← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 6 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 6 VAN 14

Mevrouw Wilmer telt

De directrice van De Kroon zat in de eetzaal met een potlood achter haar oor. De tafels waren zonder linnen en leken daardoor op meubels uit een huis waar niemand meer woonde. In het midden stond een stapel menukaarten. Een jongen met een te groot jasje zette vazen neer, pakte ze weer op en verplaatste ze naar de volgende tafel.

‘U bent vroeg,’ zei mevrouw Wilmer.

‘Ik kom niet met het goed.’

‘Dat zie ik.’

Ze trok een stoel van de tafel en wees ernaar. Zelf bleef ze staan. Mien legde het afleverbriefje voor haar neer. Ze was gekomen omdat Paul geen tijd had en Cornelis de deur van zijn kantoor niet opende. Ze moest uitleggen dat een deel van het goed later zou komen, dat er een ongeluk was gebeurd en dat ze een andere wasserij zochten om het resterende werk af te maken.

Mevrouw Wilmer luisterde zonder haar te onderbreken.

‘Wie is er gewond?’ vroeg ze.

‘Saar van Dalen.’

‘De kleine met het donkere haar?’

Mien knikte.

‘Die heeft hier vorig jaar weleens geholpen met de kamers.’

De jongen met het jasje kwam naar hen toe en vroeg hoeveel bloemen er in een vaas moesten. Mevrouw Wilmer keek naar de drie magere stelen die hij omhooghield.

‘Zoveel dat het lijkt alsof we er niet op bezuinigd hebben.’

Hij grijnsde. Ze pakte één steel af en wees naar een kleinere vaas. Toen hij weg was, ging ze zitten.

‘Ik heb vrijdag tweehonderd mensen. Ze eten met hun ogen voordat er iets op tafel komt. Rademaker weet dat.’

‘Hij probeert het op te lossen.’

‘Hij probeert al sinds juni iets op te lossen.’

Mien keek naar de kale tafel. Er zat een ronde donkere vlek in het hout, precies op de plaats waar op een gedekte tafel een bord zou liggen. Ze vroeg zich af hoeveel van het hotel alleen dankzij linnen behoorlijk leek.

Mevrouw Wilmer haalde een map uit de kast. Ze legde er drie papieren uit op tafel. Op het eerste stond een lijst met aantallen, op het tweede de overeengekomen prijs. Het derde was een klein werkbriefje, in de haast ingevuld op hotelpapier.

‘Saar heeft zaterdag de proefpartij gebracht,’ zei ze. ‘Vier kleden en twaalf servetten. Ik heb er twee teruggestuurd vanwege die grauwe zoom. Zij zei dat ze het opnieuw zouden doen.’

Mien pakte het werkbriefje op. In de onderste hoek stonden twee letters: S.D. Saar had er zowel het afleveren van de proefpartij als het terugnemen van de afgekeurde kleden op genoteerd. Het laatste tijdstip was zaterdag, kwart voor zes.

‘Heeft zij dat zelf geschreven?’

‘Ik heb haar erom gevraagd. De vorige keer liep er van alles zoek en dan krijg ik achteraf te horen dat mijn kamermeisjes niet kunnen tellen.’

‘Mag ik hier een afschrift van maken?’

‘Waarom?’

Mien kon zeggen dat het voor de boekhouding was. Het was voor de boekhouding. Toch zou het op dat ogenblik een ander soort antwoord zijn geweest dan het echte.

‘Omdat ik van haar werk niet alles heb opgeschreven.’

Mevrouw Wilmer keek naar haar handen. Daarna schoof ze een leeg vel toe.

‘U kunt het hier overschrijven. Ik houd mijn eigen papier.’

Mien schreef zorgvuldig, inclusief de initialen. Ze vroeg niet of ze de hele handtekening van Saar kon krijgen. De twee letters bewezen weinig: een vrouw kon namens iemand anders iets afleveren. Ze bewezen geen uren, geen opdracht, geen plaats bij de mangel. Maar ze lieten wel zien dat Saar werk deed voor de wasserij, op tijden waarop ze in het grote boek niet bestond.

‘Waarom is dit belangrijk?’ vroeg mevrouw Wilmer.

Mien legde de pen neer. Ze wilde niet over Paul praten, niet over het register, niet over de zin op het vel die zij had doorgestreept. Ze had bovendien geen recht om het hele bedrijf bij een klant op tafel te leggen.

‘Er wordt gevraagd wat zij precies deed.’

‘Dan moet u dat precies zeggen.’

Het klonk eenvoudig in de eetzaal waar mevrouw Wilmer de vazen liet verplaatsen tot ze goed stonden. Mien keek naar haar nette donkere japon, de sleutelbos aan haar middel, de smalle gouden ring die zo vast om haar vinger zat dat de huid eromheen dikker was geworden. Ook deze vrouw hield een onderneming overeind. Ook zij had mensen nodig die langer bleven wanneer het werk niet klaar was.

‘Wie doet hier de was als er te weinig kamermeisjes zijn?’ vroeg Mien.

Mevrouw Wilmer nam haar bril af.

‘Als u me iets wilt verwijten, moet u het zeggen.’

‘Dat wil ik niet.’

‘Jawel, een beetje wel.’

Ze liet de opmerking tussen hen liggen. Daarna zei ze dat ze twee mensen minder had dan vorig jaar en de prijzen niet verhogen kon. Haar leverancier van vlees wilde op vrijdag zijn geld, haar gasten betaalden soms pas na een maand. Toch had ze de partij bij Rademaker ondergebracht omdat hij de prijs had verlaagd.

‘Ik had kunnen vragen hoe hij dat deed,’ zei ze. ‘Dat heb ik niet gedaan.’

De jongen kwam terug met de vazen. Ze keurde er vier goed en stuurde twee opnieuw weg. Het gesprek was voorbij, maar niet helemaal. Toen Mien opstond, hield mevrouw Wilmer het afleverbriefje tegen.

‘Ik betaal alvast voor het deel dat gereed is. Laat hem dat brengen. Voor de rest zoek ik zelf iets.’

Het was minder dan de volledige order en meer dan Mien had verwacht. Ze bedankte haar. Mevrouw Wilmer knikte alsof ze een gewone zakelijke afspraak hadden gemaakt.

Op de terugweg liep Mien langs de manufacturenwinkel. In de etalage lagen stroken linnen met voorgetekende initialen, bedoeld voor meisjes die aan een uitzet begonnen. Er waren M's met krullen en rechte M's, rode en blauwe. Toen ze twintig was, had haar moeder al een jaar in de grond gelegen en had Mien nog twee lakens geborduurd omdat haar tante zei dat je nooit wist. De lakens lagen boven in de kast. Ze sliep er niet onder. Haar naam stond erop, maar ze gebruikte ze alsof ze voor een ander bestemd waren.

Bij de wasserij vond ze in de la het werkbriefje van zaterdag. Antje had vier vrouwen op de lijst gezet, maar achter Saar stonden geen uren. Er stond: brengen en terug. Mien kon zich nu herinneren dat ze er zelf drie kwartier van gemaakt had. Het was een kleine handeling geweest, gedaan voordat ze naar huis ging. Ze had gevonden dat ze royaal was.

Ze legde haar afschrift van het hotel ernaast. Tussen het afleveren van de proefpartij en het terugnemen van de afgekeurde kleden zat meer dan twee uur.

Die middag telde ze alle bladzijden van het blauwe schrift na. Ze schreef geen nieuwe totalen in het oude boek, maar op een afzonderlijk vel. Bij iedere onzekere regel zette ze een vraagteken. Soms wist ze niet meer wie een uur had genoemd. Soms had ze zelf een afgerond bedrag ingevuld omdat er niet genoeg kleingeld was. Ze had de verschillen willen herstellen. Niet één ervan had ze hersteld.

Toen de klok vijf sloeg, stond er op haar vel een rij bedragen die samen meer waren dan ze in een week verdiende. Ze keek er lang naar. Daarna schreef ze bovenaan, zonder het woord te onderstrepen: Achterstallig.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.