HOOFDSTUK 5 VAN 14
De verklaring
De volgende ochtend zat haar vader aan de keukentafel toen Mien beneden kwam. Hij had zijn jas al aan. Voor hem stond een onaangeroerde kop thee. Toen zij in de deuropening verscheen, vroeg hij of het waar was.
‘Wie heeft het u verteld?’
‘Bram kwam langs.’
Ze ging zitten. Haar handen roken naar de zeep waarmee ze ze voor het slapen had gewassen. Ze had meer dan een uur boven op de rand van haar bed gezeten, nog met haar kleren aan, en was uiteindelijk in slaap gevallen zonder de speld uit haar haar te halen.
‘Ze is in Broekstad. Haar arm is verwond. Meer weet ik niet.’
Haar vader hield zijn mond stevig dicht. De vlek vet onder zijn nagel was verdwenen.
‘Bij die mangel?’
Mien knikte.
‘Hoe is het gegaan?’
‘Dat weet ik niet precies.’
‘Bram zei dat ze ergens naar greep.’
‘Dat heb ik niet gezien.’
‘Hij stond erbij.’
‘Ik ook.’
Hij keek op en toen weer naar de tafel. Mien begon te huilen voordat ze wist dat het eraan kwam. Het waren korte, hinderlijke snikken, alsof haar lichaam telkens op een trede stapte die er niet was. Haar vader trok de krant onder haar handen vandaan omdat hij bang was dat de inkt zou afgeven. Daarna legde hij zijn hand op haar schouder.
‘Je moet even eten,’ zei hij.
Ze schudde haar hoofd. Hij sneed toch een boterham af. Ze at de helft terwijl hij tegenover haar bleef zitten met zijn jas aan.
Om negen uur stond Mien in het ziekenhuis. Ze had zich bij de wasserij gemeld, gezegd dat ze naar Broekstad ging en een voorschot meegenomen waarvoor Cornelis Rademaker zijn handtekening had gezet. Twintig gulden in een witte envelop. Ze hield hem in haar tas als iets breekbaars.
De zuster liet haar wachten bij een raam dat op een binnenplaats uitkeek. Aan de overkant werden matrassen gelucht. Een man in een witte jas stond een tijd naar de lucht te kijken. Mien vroeg zich af of hij ook op iets wachtte, maar toen draaide hij zich om en ging weer aan het werk.
Arie kwam uit een gang met een kommetje dat hij op een tafel zette. Hij had zich niet geschoren. De haren langs zijn kaak stonden schuin, alsof hij eraan getrokken had.
‘Ze slaapt.’
‘Hoe is het?’
‘Ze hebben gedaan wat nodig was.’
Hij zei het op de toon van iemand die dezelfde zin al te vaak had gehoord. Mien nam de envelop uit haar tas. Arie keek ernaar zonder hem aan te nemen.
‘Van de wasserij. Voor wat er nu nodig is.’
‘Wat schrijft u erbij?’
‘Voorschot.’
‘Op wat?’
Ze had daar geen antwoord op. Op loon, had ze gedacht. Op kosten. Op de tijd die Saar niet zou kunnen werken. Rademaker had alleen gezegd dat ze het maar moest meenemen en later zouden ze verder zien.
‘Voor Saar,’ zei ze.
Arie pakte de envelop. Hij trok hem open en telde het geld, precies zoals zijn vrouw haar loonzakje opende. Mien hield haar ogen op het raam gericht tot hij klaar was.
‘U hebt het diner nog op tijd zeker.’
‘De mangel staat stil.’
‘Dat zal die mevrouw van het hotel vervelend vinden.’
Hij stak het geld in zijn binnenzak en ging voor de deur staan. Mien begreep dat zij Saar niet zou zien. Ze zei dat ze later terugkwam. Arie haalde zijn schouders op.
In de tram terug zat een vrouw naast haar met een mand waarin iets bewoog. Twee konijnen, zag Mien toen de doek verschoof. De vrouw aaide met haar wijsvinger over een oor en vertelde dat ze ze niet goed kon gebruiken, maar haar zuster misschien wel. Mien knikte. Ze kon niet uitleggen dat ze op dat ogenblik geen enkel gewoon gesprek verdragen kon, terwijl ze er tegelijk graag naar luisterde.
Bij de wasserij was de poort open. Alles leek hetzelfde. De kar stond onder het afdak, de strijkkamer was in bedrijf, boven de ketelruimte hing een lichte damp. Alleen in de mangelzaal was het stiller. De oude machine was met een doek afgedekt. Daardoor zag ze er plotseling kleiner uit.
In het kantoor wachtte Paul met twee vellen papier. Een ervan lag voor haar stoel.
‘We moeten opschrijven wat er gebeurd is.’
Mien hing haar tas op en ging zitten. Het vel was in Pauls handschrift gesteld. Saar van Dalen, las ze, die na beëindiging van haar dienstverband nog enkele werkzaamheden in huis verrichtte, was op de betreffende avond in het bedrijf aanwezig om werk af te halen.
Mien las de zin opnieuw.
‘Ze kwam geen werk afhalen.’
‘Ze was er voor de partij van het hotel.’
‘Ze stond aan de mangel.’
‘Dat staat verderop.’
Verderop stond dat zij zich bij de machine had gevoegd en, in afwijking van de aanwijzingen, een handeling had verricht waarbij zij gewond was geraakt.
‘Welke aanwijzingen?’
Paul keek naar het andere vel. ‘Dat moet Antje nog aanvullen.’
‘Dan kun je het niet opschrijven alsof het al zo is.’
‘Het is een eerste versie.’
Ze schoof het vel van zich af. Hij trok het weer naar het midden van de tafel, zodat het tussen hen in lag.
‘Mien, ik vraag niet of je iets verzint. We moeten vastleggen wat we weten.’
‘Dan moet er staan dat ze hier werkte.’
‘Ze staat niet in het personeelsregister.’
‘Omdat wij haar eruit hebben gehaald.’
Hij zweeg. Ze hoorde het krassen van een bezem in de gang. Juffrouw Van Oort veegde altijd eerst langs de plinten; je kon haar voortgang volgen aan de kleine tikken tegen het hout.
‘Als je het zo zegt,’ begon Paul.
‘Hoe moet ik het anders zeggen?’
Hij ging staan en deed de deur dicht. Toen hij terugkwam, bleef hij achter zijn stoel staan. Hij was nog nooit zo duidelijk de zoon van zijn vader geweest: dezelfde stand van het hoofd, dezelfde hand op de rugleuning, alsof een gesprek ook een tafel was die hij kon verplaatsen.
‘Er zullen mensen komen kijken. Ze zullen vragen waarom er zo laat vrouwen werkten en hoe die betaald werden. Dat weet jij net zo goed als ik. Het bedrijf kan niet nog meer verliezen hebben.’
Mien keek naar de blauwe kaft onder de inkomende post.
‘Dat schrift moet straks bij de stukken voor het huiswerk,’ zei hij. ‘Anders lijkt het alsof we twee loonboeken hebben.’
‘We hebben twee loonboeken.’
Hij kneep in de rugleuning. Voor het eerst zag ze woede in zijn gezicht, zonder dat hij zijn stem verhief.
‘We hebben geprobeerd mensen aan het werk te houden.’
Ze wist hoe weinig het hielp dat hij daarin gelijk had. Zonder het late werk zou Saar nog minder hebben verdiend, zou Dina de kosten van de reis van haar zoon niet hebben kunnen betalen, zou Mien zelf misschien al langer alleen op de lessenaar hebben gezeten zonder genoeg geld om de officiële loonzakjes te vullen. Het was allemaal waar en geen ervan veranderde wat er op het papier stond.
Mien pakte haar pen. Paul ging langzaam weer zitten.
Ze trok een streep door de woorden werk af te halen. Daarboven schreef ze: werkzaamheden te verrichten. Ze schrapte ook in afwijking van de aanwijzingen.
‘Meer kan ik niet tekenen,’ zei ze.
Paul nam het vel aan. Hij keek zo lang naar de verbeteringen dat Mien begon te twijfelen of ze duidelijk genoeg had geschreven.
‘Vader moet dit zien,’ zei hij.
Ze knikte. Toen hij de kamer uit was, haalde ze het blauwe schrift van de stapel en legde het in de la die zij met een kleine sleutel kon sluiten. Ze had die la nog nooit op slot gedaan. Het slot moest twee keer worden bewogen voor het pakte.