← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 1 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 1 VAN 14

Een uur te weinig

Ravelveen, oktober 1932

Op het loonzakje van Saar van Dalen had Mien een vier geschreven. Vier gulden en vijfentwintig cent, aan de achterkant uitgesplitst in uren, zodat er bij het afgeven geen woorden over nodig waren. Toch bleef Saar aan de andere kant van het loket staan.

‘Het klopt niet,’ zei ze.

Mien legde de pen neer. Door het open raam kwam een streep stoom die onder de lessenaar bleef hangen. Ze had die ochtend de ramen gelapt; nu stonden er weer druppels op het glas.

‘Dinsdag drie uur, donderdag vijf. Vrijdag een halfuur voor de ontbrekende slopen.’

‘Dinsdag vier.’

Mien trok het blauwe schrift naar zich toe. Ze hoefde niet te zoeken. Dinsdag stond op de bladzijde die met een kroontjespenvlek aan haar duim had vastgezeten. Acht uur vijftien tot elf uur vijftien. Dat was wat Antje haar had opgegeven.

‘Om kwart over elf waren we nog bezig.’

‘Dat kan. Misschien heb je gewacht op Arie.’

Saar hield het zakje tussen twee vingers. Er zat een kale plek in haar bruine mantel waar vroeger een knoop moest hebben gezeten. De twee andere knopen had ze lager vastgezet, waardoor het kledingstuk scheef om haar heen viel.

‘Arie heeft me gehaald. Om kwart over twaalf. Toen hadden we de laatste kist voor de schippers nog dicht te maken.’

Mien keek naar de gang. Daar was niemand. Ze draaide de achterkant van het briefje naar Saar toe, alsof haar eigen kleine cijfers misschien overtuigender waren dan haar stem.

‘Ik kan alleen betalen wat ik heb staan.’

‘Dan moet u het anders opschrijven.’

Ze was drieëntwintig, had een kind en een man, maar zei nog altijd u tegen Mien. Van de vrouwen die zij in juni had uitbetaald, was Saar de enige die het loonzakje meteen had opengemaakt. De anderen hadden hun laatste geld bij hun schort gestoken en waren naar de kleedruimte gegaan om hun schoenen aan te trekken. Saar had haar loon nageteld, gevraagd waar de vrije vrijdag gebleven was en pas daarna gehuild.

‘Ik zal het met Antje bespreken,’ zei Mien.

‘Dat zei u vorige week ook.’

Mien voelde haar wangen warmer worden. Buiten reed Bram een kar met nat goed over de binnenplaats. De wielen maakten vier keer hetzelfde harde geluid op de verzakte stenen. Saar liet het geldzakje liggen.

‘Neem dat alvast mee.’

‘En dan?’

‘Dan krijg je het verschil als er een verschil is.’

Saar stopte het zakje in haar jaszak. Ze liep niet meteen weg.

‘Voor vanavond weet ik het nog niet. Mijn schoonmoeder kan niet bij Ben blijven.’

‘Er is voor vanavond niets afgesproken.’

‘Antje heeft het gisteren gevraagd.’

Mien keek opnieuw in haar schrift. Maandagavond was leeg.

Toen Saar vertrokken was, bleef ze een tijd naar die lege regel kijken. Er stonden vier kleine loonbedragen onder elkaar, allemaal op namen die ze sinds de zomer uit het grote boek had moeten laten. Voor Saar, Dina, Truus en de oude juffrouw Van Oort, die zich door niemand bij haar voornaam liet noemen. Thuis verricht naaiwerk, stond er in het kasboek dat de heer Rademaker iedere vrijdag controleerde. Het was een omschrijving die Paul had bedacht. Hij had erbij gezegd dat ze de bedragen later netjes zouden uitsplitsen, zodra de orders weer aantrokken. Tot die tijd hoefde niet iedereen te weten hoe het bedrijf zijn hoofd boven water hield.

Mien had de omschrijving overgenomen. Ze wist het precieze moment nog. Paul stond aan haar schouder met een rijtje bedragen op een afgescheurde envelop. Hij rook naar regen en dure zeep. Zij had gevraagd of er niet gewoon ‘extra werk’ kon staan. Hij had op het overvolle grote boek getikt, alsof de dikte van het papier de moeilijkheid vormde.

‘Dan moeten al die andere stukken mee veranderen.’

Nu kwamen die vrouwen door de achterdeur, na het avondeten, en gingen soms pas weg als in de huizen aan de overkant het licht al uit was. Geen van hen nam een naaimachine mee. Ze stonden aan de vouwtafels en bij de mangel, waar hun handen wit werden van warmte en vocht. Mien wist het. Toch had ze het woord naaiwerk die ochtend opnieuw geschreven.

Ze sloot het blauwe schrift toen de heer Rademaker binnenkwam.

Hij droeg de hoed die hij alleen opzette wanneer hij naar de bank ging. Onder de rand zat een vochtige afdruk op zijn voorhoofd. Er hingen grijze draden aan zijn zwarte overjas, stukjes van het wollen kleed waarmee zijn vrouw vroeger de rugleuning van de stoel beschermde. Sinds haar dood was er weinig in het kantoor veranderd, ook het kleed niet.

‘De rekening van de kolenboer,’ zei hij.

Mien trok de juiste map uit het rek. Hij nam de rekening aan zonder erin te kijken.

‘Die oude heer wil boter bij de vis.’

‘Hij schrijft dat het de derde herinnering is.’

‘Die lees ik zelf ook wel.’

Ze vouwde haar handen op de lessenaar. Rademaker haalde zijn bril uit zijn borstzak, zette hem niet op en stak hem weer terug.

‘Uw vader kon altijd met hem praten. Ze hebben samen op de lagere school gezeten.’

‘Vader heeft die kolen niet besteld.’

‘Dat zeg ik niet.’

Even leek hij te willen lachen. Toen zag hij het blauwe schrift onder haar hand.

‘Dat gaat allemaal goed?’

‘Saar zegt dat ze een uur te weinig heeft gekregen.’

‘Laat Antje het uitzoeken. Daar is ze voor.’

‘En vanavond zou er weer werk zijn.’

Hij keek naar het raam. De kar van Bram reed terug, nu leeg.

‘Niet meer vanavond. Morgen. Er komt een grote partij van De Kroon. Een diner, iets voor handelsmensen. Paul heeft het geregeld.’

De Kroon had sinds juni geen grote partij meer gebracht. Hun tafelkleden waren zo groot dat twee vrouwen ze samen uit de mand moesten trekken. In de hoeken zat een kroon van rood garen, zo dicht gestikt dat de stof eromheen altijd eerder sleet dan het teken zelf. De directrice had geklaagd over grauwe randen en een zoekgeraakt servet. Daarna waren de kisten uitgebleven.

‘Kunnen we dat aan?’ vroeg Mien.

‘Anders had hij het niet aangenomen.’

Rademaker streek de kolenrekening glad, schoof die terug naar Mien en zei dat ze alvast een deel moest betalen. Niet alles. Een bedrag waaruit goede wil bleek.

‘Hoeveel?’

Hij noemde een som die bijna gelijk was aan de lonen in het blauwe schrift. Mien schreef hem op. Ze hoorde de deur van zijn kantoor dichtgaan en pas daarna de haak van het slot vallen.

Om twaalf uur at ze haar boterhammen op de trede bij de achterdeur. Binnen kon ze niet eten zonder dat de lucht van wasloog aan het brood bleef zitten. Antje kwam naast haar staan met een emmer koffiedik voor de tuin van de conciërge. De emmer had een handvat dat in de palm sneed. Antje wisselde hem van hand.

‘Saar is geweest,’ zei Mien.

‘Dan heeft ze haar geld.’

‘Ze zegt dat dinsdag een uur langer was.’

Antje zette de emmer neer. Ze had dikke enkels boven haar schoenen, ook in de ochtend al. Mien vroeg zich soms af hoe het voelde om op die benen een hele dag te moeten staan. Zelf stond ze niet lang genoeg bij een tafel om het te weten.

‘Zij heeft langer gedaan over wat een ander eerder af had,’ zei Antje. ‘Daar kan ik geen uren bij blijven schrijven.’

‘We betalen per uur.’

‘We betalen wat er is. Vraag het boven maar.’

Aan de overkant van de binnenplaats bleef een onbekende man staan. Hij had een platte pet onder zijn arm en een papier in de hand. Elke week kwamen er mannen vragen of er werk was. Meestal verdwenen ze door dezelfde poort waardoor ze gekomen waren. Deze keek naar de schoorsteen en wachtte tot iemand hem zag.

‘Er komt morgen een hotelpartij,’ zei Mien.

‘Dat weet ik.’

‘Heb je de vrouwen al gevraagd?’

‘Dina kan. Truus misschien. Saar doet moeilijk.’

‘Haar schoonmoeder kan niet.’

Antje pakte de emmer weer op.

‘Als ik op iedereen zijn schoonmoeder moet wachten, zijn we met Kerstmis klaar.’

Ze liep naar de man bij de poort en wees hem naar de voordeur. Mien at haar laatste korst. In haar jaszak voelde ze de munt die voor de tram naar Broekstad bestemd was, een kleine reserve voor een zondag waarop ze ergens anders wilde zijn. Ze had de munt al zes weken.

Voor ze naar binnen ging, nam ze hem uit haar zak en hield hem in haar hand. Het bedrag dat Saar nog tegoed meende te hebben was groter. Het ging bovendien niet om haar eigen geld. Ze stak de munt terug.

Die middag trok ze in het blauwe schrift onder Saars uren een dunne potloodstreep. Ernaast schreef ze: navragen. Toen ze het schrift opborg, viel het op die bladzijde open.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.