HOOFDSTUK 2 VAN 14
Een stoel voor de foto
Vera paste de autogordel aan zonder iets te zeggen. Nelles bestelwagen had geen bekleding op de binnenkant van het portier. Ze had die er drie maanden eerder afgehaald omdat het raam slecht sloot, en daarna had ze er iets beters voor willen maken. Dat iets beters lag nog als een rol grijs vilt boven op een kast.
‘Hij is een beetje kaal,’ zei Nelle.
‘Hij rijdt toch?’
Ze reden langs het water naar de Buitenweg. De ruwe rand van het portier gaf bij elke bocht een droog rammeltje. Nelle dacht aan de caféstoelen en de nietjes die nog uit de onderkant moesten. Daarna dacht ze aan de foto’s. Ze wist heel goed dat Puck in haar haast de verkeerde stoel had kunnen kiezen. Moeilijker te begrijpen was dat Bram de deur had opengedaan en de fauteuil had opgetild zonder haar te bellen. Er was een verschil tussen iemand vertrouwen en ervan uitgaan dat alles van diegene beschikbaar was. Ze had het verschil nooit zo scherp willen bekijken.
‘Mijn dochter is fotograaf,’ zei ze. ‘Onder andere.’
‘Doet ze dat goed?’
‘Ja.’
‘Dan zou het een mooie foto kunnen zijn.’
Nelle keek opzij. Vera keek door de voorruit.
‘Maar u wilt hem niet gebruikt hebben.’
‘Dat zijn twee verschillende dingen.’
De Buitenweg was een straat die zijn naam had overleefd. Er stond nu een supermarkt achter het huis van Els en er liep een fietspad langs de tuin, maar toen Bram er was opgegroeid, had je achter de schuur nog weiland gehad. Hij vertelde dat graag. Hij vertelde het ook wanneer niemand naar buiten keek.
Els deed de deur open voordat Nelle had aangebeld. Ze had een schort aan over een nette broek, een combinatie waarmee ze al haar leven liet zien dat ze voorbereid was op zowel bezoek als bietensalade.
‘Daar ben je,’ zei ze. Haar blik schoof naar Vera. ‘O.’
‘Ik kom die stoel halen. Hij is van mevrouw Kooijmans.’
‘Natuurlijk. Komt u verder.’
Els stapte opzij en hield de deur wijd open. Ze was kleiner geworden, merkte Nelle. Niet in lengte misschien, maar in de manier waarop ze ruimte innam. Ze hield haar elleboog dichter bij haar lichaam. Nelle voelde een steek van bezorgdheid, direct gevolgd door irritatie omdat die bezorgdheid zo gemakkelijk de hele kamer kon overnemen.
De fauteuil stond voor het raam, naast een laag tafeltje dat Nelle kende. Ze had dat tafeltje jaren geleden opnieuw geschuurd, op een zondag waarop Bram de voetbal had willen zien. Op de zitting van de fauteuil lag een opgevouwen plaid. Op het tafeltje stond een vaas met drie takken.
Vera liep naar haar stoel en tilde de plaid op. Ze streek over de armleuning.
‘De naad zit goed,’ zei ze.
Nelle boog voorover. Geen vlekken, geen beschadiging. Een papieren kaartje hing met touw aan de poot. Ze draaide het om. K12.
‘Wat is dit?’ vroeg ze.
Els keek naar het kaartje. ‘Een nummer voor de lijst. Puck heeft alles genummerd.’
‘Deze stoel staat op een verkooplijst?’
‘Nee, die was voor het beeld. Dat zei Bram. Ik weet niet precies hoe dat werkt.’
‘Waarom hangt er dan een nummer aan?’
Els pakte het kaartje aan, alsof Nelle haar een bon had gegeven die moest worden gecontroleerd. ‘Misschien heeft ze het verkeerd begrepen.’
Vera ging in de stoel zitten. Ze zakte een beetje naar links, rechtte zich en legde haar handen op de armleuningen. Nelle had de rechter arm opnieuw vastgezet, maar nu zag ze pas hoe Vera die werkelijk gebruikte: niet als steun om comfortabel te zitten, maar om overeind te komen.
‘Deze hoogte is goed,’ zei Vera. ‘Lager kom ik niet meer uit zonder hulp.’
‘Hij is heel mooi,’ zei Els.
‘Hij is van mijn moeder geweest.’
Els knikte met de plechtigheid waarmee vrouwen van hun leeftijd elkaars moeders erkenden.
Terwijl Vera haar tas pakte, keek Nelle de kamer rond. Het vloerkleed was opgerold en tegen de kast gezet. Op de eettafel lagen stapels boeken. Er stonden gekleurde stickers op vazen, lampen, een tinnen schaal. De lage bank onder de klok had een gele sticker op de hoek. Nelle had de zitting drie winters geleden vervangen. Ze herinnerde zich de groene wol die Els had uitgezocht, en hoe Bram had gezegd dat het geld wel kwam wanneer de erfenis van een verre neef was afgehandeld. Er was inderdaad een neef overleden. Of zijn erfenis ooit was afgehandeld, wist ze niet.
‘Gaat alles weg?’ vroeg ze.
‘Niet alles. Er passen alleen niet zoveel spullen in de woning waar ik naar gekeken heb.’
‘Je had iets kunnen zeggen.’
‘Ik wilde wachten tot ik het zelf wist.’
‘Maar Bram weet het wel.’
Els legde het kaartje op tafel. ‘Bram is mee geweest.’
Het was een eenvoudige zin. Nelle kreeg hem toch niet meteen verwerkt. Vijf jaar gescheiden en soms vergat ze nog dat er een kring bestond waarin zij niet vanzelfsprekend hoorde. Bij verjaardagen deed ze de koffie. Als Els naar het ziekenhuis moest, reed zij. Als er een appartement werd uitgezocht, ging Bram mee.
Vera stond al bij de deur. Nelle liep met Els de fauteuil naar de gang, maar bij de drempel trok Els haar hand terug.
‘Mijn pols.’
‘Laat maar.’
Nelle zette de stoel neer. De gang was smaller dan ze had gedacht. Ze had hier vroeger kinderwagens doorheen geduwd, dozen kerstversiering gedragen en één keer Bram naar binnen geholpen toen hij zijn enkel had omgeslagen. Alles werd smaller als er een stoel door moest.
Een buurman in pantoffels kwam helpen. Hij zei dat hij toch buiten was, hoewel hij duidelijk uit zijn woonkamer kwam. Toen de stoel eenmaal in de bus stond, bleef hij nog een minuut vertellen over een fauteuil die hij zelf bezat. Nelle bedankte hem tweemaal voordat hij begreep dat de tweede keer afscheid betekende.
‘Kom je zondag?’ vroeg Els bij de voordeur.
‘Waarom?’
‘Eten.’
‘Ik weet het niet.’
‘Ik heb al vlees gehaald.’
Vera zat weer in de bus. Nelle hield haar hand op de deurstijl.
‘Er gaat blijkbaar van alles gebeuren. Misschien moeten we eerst praten.’
Els keek naar de stoep. ‘Dat lijkt me verstandig.’
Het klonk alsof ze op Nelle had gewacht.
Op de terugweg gaf Vera een adres op dat niet op de werkbon stond. Een straat bij het oude station. Nelle reed er zonder vraag heen, maar toen ze parkeerde voor een portiek met gele bakstenen, zei ze: ‘Daar woonden we vroeger om de hoek.’
‘Het is tijdelijk,’ zei Vera.
Nelle zette de motor uit. De stilte na het rammelen was haast een extra stoel in de cabine.
‘Is de stoel voor u?’
‘Ja.’
‘Ik dacht dat u iets over uw kleindochter zei.’
‘Zij heeft geholpen met zoeken.’
Het was zo. Vera had nooit gezegd dat de fauteuil voor haar kleindochter was. Nelle had een losse mededeling zelf afgemaakt en op de werkbon alleen het adres gezet dat ze al kende.
‘Ik ga een poosje hier wonen,’ zei Vera. ‘Mijn man blijft thuis. We moeten daar nog aan wennen.’
Nelle knikte. Ze vroeg niet waarom. Ze voelde wel een schaamte die groter was dan de fout met de stoel. Ze had de afgelopen ochtend vooral aan haar eigen last gedacht.
Het appartement lag op de begane grond. In de woonkamer stonden een smal bed, een campingtafel en een lamp waarvan het snoer met plakband was vastgezet. Twee dozen stonden open. Op één ervan had iemand met grote letters PANNEN geschreven; er zat een stapel handdoeken in.
‘Mijn kleindochter pakt enthousiast in,’ zei Vera.
Ze zetten de fauteuil bij het raam. Vera ging zitten en keek naar de lege muur tegenover haar. Er was niemand om te zeggen dat de stoel daar onhandig stond.
‘Zo,’ zei ze.
Nelle bleef staan met de verhuisdeken in haar armen.
‘Ik breng geen bezorgkosten in rekening.’
‘Dat was ik ook niet van plan te betalen.’
Vera keek haar aan en glimlachte voor het eerst.
Nelle trok het kaartje K12 uit haar jaszak. Ze had het op het laatste moment van Els’ eettafel meegenomen. Het touwtje hing er nog aan. Ze propte het diep in haar zak en beloofde dat ze de foto zou laten verwijderen.
Toen ze terugkwam bij de werkplaats, stond Bram tegen haar voordeur geleund. Hij hield twee broodjes in een papieren zak.
‘Ik had toch een gaatje,’ zei hij.