← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 14 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 14 VAN 14

De naam aan de binnenkant

De brief van Cornelis Rademaker kwam op de zaterdag voor Kerstmis. Hij had hem niet aan Mien gestuurd, maar aan Saar. Zij bracht hem dezelfde middag mee en legde hem dichtgevouwen op tafel. Ben had een papieren ster gekregen van zijn grootmoeder en hield hem de hele weg met twee handen boven zijn hoofd, zodat de punten niet zouden knikken.

‘Wilt u kijken of er staat wat we afgesproken hebben?’ vroeg Saar.

Mien schoof de herstelde slopen opzij. Truus was er die dag niet. De naaimachine stond onder een doek, de laatste mand van het hotel was leeg. Haar vader zat bij de kachel en las een krant die nu wel van die dag was; hij had hem van Vink gekregen.

De brief was in Pauls handschrift gesteld, maar zijn vader had ondertekend. Er stond dat Saar in de weken vóór het ongeval op verzoek van de wasserij in het gebouw had gewerkt en daarvoor was betaald. De verkeerde omschrijvingen in de administratie werden genoemd. Er stond ook welk bedrag aan achterstallig loon nog open was en hoe men dat in delen wilde betalen. Voor de komende maanden was een afzonderlijk bedrag afgesproken, waarna de situatie opnieuw besproken zou worden. De brief beweerde niet dat zij daarmee overal genoegen mee had genomen.

Mien las iedere regel. Ze las ook de lege ruimte onder de handtekening, alsof daar nog iets kon staan dat haar ontging.

‘Ja,’ zei ze. ‘Dit is wat er besproken is.’

‘Arie vindt het te weinig.’

‘Het is ook niet veel.’

‘Hij vindt dat ik niet moet tekenen.’

‘Je hoeft alleen voor ontvangst te tekenen, als je dat doet. Maar lees het zelf nog eens. En vraag het na als je iets niet vertrouwt.’

Saar knikte. Mien had haar in de afgelopen weken geholpen om vragen aan de juiste mensen te stellen; ze had geleerd hoe weinig zij zelf wist zodra een bedrag geen gewone loonbetaling meer was. Over de aanspraak op schadeloosstelling volgens de Ongevallenwet besliste de Rijksverzekeringsbank, niet Rademaker. Zijn brief ging over het achterstallige loon en de voorlopige betalingen van de wasserij. Er was nog onderzoek naar de gang van zaken in het bedrijf. De brief maakte dat onderzoek niet ongedaan, evenmin als hij Saars hand beter maakte. Wel stond er nu op papier dat zij gewerkt had. Niemand kon haar aanwezigheid nog afdoen als een ongelukkig bezoek na werktijd.

Saar vouwde de brief op en stak hem in een envelop die ze zelf had meegenomen. Ben zette de ster op tafel. Eén punt was toch geknikt. Hij wees ernaar en zei dat zijn vader hem kon maken.

‘Dat kan,’ zei Saar.

Mien pakte een smalle strook papier om de punt te verstevigen, maar Saar legde haar hand op de tafel.

‘Laat Arie dat maar doen.’

Mien legde de strook terug. Ze schonk thee in en vroeg of Saar een stuk brood wilde. Ben wilde alleen stroop. Gerrit zei dat hij dan eerst moest raden wat er in de sigarenkist zat. Het bleek een nieuw achterwiel voor zijn houten autootje te zijn, grof gemaakt en veel groter dan het oude. Ben vond het prachtig.

Toen ze vertrokken waren, ging Mien naar boven. In de kast lagen de twee lakens die zij als meisje had geborduurd. Ze haalde ze uit de stapel. De vouwen waren geel geworden, de stof rook naar hout en stilstand. In een hoek stond haar M, in rood garen, klein en onregelmatig. Haar moeder had het werk niet meer gezien. Ze had het aan haar tante laten zien, die de achterkant had bekeken en had gezegd dat ze de draad beter moest afhechten.

Mien legde de lakens over haar arm en nam ze mee naar beneden.

‘Voor wie zijn die?’ vroeg haar vader.

‘Voor mijn bed.’

Hij keek op van de krant. ‘Dat mag ook weleens.’

Ze wilde ze maandag wassen. Het was een kleine beslissing, maar ze merkte dat ze daarna gemakkelijker aan iets anders kon denken. Aan de rekening van Vink, aan het werk dat zij na Nieuwjaar zou moeten zoeken als zijn vrouw weer boven kon komen. Aan de mogelijkheid om de achterkamer een middag extra te gebruiken, als er voldoende herstelwerk kwam en als Truus een eigen machine kon lenen of huren. Ze schreef niets daarvan als zekerheid op.

Op maandag kwam Paul langs. Hij stond voor de deur met Miens getuigschrift en een klein pakje waarin haar oude liniaal zat. Ze was hem bij de overdracht vergeten. Hij vroeg of hij even binnen mocht. Haar vader was bij de buren, en Mien aarzelde voordat zij opzijging.

Paul keek naar de naaimachine, de manden en de lijst die met een speld aan de kastdeur hing. Er stond HERSTELWERK boven, in Saars grote linkerhandletters. Daaronder stonden de namen en de afgesproken bedragen.

‘Je bent begonnen,’ zei hij.

‘We doen een paar partijen.’

‘Ik hoor goede dingen.’

‘Van wie?’

Hij glimlachte moe. ‘Van mevrouw Wilmer. Zij houdt haar oordeel zelden voor zich.’

Mien zette geen thee. Ze wist niet of dat onbeleefd was en besloot het zo te laten. Paul gaf haar het getuigschrift. Het vermeldde de jaren die zij in het bedrijf had gewerkt, haar nauwkeurigheid bij het ordenen van de administratie en haar vermogen om zelfstandig werkzaamheden te verrichten. Ze las het zonder meteen naar verborgen verwijten te zoeken.

‘Dank je,’ zei ze.

Hij ging op de rand van de stoel zitten. De liniaal lag nog tussen hen in.

‘Vader wilde eerst een andere brief aan Saar,’ zei hij.

‘Dat weet ik.’

‘Ik ook.’

Mien keek naar hem. Hij hield zijn handen tussen zijn knieën, als een jongen die op een antwoord wachtte. Ze herinnerde zich zijn zakmes, de onafgemaakte P in de oude deurpost. Hij was niet die jongen, evenmin als zij nog het meisje was dat hem had uitgelachen. Toch was er iets van toen blijven staan in hun gesprekken: hij verwachtte dat zij een fout kon aanwijzen zonder dat zij daardoor ophield aan zijn kant te staan.

‘Waarom heb je het veranderd?’ vroeg ze.

‘Omdat ik de andere versie niet meer kon lezen zonder te weten wat er niet in stond.’

Ze knikte. Het was meer dan hij vroeger gezegd zou hebben. Het was niet alles wat zij misschien had willen horen.

Hij vertelde dat hij na de afwikkeling naar Rotterdam terugging. Er was een kleine betrekking bij een handelsfirma. Hij moest beneden beginnen, zei hij, en trok een gezicht alsof dat tegelijk beledigend en aangenaam was. Mien vroeg niet wat er met zijn vader gebeurde. Na een tijdje vertelde hij het zelf: Cornelis zou voorlopig in het woonhuis naast de wasserij blijven. De nieuwe onderneming huurde een deel van het terrein. Er was nog genoeg te regelen om hem dagelijks bezig te houden, al noemde hij dat zelf geen werk.

‘Zeg je vader dat ik hem groet,’ zei Paul bij de deur.

‘Dat zal ik doen.’

‘Hij is altijd welkom.’

Mien antwoordde niet meteen. Paul zag het en knikte, alsof hij begreep dat welkom voortaan iets anders moest betekenen dan beschikbaar.

Toen hij weg was, legde ze het getuigschrift in de la. De oude liniaal kwam op tafel, naast de schaar. De middagzon viel een paar minuten op het hout en liet de kleine inkepingen zien die de jaren eraan hadden gemaakt.

In de eerste week van 1933 kwam de eerste nieuwe klant zonder dat iemand hem had gestuurd. Het was een vrouw van de overkant van het kanaal, met een stapel kinderschorten en een gescheurde kussensloop. Ze had gehoord dat er hersteld werd. Saar nam het goed aan. Truus zat bij de machine en vroeg haar de schade eerst te laten zien. Mien had die ochtend bij Vink gewerkt en kwam binnen terwijl zij samen de prijs bespraken.

De vrouw wees op de kussensloop. In de hoek stonden twee initialen die niet bij haar naam hoorden.

‘Die waren van mijn moeder,’ zei ze. ‘Als u de rand vervangt, blijven die dan zitten?’

Truus spreidde de stof uit en keek ernaar. Het was haalbaar, maar het zou iets meer tijd kosten. Saar schreef het erbij. De vrouw stemde in, telde het voorschot af en trok haar handschoenen aan.

Toen ze weg was, controleerde Mien de regel. Er stonden een naam, een aantal stukken, een prijs en een datum. Er was één vraagteken blijven staan bij de kleur van het nieuwe band.

‘Dat vraag ik als ze terugkomt,’ zei Saar.

Mien knikte en hing haar mantel op. Haar vader bracht de thee binnen, met drie kopjes op een plank. Hij hield hem met twee handen vast. Ben liep achter hem aan en droeg de suikerpot alsof hij glas vervoerde dat bij iedere stap kon breken.

Aan het einde van de middag maakte Mien het geld op. Ze telde Saars deel uit en schoof het over tafel. Saar telde het na, opnieuw, ook al had zij naast Mien gezeten. Er was een cent te veel.

‘Deze is van jullie,’ zei ze.

Mien nam de cent terug. Saar trok het schrift naar zich toe en zette haar naam onder het ontvangen bedrag. De letters waren nog groot en de n zakte onder de regel. Ze wachtte tot de inkt droog was voordat ze de bladzijde omsloeg.

Truus had intussen de nieuwe rand aan de kussensloop gespeld. Zij hield het werk omhoog, zodat het licht door de dun geworden stof viel. De initialen van de dode moeder zaten nog in de hoek. Onder het speldenkussen lag het briefje met de naam van de vrouw die het maandag weer kwam halen.

‘Geef me dat eens aan,’ zei Truus.

Mien pakte de andere kant van het linnen.

Einde van het verhaal.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.