HOOFDSTUK 13 VAN 14
De achterkamer
In de eerste week van december kreeg Mien werk bij de kolenhandelaar. Drie ochtenden, voorlopig. Zijn vrouw deed gewoonlijk de boeken, maar was na een val niet goed in staat om de trap naar het kantoor te nemen. Mien moest achterstallige rekeningen ordenen, de gewichten van de vrachten vergelijken en klanten schrijven die al drie herinneringen hadden gekregen.
‘U weet hoe het gaat,’ zei de kolenhandelaar.
Hij heette Vink en had een rode sjaal die hij ook binnen omhield. Hij zag haar naar de woorden derde herinnering kijken en grijnsde.
‘Bij Rademaker laat u het maar aan mij over.’
Mien werkte aan een tafel die te laag was. Haar knieën pasten er niet goed onder, zodat ze schuin op de stoel zat. Na de tweede ochtend vroeg ze om twee blokken hout. Vink keek alsof ze om nieuw meubilair vroeg. De volgende dag stonden de blokken er. Ze tilde de tafel samen met zijn knecht op en kon daarna recht zitten.
Haar vader vroeg elke middag wat ze gedaan had. In het begin gaf ze uitvoerige antwoorden, omdat hij zich anders teleurgesteld toonde. Na een week zei ze dat ze rekeningen had geschreven en dat dat het was. Hij knikte. Het was een opluchting dat hij er geen verhaal van maakte.
Zijn bedrag van de wasserij kwam niet meer. Mien had de huishoudlijst opnieuw gemaakt. Het vlees verdween eerst, daarna het kleine bedrag dat ze opzijzette voor kolen voor zichzelf. Vink stond toe dat ze brandstof per week betaalde, wat zij gemakkelijker aannam nu ze er werkte. Er waren dagen waarop ze vond dat ze daarmee precies geworden was wat ze anderen had verweten: iemand die afhankelijkheid netjes in een boekje zette en er een andere naam aan gaf.
Dan stond ze vroeg op, trok haar mantel aan en ging toch.
De wasserij werkte nog op beperkte schaal. De meeste klanten waren overgegaan naar Broekstad. Het sorteren en bezorgen gebeurde voor een deel vanuit het oude gebouw. Bram was gebleven om de installaties buiten gebruik te stellen en de kar te onderhouden. De oude mangel zou worden afgevoerd zodra er een koper voor het metaal was. Cornelis kwam nog dagelijks, maar zat vaak in zijn kantoor zonder iets te doen dat Mien kon benoemen.
Zij kwam er tweemaal om bedragen na te kijken en eenmaal om haar laatste spullen op te halen. Het kopje was door iemand in een kast gezet. Op de bodem lag een verdroogde laag thee. Ze nam het mee, waste het thuis uit en vond het daarna lelijker dan ze zich herinnerde.
Antje werkte inmiddels vier dagen in Broekstad. Ze kwam zo laat thuis dat haar man de aardappels moest opzetten. Ze vertelde het aan Mien alsof het een schandaal was en lachte toen Mien vroeg of hij ze dik schilde. Antje zag er moe uit. De reis kostte geld en bij het nieuwe bedrijf moest ze opnieuw bewijzen wat ze al twintig jaar kon.
Truus had nog geen vaste plaats. Dina deed schoonmaakwerk en was beleefd wanneer zij Mien op straat tegenkwam. Meer niet. Elisabeth van Oort stuurde een kaart met een vraag over het resterende loon. Haar handschrift was steviger dan Mien had verwacht.
Op een donderdag kwam Saar bij hen thuis. Ze had een brief bij zich en een tas met kousen. Ben liep naast haar en weigerde binnen zijn muts af te doen. Gerrit gaf hem een lepel en een lege sigarenkist. Ben keek wantrouwig naar het aanbod en begon toen een ritme te tikken op de vloer.
Mien las de brief voor. Er werd gevraagd of Saar een eerder gegeven verklaring wilde aanvullen en of zij nog wist wie haar op de avond van het ongeval opdracht had gegeven om door te werken. Saar onderbrak haar halverwege.
‘Daar staat het weer alsof er één man met zijn vinger naar mij wees.’
Mien legde het vel neer. Ze vroeg Saar te vertellen hoe het was gegaan. Saar beschreef de stapel, Antjes woorden, Miens aanbod om over te nemen en Arie bij de poort. Bij een paar dingen moest ze nadenken. Ze wilde niet opschrijven dat ze bang was geweest voor de machine, want ze was die avond niet bang geweest. Ze was moe geweest en kwaad omdat ze naar huis wilde. Mien schreef die woorden op.
Gerrit luisterde vanaf zijn stoel. Toen Saar klaar was, zei hij dat het hem speet. Hij zei geen naam, zodat even onduidelijk was wie hij bedoelde. Saar keek naar hem.
‘Omdat u eraan hebt gewerkt?’
Hij knikte.
‘Dat kan ik niet beoordelen,’ zei ze. ‘Dat moeten die mensen doen die het begrijpen.’
Het was geen vergeving. Mien zag dat haar vader het toch als een kleine verlichting ontving. Hij boog zich naar Ben en hielp hem de kist dicht te maken. Het kind had zijn muts nog op.
Saar haalde de kousen uit haar tas. Ze had geprobeerd ze met haar linkerhand te stoppen, maar de steken werden te groot. Sommige gaten waren met een bobbel dichtgezet die in een schoen zou drukken.
‘Ik moet iets kunnen doen,’ zei ze.
Mien streek met haar vingers over het werk. Ze wilde niet zeggen dat het al aardig ging. Het ging niet aardig. Het kostte Saar veel tijd en leverde weinig op. Ze vroeg hoeveel kousen er nog lagen. Saar noemde een aantal en daarna een bedrag waarvoor ze ze had aangenomen.
‘Daar kun je het niet voor doen.’
‘Dan heb ik helemaal niks.’
‘Als je er langer over doet, heb je nog steeds bijna niks en ook geen tijd meer.’
Saar trok de kousen naar zich toe. Mien hoorde zichzelf spreken met de toon waarmee Antje ooit over te langzaam werken had gepraat.
‘Ik bedoel,’ begon ze.
‘Ik weet wat u bedoelt.’
Er viel een stilte waarin Ben zo hard met de lepel op de kist sloeg dat Gerrit hem voorzichtig de lepel afnam. Het kind begon te huilen. Saar sloot haar ogen. Mien haalde brood en appelstroop en liet hen eten voordat ze de brief verder afmaakte.
Pas bij het vertrek vertelde Saar dat mevrouw Wilmer iemand zocht om gescheurde naden van hotelgoed te herstellen. Ze had gevraagd of Saar iemand wist. Zelf kon ze het niet, maar Truus misschien. De directrice wilde per stuk betalen. Saar wist niet of het genoeg was.
‘Dat kunnen we uitrekenen,’ zei Mien.
Saar keek haar aan. ‘Nu wel?’
‘Nu beter.’
Een week later lagen er zes beschadigde slopen op Miens tafel. Truus zat bij het raam, een naaimachine op een plank voor zich. Ze had hem van haar zuster geleend en wilde hem vóór zondag terugbrengen. De slopen waren dun bij de sluiting, maar de rest van de stof kon nog mee. Truus herstelde de eerste terwijl Mien op de klok keek. Saar, met haar arm in een draagdoek, sorteerde de overige stukken naar het soort schade. Gerrit en Ben waren naar de bakker gegaan.
Ze maakten vijf slopen af. De zesde wees Truus af.
‘Hier zet ik een nieuwe rand aan en dan scheurt hij ernaast. Daar heeft niemand wat aan.’
Mien schreef het op. Ze rekenden garen, tijd en de slijtage van de geleende machine mee. De prijs werd hoger dan mevrouw Wilmer had voorgesteld. Saar zei dat ze het zelf ging uitleggen.
‘U gaat anders weer beleefd doen,’ zei ze tegen Mien.
De directrice accepteerde de prijs voor een proefpartij, niet voor al het goed. Er kwam genoeg werk voor twee middagen per week. Geen van hen kon ervan leven. Truus hield haar schoonmaakadres, Mien bleef bij Vink en Saar bleef afhankelijk van de betalingen die Rademaker voorlopig deed. Toch ontstond er een ritme: op dinsdag kwam de mand, op donderdag gingen de herstelde stukken terug. Saar hield de aantallen bij en bracht ze met Arie weg wanneer hij geen schilderwerk had.
Gerrit mopperde dat de keuken geen werkplaats was. Hij zei het het hardst op de middagen dat hij zelf voor de levering het raam zeemde. Ben kreeg een hoek met de sigarenkist. De lepel was vervangen door een houten klos, die minder lawaai maakte maar nog steeds lawaai genoeg.
Mien merkte dat zij op die middagen vaak wachtte tot iedereen weg was voordat ze durfde te denken dat het prettig was. Ze wilde niet van Saars arm een aanleiding maken voor iets goeds. De arm deed nog pijn. Arie kwam soms binnen met een gezicht waarop de hele dag zoeken naar werk te lezen stond. Dina groette nog steeds kort. Er was niets rechtgetrokken wat je in één zin kon aanwijzen.
Maar er lag werk op tafel, er stonden namen bij en wie zei dat een stuk langer had geduurd, werd niet meteen tegengesproken.
Op de laatste donderdag voor Kerstmis was Truus eerder weg. Saar bleef om de aantallen te vergelijken. Mien pakte het kleine blauwe schrift dat ze voor het herstelwerk had gekocht. Ze had eerst een andere kleur willen nemen, vond dat toen een bijgelovige gedachte en had het goedkoopste gekocht.
‘Wie schrijft er?’ vroeg ze.
Saar legde haar linkerhand op het boek.
‘Ik probeer het.’
Ze schreef langzaam, met grote letters die over de regel gingen. Bij een cijfer haalde ze uit en raakte de inktpot. Mien ving hem op voordat hij omviel. Ze zeiden allebei niets over hoe dicht het was geweest.