HOOFDSTUK 11 VAN 14
Wat een stoel waard is
De donderdag voor de verkoopdag kwam Els naar het atelier. Ze droeg twee kussens in een plastic tas. De tas was van een winkel die al lang niet meer bestond.
‘Deze horen bij de bank,’ zei ze.
Nelle nam ze aan. Ze had ze tegelijk met de groene bekleding gemaakt. In de hoes van één kussen zat een klein vlekje dat ze zich herinnerde: koffie, tijdens een verjaardag. Joop had toen nog geleefd, dacht ze. Nee, dat kon niet. De bank was pas veel later gedaan. Ze zette de gedachte terug op zijn plek.
‘Wil je koffie?’
‘Graag.’
Els keek naar de stoelen met prijskaartjes. ‘Verkoop jij nu ook van alles?’
‘Ik heb minder ruimte straks.’
‘Je gaat dus echt.’
‘Ja.’
Els liep naar de snijtafel en legde haar hand op het hout. Nelle had die tafel ooit samen met Bram gemaakt. Het blad was dik en zwaar, met een naad in het midden die ze altijd afdekte wanneer ze dunne stof knipte. Ze zou hem meenemen. Hij paste net, als één kast niet meeging.
‘Joop zou het jammer vinden,’ zei Els.
Nelle keek op.
Els schudde haar hoofd voordat ze kon antwoorden. ‘Dat had ik niet moeten zeggen.’
‘Nee.’
‘Ik mis hem gewoon nu er zoveel weggaat.’
Nelle schonk koffie in. Ze gaf Els de mok met het dunne oor, degene die ze altijd koos. Het was mogelijk om daar rekening mee te houden zonder meteen de rest van haar leven in te richten.
‘Ik ook,’ zei ze.
Ze praatten over Joop. Niet over wat hij zou hebben gevonden, maar over dingen die hij werkelijk had gedaan. De keer dat hij een kast in de verkeerde kleur had geverfd en wekenlang volhield dat het door het licht kwam. De wandelvakantie waarop hij zijn goede schoenen thuis had gelaten. Hoe hij Puck leerde zagen en daarna twee uur bezig was geweest haar kleine plankje recht te krijgen zonder dat ze het merkte.
Els lachte. Nelle zag hoe vermoeid ze was.
‘Je hoeft die verkoopdag niet helemaal zelf te regelen,’ zei ze.
‘Ik weet niet of ik erbij wil zijn.’
‘Dan ben je er niet.’
‘Dan denken mensen misschien dat ik er slecht aan toe ben.’
‘Die denken toch wel iets.’
Els nam een slok. ‘Je begint op je moeder te lijken.’
Nelle keek naar haar eigen handen. Haar moeder was twaalf jaar geleden overleden, op een leeftijd waarop niemand nog jong zei maar ook niemand oud. Ze had gewerkt in een wasserij en was thuis altijd met haar handen bezig geweest. Brood snijden, knopen aannaaien, etiketten uit kleding halen. Nelle had haar als kind weinig bezig gezien met iets wat alleen voor haarzelf was. Misschien had ze er later te veel zekerheid aan ontleend: zo deden vrouwen het blijkbaar.
‘Dat weet ik niet,’ zei ze.
Els wees op een stoel in de hoek. ‘Die rieten. Daar zat jouw moeder toch graag op?’
‘Ja.’
‘Die verkoop je ook?’
Nelle liep ernaartoe. De stoel was in feite oncomfortabel. Haar moeder had er graag op gezeten omdat hij bij de deur stond en ze daar haar sigaret kon roken zonder naar buiten te hoeven. Het was geen eigenschap van de stoel geweest.
‘Ja,’ zei ze.
Els knikte langzaam. ‘Dan doe ik misschien die grote spiegel ook weg.’
Ze keken allebei naar het riet. Er viel niets verstandigs meer over te zeggen.
Na Els’ vertrek kwam Vera een kleine envelop brengen. Ze had de knoop gevonden, of eigenlijk had haar kleindochter hem gevonden in een doos met naaigaren. Hij was donkerder dan de bekleding, omdat hij jarenlang uit het licht had gelegen.
‘Er hoort een andere bij,’ zei Vera. ‘Die is nergens.’
Nelle legde de knoop in haar handpalm. Hij was met dezelfde stof overtrokken, maar de kleur leek nauwelijks nog op die van de stoel. Ze kon er een tweede bij maken van een onzichtbaar stukje onder de zitting. Die zou ook afwijken.
‘Het wordt niet precies gelijk,’ zei ze.
Vera bekeek hem. ‘Dat is hij ook nooit geweest. Mijn moeder had hem zelf opnieuw overtrokken. De knoop, bedoel ik. Met de stoel bemoeide ze zich niet.’
Ze spraken af dat Nelle later zou komen kijken. Vera vroeg naar de verhuizing. De verkoopster van de bakker had blijkbaar meer mensen gesproken.
Nelle vertelde over de nieuwe ruimte.
‘Dan is de winkel niet meer onder uw huis,’ zei Vera.
‘Nee.’
‘Wat gaat u dan ’s avonds doen?’
Nelle lachte. ‘Waarschijnlijk nadenken over wat ik beneden had kunnen doen.’
‘Dat kan boven ook.’
Ze liepen samen naar de deur. Vera zag het berken stoeltje staan, dat Els inmiddels had gebracht. Nelle had er geen prijskaartje aan gehangen.
‘Die houdt u.’
‘Ja. Dat is mijn eerste.’
Vera boog zich een beetje voorover om de bloemetjes te zien. ‘Daar zit karakter in.’
‘Daar zit vooral een plooi onder.’
‘Die zie ik niet.’
‘Precies.’
Toen het donker werd, bleef Nelle alleen achter om de verkoopspullen klaar te zetten. Haar eigen stoelen zouden in Els’ garage staan, apart van de familie-inboedel. Gert had ingestemd, op voorwaarde dat de eigendom en prijzen duidelijk waren. Hij zou ook voor haar een vaste vergoeding rekenen. Ze had die vergoeding niet prettig gevonden. Ze had hem wel begrepen.
Op de lijst schreef ze bij elke stoel wat eraan moest gebeuren. Bij twee exemplaren was dat veel. Ze kon ze waarschijnlijk beter als opknapper verkopen dan nog meer vrije dagen aan ze besteden.
Ze belde Inge om te vragen of die zaterdag kwam.
‘Even,’ zei Inge. ‘Ik ga geen kas doen.’
‘Dat doet Gert.’
‘En ik ga ook geen spullen vervoeren.’
‘Bram heeft de bus.’
‘Dan kom ik graag.’
Nelle glimlachte. ‘Ik wilde alleen weten of je kwam.’
‘Ja,’ zei Inge. ‘Dat begint te wennen.’
De volgende ochtend bracht Bram de eerste lading naar Els. Hij zette de laadklep neer en wachtte terwijl Nelle haar lijst afvinkte. Ze voelde zich belachelijk met het klembord. Ze deed het toch.
Bij de laatste stoel trok Bram een verhuisdeken uit de bus.
‘Is deze van jou?’
Nelle herkende de rafelige zoom. Het was een deken van de stapel onder haar snijtafel. Hoe lang hij al in Brams bus lag, wist ze niet meer.
Ze nam de deken aan.
‘Ja.’
‘Ik dacht: eerst vragen.’
Ze keek hem aan. Hij glimlachte niet, of hooguit een beetje.
‘Dank je,’ zei ze.
Ze vouwde de deken op en legde hem op de snijtafel. De lege plek waar de fauteuil had gestaan, was nauwelijks nog te zien.