← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 9 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 9 VAN 14

Een mantel met twee knopen

Saar kwam vrijdag thuis. De dokter had gezegd dat ze later terug moest voor haar arm en dat er voorlopig weinig te zeggen viel over wat ze ermee zou kunnen. Mien hoorde het van Dina, die Ben uit de buurt van zijn moeders bed moest houden. Het jongetje wilde telkens weten of hij het verband mocht aanraken.

Mien ging er na het middaguur heen, met een pakje brood en de lijst van de nagekeken uren. Ze had het brood thuis in papier gewikkeld, had zich toen bedacht hoe Keet bij hen kwam met dingen die zogenaamd over waren en had het pakje weer opengemaakt. Uiteindelijk had ze het meegenomen in de boodschappentas. Ze wist niet waarom het ingewikkelder voelde om brood te brengen dan twintig gulden van de zaak.

Saar zat op een stoel die met kussens breder was gemaakt. Haar rechterarm lag hoog. De kamer rook naar kool, zeep en iets scherps uit een flesje. Op de vensterbank stond een autootje van hout, zonder achterwielen. Arie stond bij de kachel en probeerde een knoop door het te nauwe gat van Bens jas te krijgen.

‘Laat hem maar open,’ zei Saar.

‘Het is koud buiten.’

‘Dan doe je hem zijn sjaal om.’

Ben trok zijn schouder weg. Arie maakte de knoop eindelijk vast en zei dat ze even gingen wandelen. Hij liep langs Mien zonder haar te begroeten. Pas bij de deur draaide hij zich om.

‘Er hoeft vandaag niks getekend te worden.’

‘Ik kom niets laten tekenen.’

Hij keek naar het papier in haar hand. Mien legde het op tafel. Nadat hij vertrokken was, zei Saar dat hij slecht sliep.

‘Jij ook?’

‘Ik slaap wanneer ik niet wil. En als het moet, kan ik het niet.’

Mien zette haar tas naast de tafel. Het brood bleef erin. Ze wist niet waar ze zitten moest, tot Saar met haar kin naar de enige vrije stoel wees.

‘Kunt u mijn mouw even doen?’

De rand van de linkerblousemouw zat dubbel. Mien trok hem voorzichtig recht. Saar keek naar haar handen alsof het de handen van een derde persoon waren die iets voor haar kwamen verrichten.

‘Wat zegt het hotel?’ vroeg ze.

‘Dat het goed klaar moet.’

Saar glimlachte. Het was haar eerste glimlach sinds Mien binnen was.

‘Dat klinkt als die mevrouw.’

Mien vertelde dat De Kroon een deel had gekregen en de rest elders liet afmaken. Ze zei ook dat mevrouw Wilmer zich Saar herinnerde. Saar wilde weten of het om de kamers ging of om de kleden. Allebei, zei Mien.

‘Ze had gelijk over die randen,’ zei Saar. ‘Ze waren grauw. Dat zei ik tegen Antje. Die zei dat je het bij lamplicht niet zag.’

Ze keek naar haar arm. Haar gezicht werd ineens oud van vermoeidheid.

‘Het is raar waar je aan denkt.’

Mien schoof de lijst naar haar toe. Ze legde uit dat ze de uren opnieuw had bekeken, dat er geld ontbrak en dat ze voor sommige dagen nog moest weten hoe laat Saar gewerkt had.

‘U had toch een schrift?’

‘Daar stond het verkeerd in.’

‘Door Antje?’

Mien keek naar de namen op het vel. Ze kon de schuld nu heel gemakkelijk doorgeven. Antje had de uren opgegeven, Paul had de omschrijvingen bedacht, Rademaker had de kas bewaakt. Het was zelfs mogelijk dat Saar haar dan dankbaar zou zijn.

‘Ook door mij,’ zei ze. ‘Ik heb bedragen afgerond. En toen je zei dat het niet klopte, heb ik je laten wachten.’

Saar zei niets. Ze schoof met haar goede hand het vel een stukje dichterbij. Mien wachtte terwijl ze de regels las. Bij de tweede dinsdag hield ze op.

‘Hier kan ik niet meer wijs uit.’

‘Ik kan het voorlezen.’

‘Ik kan lezen.’

Mien trok haar hand terug.

‘Er staan drie soorten cijfers door elkaar,’ zei Saar. ‘Welke is nou van mij?’

Ze gingen de regels één voor één langs. Soms wist Saar de uren niet meer. Een donderdag was ze eerder weggegaan omdat Ben ziek was geweest; die correctie maakte het bedrag lager. Ze wees hem zelf aan. Op een andere avond had ze de vloeren nageveegd nadat de anderen weg waren. Mien schreef erbij dat Saar dat zei en dat zij het nog moest controleren.

Toen ze klaar waren, vouwde Saar het papier niet op. Ze hield het vlak op haar schoot.

‘Hoeveel krijg ik nu?’

Mien noemde het bedrag dat vaststond en daarna de nog onzekere som. Saar keek naar de tafel. Er lag een rekening onder een leeg kopje. Ze hoefde die niet te lezen om te weten dat ieder bedrag al ergens naartoe moest.

‘Arie wil dat ik dat aanbod neem,’ zei ze.

‘Welk aanbod?’

‘Paul is gisteren in het ziekenhuis geweest. Ze kunnen voorlopig iedere week iets geven. Als we geen dingen zeggen waar we later spijt van krijgen.’

‘Heeft hij dat zo gezegd?’

‘Niet zo. Maar ik ben niet doof als iemand beleefd praat.’

Mien voelde woede, maar ze wist niet hoe ze die kon laten zien zonder het gesprek van Saar over te nemen. Ze vroeg wat Saar zelf wilde.

‘Dat ze opschrijven dat ik daar werkte.’

‘Dat heb ik gezegd.’

‘En dat het niet mijn goed was dat ik nog even kwam strijken. Ik heb daar geen eigen lakens liggen. Ik heb thuis twee stellen en allebei zijn ze dun.’

Mien knikte.

‘Ik ga ook zeggen dat ik wist dat het niet hoorde, zo laat,’ vervolgde Saar. ‘Anders denkt u straks dat u dat voor me moet verstoppen. Ik wist dat. Ik wilde geld verdienen. Arie krijgt geen werk en Ben moet eten. Dat maakt me nog niet iemand die zelf zomaar aan een machine gaat staan.’

Ze trok haar blouse bij de hals los. Het was warm in de kamer en toch hield ze haar voeten onder een deken.

‘Antje zegt dat ze riep dat ik moest wachten,’ zei Mien.

Saar sloot haar ogen. Mien had spijt dat ze het gezegd had.

‘Ze heeft iets geroepen. Iedereen riep. Daarvoor zei ze dat ik door moest.’

Mien pakte haar potlood, bedacht zich en legde het neer. Dit was geen ondervraging die zij hoorde af te nemen. Ze zei dat Koster haar waarschijnlijk zelf zou spreken en dat Saar hem moest vertellen wat ze zich herinnerde, ook als het niet overal precies bij paste.

‘Komt u dan ook vertellen wat u zich herinnert?’ vroeg Saar.

‘Ja.’

Het antwoord was snel. Ze liet het staan.

Toen Mien vertrok, gaf ze het brood. Saar nam het aan, keek naar de papieren wikkel en vroeg of Mien ook een stuk wilde. Ze sneed twee boterhammen met haar linkerhand, langzaam en onhandig. Mien bood geen hulp aan. Ze wachtte tot Saar klaar was en nam de scheve boterham die haar werd toegeschoven.

Bij de deur zag ze de mantel hangen, met de twee laag vastgezette knopen. Ze dacht aan het loonzakje waarmee het allemaal begonnen was. Saar had toen al precies gezegd wat er nodig was: anders opschrijven. Mien had alleen niet begrepen hoeveel andere dingen daarvoor mee moesten veranderen.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.