← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 12 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 12 VAN 14

De kleine poort

Maandagochtend was de grote poort gesloten. Alleen het smalle deurtje ernaast stond open. De vrouwen kwamen één voor één binnen en bleven daarna in een groepje op de binnenplaats staan, alsof ieder afzonderlijk had kunnen aannemen dat zij te vroeg was, maar samen moesten ze wel gelijk hebben.

Mien was voor hen gekomen. Op haar lessenaar lag geen brief. Ze had de kas opgemaakt, de afschriften klaargelegd en haar eigen spullen in een kleine kartonnen doos gedaan. Niet omdat haar al iets verteld was, maar omdat ze niet op het juiste ogenblik met een kopje en een oude sjaal in haar armen wilde staan.

De oude mangel mocht niet in gebruik. Er moest eerst behoorlijk naar de gebreken worden gekeken. In de overige ruimten kon nog werk worden gedaan, maar veel goed kwam uiteindelijk langs die ene machine. De reparatie zou geld kosten, het uitbesteden ook. Cornelis had de mensen uit Broekstad laten komen.

Twee mannen liepen met Paul door het gebouw. Een van hen tikte met zijn potlood tegen hout en metaal. Hij vroeg hoeveel klanten er nog waren, hoeveel van het beddengoed iedere week terugkwam en welke karren bij de zaak hoorden. Hij keek nergens naar de vrouwen. De ander groette hen allemaal en vroeg daarna precies dezelfde dingen.

Om tien uur riep Cornelis iedereen bijeen in de vouwruimte. Hij stond bij de plaats waar de kisten van De Kroon hadden gestaan. Achter hem hing de klok te hoog om de minuten goed te kunnen lezen.

Hij vertelde dat er minder werk zou zijn, dat een deel van de klanten naar Broekstad ging en dat de komende weken gebruikt werden om uitstaande partijen af te maken en de administratie af te wikkelen. Voor een paar mensen was mogelijk plaats bij het andere bedrijf. Hij zei niet welke mensen. Truus vroeg het meteen.

‘Dat wordt nog bekeken.’

‘Wanneer?’

‘Zo spoedig mogelijk.’

Antje stond met haar armen over elkaar. Bram keek naar de grond. Dina hield haar tas zo stevig vast dat het leer kraakte. Mien voelde hoe verschillende ogen naar haar toe gingen en weer terug. Ze wist niet hoeveel van die blikken echt iets betekenden en hoeveel ze zelf invulde.

‘De achterstallige lonen blijven op de lijst staan,’ zei ze.

Cornelis draaide zich naar haar om. Hij had haar niet gevraagd te spreken. Zij had het van tevoren ook niet besloten.

‘Dat spreekt vanzelf,’ zei hij.

‘Voor iedereen die hier gewerkt heeft.’

Paul stak zijn hand op, een klein gebaar alsof hij een glas wilde tegenhouden dat naar de rand van de tafel schoof. Cornelis zei dat zij daar later op terugkwamen. De bijeenkomst was daarmee afgelopen, hoewel niemand zich geholpen voelde.

In de gang werd gepraat. Truus zei dat ze de namen wilde van de mensen die naar Broekstad konden. Dina vroeg of de tram vergoed werd en kreeg van niemand antwoord. Elisabeth van Oort trok haar mantel aan en zei dat ze thuis nog genoeg werk had. Het was een zin die Mien haar nooit eerder had horen gebruiken.

Antje kwam naar de lessenaar. ‘Ik ben morgen weg,’ zei ze.

‘Naar Broekstad?’

‘Voorlopig kijken. Ze hebben iemand nodig die kan strijken.’

Mien knikte. Antje legde de sleutel van de voorraadkast neer.

‘Ik heb Koster gesproken.’

‘Wat heb je gezegd?’

‘Wat ik weet. Je hoeft het niet na te rekenen.’

Mien keek op. Antje glimlachte niet, maar haar gezicht was minder gesloten dan in haar keuken.

‘Ik heb ook gezegd dat ik niet weet wanneer ik riep. Voor of erna. Dat wilde je toch?’

‘Dat je zei wat je wist.’

‘Nou, dat was het.’

Ze vertrok zonder haar hand uit te steken. Later zou Mien zich afvragen of ze dat zelf had moeten doen.

Kort voor de middag werd zij in het kantoor geroepen. Paul zat aan de schrijftafel, zijn vader bij het raam. Er stond een derde stoel klaar. Op de zitting lag een vel, dat Paul snel wegnam toen Mien binnenkwam.

Ze mocht tot het einde van de maand blijven om de administratie over te dragen. Daarna was er geen plaats meer. Het andere bedrijf nam een eigen kantoorbediende mee. Cornelis zei dat het niets te maken had met haar verklaringen. Mien vroeg niet of hij dat zelf geloofde. Het kon tegelijk zakelijk verklaarbaar en aangenaam voor hem zijn.

‘Ik zal een getuigschrift schrijven,’ zei Paul.

‘Wat komt daarin te staan?’

Hij keek naar haar. ‘Dat je je werk zorgvuldig doet.’

‘Dan moet erbij dat ik ook fouten heb gemaakt.’

‘Mien.’

Ze hoorde vermoeidheid in zijn stem en begreep dat ze hem nu iets onmogelijks vroeg. Een getuigschrift was geen volledige levensbeschrijving. Ze zei dat ze het wel wilde lezen voordat het meeging.

Op de terugweg naar haar lessenaar zag ze haar kartonnen doos staan. Hij leek ineens overdreven. Ze had nog weken werk. Ze pakte het kopje eruit en zette het terug op de gewone plaats.

Die middag kwam Saar met Arie. Ze had haar jas over haar schouders en liep langzaam, omdat iedere stoot tegen haar arm pijn deed. Ben was bij zijn grootmoeder. Arie ging naar Cornelis; Saar bleef aan het loket staan waar ze een week eerder haar geld had nageteld.

Mien kwam naar de andere kant.

‘Je had niet hoeven komen.’

‘Ik wilde zien of het er nog stond.’

‘De machine?’

Saar knikte. Ze liepen samen naar de zaal. Het doek was eraf gehaald voor het onderzoek. De mangel stond stil en bloot in het bleke licht. Er lagen krijtstrepen op de vloer. Saar bleef op een paar meter afstand staan.

‘Zo groot is hij eigenlijk niet,’ zei ze.

Mien antwoordde niet. In de stilte hoorde ze het verkeer op straat, een geluid dat vroeger in deze ruimte nooit had bestaan.

Arie kwam hen zoeken. Hij had een envelop in zijn hand en een boos gezicht. Cornelis wilde voorlopig betalen, maar een regeling voor later was er nog niet. Er moesten papieren bekeken worden, mensen geraadpleegd. Saar luisterde en vroeg of de envelop voor haar was. Arie gaf hem aan haar. Ze stak hem met haar goede hand in haar mantelzak.

Bij de poort draaide ze zich om naar Mien.

‘Er komt een brief van die inspecteur. Ik wil zelf antwoorden. Maar als het niet lukt, kom ik naar u.’

‘Dat is goed.’

‘Niet dat u dan schrijft wat u denkt dat ik bedoel.’

‘Dan schrijf ik wat je zegt.’

Saar keek haar nog even aan, alsof zij wilde beoordelen of dit verschil echt genoeg was. Daarna ging ze met Arie door de kleine poort. Mien bleef staan tot ze de hoek om waren, en keerde terug om de loonzakjes voor de volgende vrijdag alvast te schrijven.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.