanden die gewoonlijk werden gebruikt om yogalessen van kinderactiviteiten te scheiden. Aan de onderkant van één wand zat een veeg blauwe verf. De zaal rook naar koffie en rubberen vloertegels. In een hoek oefende iemand op een accordeon. Steeds dezelfde vier maten.
'Die houdt zo op,' zei Tom.
'Hoe weet je dat?'
'Hij moet naar de tandarts.'
Ze hielp de foto's uit de beschermhoezen te halen. De voetbalvelden bij mist kwamen aan de lange wand. Daartegenover de vijver in de winter, twee straatgezichten, een portret van de man die vroeger de schoenen repareerde. Ada herkende zijn winkel, het bankje waarop ze had gezeten terwijl hij een gesp verving. Ze had niet geweten dat Kees hem had gefotografeerd.
'Dit is een goede,' zei ze.
Tom kwam naast haar staan.
'Kees was zelf niet tevreden over het licht.'
'Die man wel, denk ik.'
De schoenmaker hield een schoen vast en keek naar iemand buiten beeld. Zijn mond stond een beetje open. Hij leek iets uit te leggen waarvoor je eigenlijk veel langer in de winkel moest blijven dan je van plan was.
Tom zette het portret tegen de wand.
'Heb je al iets kunnen opschrijven?'
Ada haalde drie gevouwen vellen uit haar tas. Ze had de avond ervoor op de bank gezeten met een schrijfblok op haar knieën. Eerst had ze geprobeerd uit te leggen dat mensen ingewikkelder waren dan foto's. Dat klonk alsof de vereniging een fout had gemaakt door de tentoonstelling te organiseren. Daarna had ze geschreven over verlies. Het waren zinnen die ze overal had kunnen lezen en die niets vroegen van degene die ze opschreef.
Op het derde vel stonden zes regels over Kees die de eerste foto van Eva maakte terwijl de lensdop nog op de camera zat. Dat verhaal was waar, maar ze had het al zo vaak verteld dat ze hem nauwelijks meer zag wanneer ze het vertelde.
Tom las de vellen. Hij las langzaam en bewoog zijn lippen een beetje. Ada keek naar de foto van de schoenmaker.
'Je hoeft niet alles te zeggen,' zei hij.
'Ik weet niet wat er overblijft als ik niets hoef.'
Hij gaf de blaadjes terug.
'Je kunt ook gewoon één foto kiezen.'
'Dat is wel weinig voor een huwelijk van veertig jaar.'
'Het is een opening van tien minuten. Daarna moeten we al die glazen nog afwassen.'
Ze keek hem aan. Hij glimlachte, maar niet alsof hij haar moeilijkdoenerij wegwuifde. Hij was al weken bezig met de lijsten, de uitnodigingen, de parkeerplaatsen voor drie leden die slecht ter been waren. Misschien had hij niet zozeer een mooie tekst nodig als de zekerheid dat zij er zou staan.
'Ik wil niet dat het klinkt alsof wij altijd gelukkig waren,' zei Ada.
Tom streek met zijn duim over de rand van een lijst.
'Dat heb ik nooit gedacht.'
'O.'
'Kees klaagde wel eens. Jij zult ook wel eens geklaagd hebben.'
'Waarover klaagde hij?'
Tom keek naar haar en aarzelde. Ada voelde hoe snel ze iets van hem wilde: een laatste bewijs, een gesprek dat alsnog kon worden bijgewoond.
'Laat maar,' zei ze.
'Over gewone dingen. Dat jij al een kaartje voor iets had gekocht. Dat hij een weekend weg wilde terwijl jullie iets met de kinderen hadden. Ik heb het niet bijgehouden.'
'Nee.'
'We gingen dan meestal fotograferen.'
De accordeon zweeg. Door de plotselinge stilte hoorde Ada een karretje over de gang rijden. Ze legde de vellen op elkaar en vouwde ze zorgvuldig terug.
'De foto van mij bij de bus,' zei ze. 'Mag die bij het raam?'
'Daar valt het daglicht goed op.'
'Dan wil ik die daar.'
Ze hing de foto zelf op. Het haakje zat hoger dan ze met haar arm kon reiken. Tom haalde een stoel. Hij hield de rugleuning vast terwijl zij erop ging staan. Van dichtbij zag ze de fijne lijnen in de afdruk, de lichte plek op haar mouw, het rode licht bij haar schouder. Ze keek over de rand van de lijst de zaal in. Over drie dagen zouden hier mensen staan met jassen over hun arm. Sommigen zouden zeggen dat Kees een fijne man was geweest. Ze hoefde hun dat niet af te nemen.
Thuis schreef ze een nieuwe tekst. Het werd geen verslag van haar huwelijk. Ze beschreef een ochtend waarop een collega zich ziek had gemeld, een man die drie kwartier op haar had gewacht en een vrouw die niet graag te laat kwam. Daarna beschreef ze hoe ze samen de stad in waren gegaan. Ze stopte voor de zin waarin ze had willen uitleggen wat dat betekende.
Toen belde ze Eva.
'Ik ga iets vertellen bij die foto van mij,' zei ze. 'Over die dag. Je hoeft je geen zorgen te maken dat ik zaterdag ons gesprek ga navertellen.'
Eva zei niet meteen iets.
'Daar was ik inderdaad bang voor.'
'Dat snap ik.'
'En Willem?'
'Die komt waarschijnlijk kijken.'
'O.'
Ada liet de stilte even bestaan. Buiten werd een vuilnisbak met te veel kracht dichtgegooid.
'Hij helpt me soms,' zei ze. 'En ik zie hem ook omdat ik hem graag zie.'
'Dat dacht ik al.'
'Je hoeft zaterdag niets met hem.'
'Ik kan toch wel gewoon hallo zeggen?'
Ada lachte zacht.
'Dat zei hij ook.'
'Dan zijn we het daarover in elk geval eens.'
Later las Ada haar tekst nog één keer. Ze streepte drie woorden door en schreef er één bij. Daarna legde ze het vel in haar tas en ging naar bed. De klok op de gevel beneden stond nog altijd op kwart over twee. Ze had er bij het verhuizen naar gekeken en gedacht dat ze die zou laten maken. Nu wist ze niet wie daar eigenlijk over ging. Ze zou het Ria eens vragen.