← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 2 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 2 VAN 14

Een onderdeel in een doek

Haar vader had de aardappels al geschild. Ze lagen glad en bleek in een pan op het aanrecht. Mien pakte de dikke schillen uit de bak en schudde haar hoofd. Van drie kleine aardappels was weinig over.

‘Straks eten we de schillen en geven we de rest aan de kippen.’

‘Dan nemen we kippen.’

Hij zat bij het raam met een krant van zaterdag op zijn knieën. Het schuin vallende licht maakte de haren op zijn handen bijna wit. Zijn overhemd was schoon, maar onder de nagel van zijn rechterduim zat vet.

Mien zette de pan op het vuur. Ze had haar hele weg naar huis gedacht aan hoe ze het zou vragen. Nu ze in de keuken stond, wist ze alleen dat ze niet met de nagel moest beginnen.

‘Rademaker is naar de bank geweest.’

Haar vader maakte een geluid dat van alles kon betekenen.

‘Hij vroeg of u met de kolenboer wilde praten.’

‘Waarom?’

‘Omdat u elkaar kent.’

‘Ik ken de burgemeester ook. Die leent me zijn fiets nog niet.’

Mien hing haar mantel aan de haak naast de deur. De mantel van haar moeder hing er al jaren niet meer, toch liet ze die ene haak meestal vrij. Haar vader had er deze winter een pet aan gehangen. Zij had de pet naar de kapstok verplaatst, zonder iets te zeggen. Hij had hem teruggehangen.

‘Ze laten 's avonds vrouwen terugkomen,’ zei ze.

Hij vouwde de krant dubbel.

‘Dat weet ik.’

‘Hoe weet u dat?’

‘Ze hoeven hun voeten niet thuis te laten. Ik zie mensen lopen.’

‘U bent er geweest.’

Hij keek naar de pan. Er kwam nog geen damp af. In het huis was het stil genoeg om het tikken van de deksel tegen de rand te horen wanneer Mien hem goed legde.

‘Bram had ergens hulp bij nodig.’

‘Bij de ketel?’

‘Bij iets kleins.’

Ze draaide zich om. Hij zag de vraag en streek met twee vingers over zijn knie.

‘Die oude mangel heeft een onderdeel dat telkens wegloopt. Een aanslag. Je hoeft me niet zo aan te kijken, ik heb er mijn hand niet tussen gestoken.’

‘Hoe lang bent u gebleven?’

‘Lang genoeg om te kijken.’

Mien zette twee borden op tafel. Een van de borden was van haar moeder geweest, met een blauwe bloem waarvan een blaadje ontbrak. Ze gaf dat altijd aan haar vader, omdat hij minder morste wanneer de rand omhoogliep.

‘En hebt u gekeken of gewerkt?’

‘Wat wil je nu horen, Mien?’

Ze wilde horen dat hij er niet meer heen zou gaan. Hij was vierenzestig, hij hoestte de hele winter en de lange wandeling naar de wasserij kostte hem soms een halfuur. Ze wilde ook weten of hij er geld voor had gekregen. Sinds mei was zijn kleine wekelijkse bedrag uit de zaak onregelmatig gekomen. Rademaker noemde het een tegemoetkoming voor de jaren. Haar vader noemde het loon, hoewel hij geen vaste uren meer maakte. Mien gebruikte geen van beide woorden. Ze schreef bedragen in haar huishoudboek en liet de omschrijving leeg.

‘We kunnen het zonder doen,’ zei ze.

‘Dan kun jij het zonder doen. Jij betaalt hier alles.’

‘U hebt het vroeger betaald.’

‘Vroeger is tegenwoordig een flinke inkomstenbron.’

Hij lachte om zijn eigen zin, begon te hoesten en wees kwaad naar haar toen ze een glas water nam. Ze zette het glas toch neer. Het bleef onaangeroerd staan tot de aardappels kookten.

Na het eten haalde hij uit de la van de keukenkast een doek. Hij vouwde hem uit met de nauwkeurigheid waarmee hij vroeger zondags zijn scheermes had klaargelegd. Er lag een klein metalen onderdeel in. Aan de rand was het afgesleten; op één plek blonk een verse vijlstreep.

‘Dit is het oude,’ zei hij. ‘Ik heb er iets in gezet wat even houden kan. Er hoort een nieuw stuk in.’

‘Hebt u dat gezegd?’

‘Tegen Bram. Tegen Paul ook.’

‘En?’

‘En Paul heeft veel aan zijn hoofd.’

Mien pakte het onderdeel niet op. Ze was bang dat haar vader dan zou uitleggen hoe het werkte, waar het in hoorde en waarom er eigenlijk niets mis kon gaan. Dat deed hij altijd wanneer ze bezorgd was: hij maakte haar bezorgdheid kleiner door er woorden aan toe te voegen die ze niet kende.

‘Schrijf het op,’ zei ze.

Hij keek haar aan.

‘Dat het vervangen moet worden. Dan geef ik het aan hem.’

‘Heb jij me wel eens een rekening zien schrijven?’

Ze dacht aan zijn naam, in grote ongelijke letters op de achterkant van de huurbewijzen. Hij kon de krant lezen, zij het langzaam, en hij kon alles bij elkaar optellen wat in een machine passen moest. Een brief schrijven liet hij aan haar over. Sinds haar moeder dood was, schreef Mien ook de kaarten aan zijn zuster. Dan zei hij wat erop moest, trok de woorden terug omdat ze te deftig klonken en tekende uiteindelijk alleen Gerrit.

‘Ik kan het opschrijven,’ zei ze.

‘Dan lijkt het of ik kom klagen.’

‘U komt zeggen dat iets stuk is.’

‘Het is al jaren bijna stuk.’

Ze sloeg de theedoek uit over de tafel. Haar vader keek naar de witte stof, alsof hij zich pas nu realiseerde waar ze allebei de hele dag mee bezig waren.

Toen ze zeventien was, had hij haar meegenomen naar de wasserij om haar voor te stellen aan de oude juffrouw De Ridder, die de administratie deed. Haar moeder lag die winter veel in bed. Er moest een loon bij. Mien had gedacht dat ze aan de strijktafels zou komen. Juffrouw De Ridder had haar een rijtje bedragen laten optellen en daarna een andere som gegeven waarin opzettelijk een dubbeltje ontbrak. Mien had het dubbeltje gevonden. Vanaf dat moment zat ze aan de lessenaar.

Haar vader had er op zondag tegen zijn vrienden over verteld. Mijn dochter werkt op kantoor, had hij gezegd. Voor hem was kantoor een plaats waar de handpalmen schoon bleven en een mens niet schor naar huis hoefde.

Mien ging nu naast hem zitten. Ze nam een vel uit het kleine doosje waarin ze papier bewaarde en schreef de datum. Haar vader schoof het metalen onderdeel terug op de doek.

‘Ik heb ze gewaarschuwd,’ zei hij.

‘Dat schrijf ik niet. Ik schrijf dat er een nieuw onderdeel moet komen.’

Hij dicteerde drie zinnen. Mien schreef ze op en las ze voor. Hij verbeterde één woord, liet het nogmaals voorlezen en zette onderaan zijn naam. De G begon groter dan hij had gewild. Hij probeerde de rest van de letters erbij te laten passen.

‘Geef het alleen aan Paul,’ zei hij. ‘Die oude heeft al genoeg zorgen.’

Mien vouwde de brief dubbel. Het vel paste precies in haar handtas. Haar vader keek haar na toen ze naar de kapstok liep.

‘Als ze dat werk niet aannemen, is het ook gedaan,’ zei hij.

‘Dat weet ik.’

‘Jij met je schriftjes denkt soms dat je alles recht kunt krijgen.’

‘Iemand moet ze bijhouden.’

Hij knikte, nam het glas water en dronk het in één keer leeg.

Later die avond bracht buurvrouw Keet een half brood dat volgens haar anders oud zou worden. Het brood was nog warm vanbinnen. Mien nam het aan en hoorde haar vader in de kamer vragen of Keets man de voetbal al had gehoord. Keet antwoordde zonder binnen te komen. Niemand zei iets over het brood.

Toen ze vertrokken was, sneed Mien twee dikke plakken af voor de volgende ochtend. Onder haar nagel bleef een donkere korst zitten. Ze dacht aan de vetvlek onder de nagel van haar vader en veegde haar handen af aan haar schort.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.