HOOFDSTUK 1 VAN 14
De lege plek
De stoel was weg, maar het stof stond er nog.
Nelle zag het toen ze met haar koffie langs de lange plank liep. Een vierkant van lichtere vloer, twee strepen waar de achterpoten hadden gestaan. De zandkleurige fauteuil had daar sinds dinsdag gestaan, precies buiten het bereik van de naaimachinekabel. Ze had er de vorige avond een oud laken overheen gelegd. Dat laken hing nu over de snijtafel.
Ze zette haar mok neer en keek naar de rest van de werkplaats. De zes eetkamerstoelen van café De Sluis stonden nog tegen de muur, met hun onderkanten naar het raam. Op de vloer lag het stukje zwarte singel dat ze gisteren niet had opgeraapt. Alleen de fauteuil ontbrak.
Aan de zijdeur zat geen beschadiging. Ze trok aan de kruk. Op slot. Het was een belachelijke opluchting; iemand die een sleutel gebruikte, kon net zo goed iets meenemen.
Ze pakte haar telefoon en opende het gesprek met Puck. Het laatste bericht was een foto van een roze lamp in een kringloopwinkel, met daaronder: Jij zou dit een wond noemen. Nelle had een duim teruggestuurd. Ze had eigenlijk willen antwoorden dat een wond meestal goedkoper was.
Nu typte ze: Heb jij de stoel opgehaald?
Zes minuten later had ze nog geen antwoord. Ze belde.
‘Hoi, mam.’
‘Ben jij hier geweest?’
Aan de andere kant hoorde ze een rits, toen iets wat op het neerzetten van een tas leek. ‘Gisteravond. Voor de foto’s. Dat had ik toch gevraagd?’
‘Welke foto’s?’
‘Voor oma. Die verkoop. Ik heb de stoel heel voorzichtig gedaan. Er zat een deken om.’
Nelle ging op de rand van de snijtafel zitten. Een nietje prikte door haar broek. ‘Welke stoel heb je meegenomen?’
‘Die lichte. Met die schuine arm. Hij stond klaar.’
‘Die is van een klant.’
Puck zei niets.
‘Je zou de berken stoel meenemen. Die bij de kast.’
‘Daar kon je niet op zitten.’
‘Dat wist je.’
‘Ik had iets nodig waar je op kon zitten.’
Nelle keek naar de deuropening, alsof ze Puck daar alsnog kon aantreffen, lang en beweeglijk, met een stoel op haar rug. ‘Waar is hij nu?’
‘In het huis. Bij oma.’
‘Breng hem terug.’
‘Ik heb vandaag dat gesprek in Meppel.’
‘Dan ga ik hem halen.’
‘Pap heeft de bus. Hij kan hem vanmiddag brengen.’
Daar was Bram, zonder dat ze hem had uitgenodigd. Hij had een talent om via andere mensen binnen te komen.
‘Hoe kwam je binnen?’ vroeg ze.
‘Met de sleutel.’
‘Welke sleutel?’
‘Mam.’ Nu klonk Puck moe, en dat was oneerlijk, want het was pas kwart over acht. ‘De sleutel van de zijdeur. Er zit zo’n rood ding aan. Die heb ik al jaren.’
Nelle zei dat ze later zou bellen en legde de telefoon neer. Ze had zich de verdwijning van de stoel enkele minuten lang kunnen voorstellen als een incident, iets met een onbekende. Een onbekende kon je buiten houden. Die had geen mening over je toon.
De rode sleutelkap was ooit een vis geweest. Puck had hem als kind uitgezocht bij een schoenmaker, een goedkoop rubberen geval waarvan eerst de staart en daarna de ogen waren afgebroken. Nelle had er nooit bij stilgestaan dat haar dochter hem nog gebruikte. In haar hoofd hoorde de sleutel bij een schooltas met een lekke drinkbeker.
Ze dronk de koffie op. Koud was te veel gezegd; hij had de temperatuur van een kamer waarin niemand zich prettig voelde.
Om negen uur kwam meneer Meijer van De Sluis de eerste twee stoelen halen. Hij had een nieuwe jas aan, een lichtblauwe die hem de gedecideerde uitstraling gaf van iemand die een boot ging bezichtigen.
‘Ze zijn prachtig,’ zei hij.
‘Het zijn dezelfde stoelen.’
‘Ja, maar toch.’ Hij drukte met zijn duim op de zitting. ‘En nou kunnen ze weer tien jaar?’
‘Als niemand erop gaat staan om de ventilator schoon te maken.’
Hij keek haar aan. ‘Dat is maar één keer gebeurd.’
Nelle hielp hem de stoelen door de voordeur. Buiten was de kade nog nat van de nachtelijke regen. De rivier was achter de geparkeerde auto’s niet te zien, maar ze rook hem: slib, blad, de vage zure lucht van stilstaand water tussen de stenen. Aan de overkant werd een gevel gewassen. Twee mannen in een hoogwerker waren langzaam bezig het verschil tussen boven en beneden zichtbaar te maken.
‘Alles goed?’ vroeg Meijer terwijl hij een spanband aantrok.
‘Ja.’
Ze had een gewoonte gemaakt van dat antwoord. Bij klanten was het efficiënt. Een zitting die verkeerd was gemeten, een gemiste levering, een verdwenen stoel: het hoorde allemaal achter de schermen te blijven. Mensen kwamen bij haar met wat thuis al niet meer goed zat.
Terug binnen nam ze de werkbon van Vera Kooijmans uit het rek. Fauteuil, zandkleurig, rechter armleuning los, plaatselijk herstel zitting. Geen nieuwe bekleding. Onder opmerkingen stond in Nelles eigen handschrift: liefst vrijdag, ophalen bellen.
Vandaag was vrijdag.
Ze belde Bram. Hij nam op met wind in de microfoon.
‘Die stoel moet terug,’ zei ze.
‘Goedemorgen, Nelle.’
‘Die fauteuil is van een klant.’
‘Dat heeft Puck al gezegd. Ik ben onderweg naar een klus. Vanmiddag.’
‘Hoe laat?’
‘Na drieën.’
‘Hij moet om één uur klaarstaan.’
‘Dan bel je toch dat het iets later wordt?’
Ze sloot haar ogen. Achter haar tikte de wandklok, een dun geluid dat ze pas hoorde wanneer ze iemand niet wilde horen praten.
‘Je neemt iets uit mijn werkplaats mee en ik moet de klant bellen?’
‘Puck had het met jou afgesproken.’
‘Niet die stoel.’
‘Dat kan gebeuren.’
‘Waar staat hij?’
‘In de voorkamer. Geen zon erop, geen koffie in de buurt, niemand is erop gaan zitten. Ik heb hem zelf neergezet.’
Dat laatste was bedoeld als garantie. Bram was goed met spullen. Hij kon een wasmachine een smalle trap op dragen zonder een muur te raken. Jarenlang had Nelle die vaardigheid verward met voorzichtigheid in het algemeen.
‘Waarom moest Puck daar foto’s maken?’
Een claxon klonk ver weg.
‘Van de spullen die mam niet meeneemt.’
‘Waarheen?’
‘Dat vertel ik je nog.’
‘Vertel het nu.’
Hij zuchtte. ‘Naar een appartement. Ze is wezen kijken. Er is nog niets definitief.’
‘En dat hoorde ik niet te weten?’
‘Natuurlijk wel. Er was nog niks te melden.’
Nelle keek naar de lichte plek op de vloer. ‘Blijkbaar genoeg om te fotograferen.’
Bram moest de snelweg op. Hij zou haar bellen. De verbinding werd verbroken voor ze kon bepalen of hij had gewacht op toestemming.
Ze had een halve dag werk aan de caféstoelen, twee afspraken en een rekening die vóór maandag betaald moest zijn. In plaats daarvan liep ze naar boven om haar jas te halen. De trap kwam uit in haar keuken. Ze bleef een ogenblik staan bij het raam boven de gootsteen. Hier had Puck vroeger haar ochtendbrood gegeten, met één been opgetrokken, terwijl Nelle beneden de deur al van het slot deed. Het huis en de werkplaats hadden nooit een duidelijke grens gehad. Zelfs de geur van lijm trok soms tot aan haar kussen.
Op het aanrecht lag de envelop met de jaarafrekening van de energie. Ze had hem gisteren geopend, het bedrag gezien en daarna onder een folder geschoven. Ze trok hem eronder vandaan en legde hem midden op tafel. Daar kon hij tenminste niet verdwijnen.
Toen ze beneden kwam, stond er iemand voor de etalage. Vera Kooijmans droeg een donkergroene regenjas en hield haar hand bij de ruit om naar binnen te kijken. Haar gezicht veranderde toen ze Nelle zag, van onderzoekend naar verontschuldigend, alsof kijken naar haar eigen stoel onbeleefd was.
Nelle deed open.
‘Ik ben vroeg,’ zei Vera. ‘Er viel iets uit.’
‘Komt u binnen.’
Vera keek langs haar heen naar de lange plank. ‘Hij stond daar.’
‘Ja.’
‘Is er iets mee?’
Nelle had kunnen zeggen dat hij nog in de achterruimte stond. Er was geen achterruimte, maar dat wist Vera niet. Ze kon haar koffie aanbieden, een tijdstip noemen, de ochtend gladstrijken.
‘Mijn dochter heeft hem meegenomen,’ zei ze. ‘Per ongeluk. Ik ga hem nu ophalen.’
Vera trok haar handschoenen langzaam uit. ‘Meegenomen waarheen?’
‘Naar een huis waar ze foto’s maakt. Er is niets mee gebeurd. Dat heb ik net nagevraagd.’
‘Heeft ze hem gefotografeerd?’
‘Dat weet ik nog niet.’
De vrouw knikte één keer. Haar mond werd smaller, maar ze verhief haar stem niet.
‘Ik had juist gevraagd of u even zou bellen.’
‘Dat klopt. Het spijt me.’
‘Ik wil niet dat er een foto van die stoel ergens staat.’
Nelle wilde zeggen dat niemand een stoel zou herkennen, maar ze hoorde de zin al voordat ze hem uitsprak. Ze had geen idee wie Vera Kooijmans kende. Ze wist alleen welke veer in haar fauteuil loszat.
‘Ik zorg dat die foto nergens gebruikt wordt.’
Vera deed haar handschoenen weer aan. ‘Dan ga ik met u mee.’