HOOFDSTUK 11 VAN 14
Een andere ingang
De kamer waar Koster hen ontving, lag boven een kantoor in Broekstad. Beneden werden formulieren aangenomen achter twee loketten. Een man had een hoest die door de hele ruimte klonk. Miens vader keek naar hem en deed toen alsof hij iets in zijn jaszak zocht.
Ze hadden vooraf bericht gestuurd. Het antwoord was kort geweest: zaterdag om halfelf. Koster zou in het kantoor aanwezig zijn en kon de aanvullende stukken ontvangen. Mien had de kaart driemaal gelezen, op zoek naar een ondertoon die er niet stond.
Haar vader had zijn nette schoenen aangetrokken. Hij liep er slechter op dan op de oude. In de tram had hij weinig gezegd. Hij hield het pakje met het metalen onderdeel op zijn knieën, terwijl Mien de brief en de afschriften droeg. Ze hadden thuis afgesproken dat hij zelf zou vertellen wat hij gedaan had. Halverwege de reis vroeg hij of zij de data nog wist. Ze zei dat ze ze had opgeschreven.
Koster gaf hen allebei een stoel. Hij vroeg Gerrit eerst naar zijn vroegere werk. Haar vader antwoordde uitvoerig, met namen van machines en mensen die de inspecteur niet kende. Mien zag hem voor het eerst sinds lange tijd spreken tegen iemand die hem niet onderbrak met de vraag of hij zich wel goed voelde.
Daarna kwam de reparatie. Gerrit vouwde de doek open en legde het oude onderdeel op het bureau. Koster raakte het niet meteen aan.
‘Kunt u aangeven wanneer u dit hebt weggenomen?’
Gerrit noemde een avond. Mien zocht de datum in haar aantekeningen. Het was twee weken voor het ongeval geweest, niet één zoals zij eerst gedacht had. Haar vader had toen gezegd dat hij bij Bram koffie had gedronken.
‘En u hebt daarna nog aan de machine gewerkt?’
‘Dat kleine stuk passend gemaakt. Maar ik heb gezegd dat ze verder moesten kijken.’
‘Tegen wie?’
Hij noemde Bram en Paul. Mien legde de brief erbij. Koster las hem, keek naar de datum en vroeg wie hem geschreven had. Mien zei dat zij dat had gedaan, op aanwijzing van haar vader. Gerrit wees naar zijn handtekening, alsof die de verdeling tussen hen duidelijker maakte.
‘Er waren meer zaken die u niet goed vond?’
Gerrit antwoordde ja. Hij beschreef wat hij gezien had, maakte met zijn handen een beweging boven het bureau en brak zijn uitleg halverwege af.
‘Als u de machine zelf hebt gezien, dan weet u het beter.’
‘Ik wil weten wat u op dat moment wist.’
Haar vader boog zijn hoofd. Mien keek naar zijn handen. Er zat een klein litteken bij de duim, oud en wit. Als kind had ze gedacht dat al zijn littekens van de wasserij kwamen. Sommige waren van het snoeien, een van het openen van een fles, één misschien van iets wat hij nooit had verteld. Nu leek ieder litteken een bewijs dat hij zichzelf te vaak onmisbaar had gemaakt.
‘Ik wist dat het niet in orde was,’ zei hij. ‘Ik dacht dat ze het later zouden doen. En ik vond het fijn dat ze me kwamen halen.’
De laatste zin was bijna onverstaanbaar. Mien keek weg naar het raam. Beneden werd een deur dichtgeslagen. Ze was hem dankbaar dat hij het gezegd had en schaamde zich meteen voor die dankbaarheid, alsof zijn vernedering haar eigen verklaring gemakkelijker maakte.
Toen Koster haar ondervroeg, vertelde ze over het blauwe schrift, de foute omschrijvingen en de uren die zij had afgerond. Ze gaf haar afzonderlijke lijst met correcties af. Bij de waarschuwing van haar vader zei ze dat ze donderdag niet alles had verteld.
‘U hebt toen gezegd dat er af en toe iets werd afgesteld,’ zei Koster.
‘Ja.’
‘Waarom niet over deze brief?’
Ze antwoordde dat ze haar vader erbuiten had willen houden. De inspecteur schreef het op. Hij maakte het niet vriendelijker door te zeggen dat dat begrijpelijk was. Mien merkte hoe graag ze dat toch had willen horen.
‘Heeft iemand u gevraagd informatie achter te houden?’
Ze beschreef Pauls verzoek om eerst de administratie uit te leggen. Ze vertelde dat hij de brief aan haar vader had teruggegeven. Ze zei ook dat niemand haar de woorden van donderdag in de mond had gelegd.
Koster las haar aantekeningen en vroeg naar de verschillen tussen wat zij zelf had gezien en wat anderen hadden verteld. Bij een paar zinnen moest Mien toegeven dat ze dat door elkaar had laten lopen. Samen zetten ze er namen bij. Het vel werd minder overtuigend wanneer je er vluchtig naar keek: overal stonden nu beperkingen en toevoegingen. Ze kon er beter naar kijken toen het klaar was.
Haar vader moest in de gang wachten terwijl haar verklaring werd afgerond. Toen Mien bij hem kwam, zat hij op het uiteinde van een bankje naast een jongen die een broodje at. Hij keek op en vroeg of ze klaar was. Ze knikte. Hij stond langzaam op.
Beneden wilde hij niet meteen naar de tram. Ze liepen naar de gracht, waar een paard met zijn neus bij een emmer stond. Gerrit bleef naar het dier kijken. Zijn handen waren leeg; het onderdeel en de doek lagen nu bij Koster.
‘Hij gaf geen antwoord,’ zei hij.
‘Waarop?’
‘Of het door mij kwam.’
‘Dat weet hij nog niet.’
Gerrit knikte. Hij had de vraag niet hardop gesteld, voor zover Mien had gehoord. Toch begreep ze dat hij de hele ochtend op dat antwoord had gewacht.
Ze kochten bij een kraam twee kleine broodjes. Haar vader betaalde van het geld dat hij nog in zijn portemonnee had. Mien liet hem. Ze aten staand, omdat de bank nat was. Toen hij kruimels van zijn jas veegde, zag ze dat er één tussen zijn overhemd en zijn hals was blijven zitten. Ze wees erop. Hij haalde hem weg en glimlachte even.
Thuis lag er een briefje van Dina onder de deur. Ze wilde Mien spreken. Mien vond haar bij de pomp achter de huizen, waar ze met twee emmers wachtte tot een buurvrouw klaar was.
‘Heb je mijn naam gegeven?’ vroeg Dina.
‘Ja. Omdat je er werkte.’
‘Mijn man is kwaad.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij denkt dat ik straks nergens meer kom. En omdat hij zegt dat jij wel ergens achter een bureau terechtkunt.’
Mien pakte een van de emmers toen hij vol was. Dina liet het toe. Ze liepen naar haar huis zonder verder te praten. Bij de deur zei Dina dat ze niet wilde liegen, maar ook niet alles kwijt wilde.
‘Dat kan ik je niet beloven,’ zei Mien.
‘Je kunt me helemaal niks beloven.’
Het was waar. Mien zette de emmer op de stenen vloer. Ze wilde uitleggen dat de bank al vóór het ongeval twijfelde, dat de ondergang van de wasserij niet van één verklaring afhing. Ze deed het niet. Dina wist wat een lege loonzak was. Ze had geen behoefte aan Miens keurige verdeling van oorzaken.
‘Als ze me iets vragen, zal ik zeggen hoe het was,’ zei Dina uiteindelijk. ‘Maar ik doe het niet voor jou.’
Mien knikte en ging naar huis. Ze liep zonder een van de grote zinnen die ze zich voor deze dag had voorgesteld. Haar vader zat aan tafel en probeerde de klok open te maken. De wijzers waren stilgevallen. Toen hij haar zag, legde hij het gereedschap neer.
‘Morgen,’ zei hij. ‘Hij heeft geen haast.’