← De namen op het linnen
Inhoudsopgave · hoofdstuk 7 van 14
  1. 1. Een uur te weinig
  2. 2. Een onderdeel in een doek
  3. 3. De rode kroon
  4. 4. Na elf uur
  5. 5. De verklaring
  6. 6. Mevrouw Wilmer telt
  7. 7. Wat op de lijst staat
  8. 8. Het huis van Antje
  9. 9. Een mantel met twee knopen
  10. 10. De kas op vrijdag
  11. 11. Een andere ingang
  12. 12. De kleine poort
  13. 13. De achterkamer
  14. 14. De naam aan de binnenkant

HOOFDSTUK 7 VAN 14

Wat op de lijst staat

De man van de Arbeidsinspectie kwam donderdagochtend met modder op zijn schoenen. Hij verontschuldigde zich ervoor, veegde ze op de mat en vroeg naar de heer Rademaker. Zijn naam was Koster. Hij droeg een bruine tas waarvan de sluiting met een leren riempje was vastgezet.

Mien had iemand verwacht die meteen iets in beslag zou nemen. Koster vroeg eerst of hij zijn jas ergens kwijt kon.

Cornelis ontving hem in het kantoor. Ze lieten de deur open. Mien hoorde dat de dokter bericht had gegeven, dat er een onderzoek nodig was en dat men de betrokken machine voorlopig ongemoeid moest laten. Koster zei het zonder dreiging. Daardoor kon Mien goed horen hoe vaak Rademaker antwoordde dat dat natuurlijk vanzelf sprak.

Toen gingen ze naar de mangelzaal. Mien bleef aan haar lessenaar. Ze pakte een rekening, legde hem neer en pakte een andere. In de la lag haar vel met de achterstallige bedragen. Erboven lag het blauwe schrift. Ze had de sleutel die ochtend in haar handtas gestoken, tussen haar zakdoek en de terugreisbon van de tram.

Na een halfuur kwam Paul binnen.

‘Het personeelsregister,’ zei hij.

Ze nam het dikke boek van de plank. Hij bleef staan.

‘En de arbeidslijst.’

Die hing achter de deur van de kleedkamer. Hij wist waar. Mien begreep dat hij iets anders wilde zeggen en gaf hem de gelegenheid. Hij keek naar haar la.

‘Er wordt naar de avonduren gevraagd.’

‘Die staan in het blauwe schrift.’

‘Je hebt het bij je?’

‘Het ligt hier.’

‘Laat mij eerst uitleggen hoe die opdrachten liepen.’

Hij stak zijn hand uit. Mien zette het personeelsregister daarin, zwaar genoeg om hem een stap achteruit te laten doen.

‘Wat je wilt uitleggen, weet jij het best.’

Het was een moedige zin zolang hij in de kamer bleef. Nadat hij vertrokken was, moest ze beide handen tegen de lessenaar drukken om niet alsnog naar hem toe te gaan.

Koster riep haar later bij zich in de vouwruimte. Bram stond nog bij de machine en leek boos op het doek waarmee hij haar had afgedekt. De inspecteur had zijn notitieboek open op een stapel lakens gelegd. Hij tilde het weer op toen hij zag dat de kaft een vlek maakte.

‘U doet de administratie?’

‘Ja.’

‘Was u dinsdagavond aanwezig?’

Ze knikte.

Hij vroeg haar wat zij gezien had. Mien begon bij de kisten die 's middags waren gebracht. Koster liet haar vertellen, maar vroeg na een tijdje hoe laat Saar was begonnen. Ze zei iets na zevenen. Hoe laat was het ongeval geweest? Ze wist het niet precies. Na elf uur. Was Saar daar in opdracht van het bedrijf? Mien keek naar de lessenaar in het aangrenzende kantoor. Ze kon haar eigen stoel zien.

‘Antje had haar gevraagd te komen.’

‘Om welk werk te doen?’

‘Linnen verwerken. Sorteren, vouwen. Helpen waar nodig.’

‘Ook aan de mangel?’

‘Dat gebeurde.’

Koster schreef iets op. Zijn pen maakte een krassend geluid; de punt moest bijna op zijn. Hij duwde niet harder, maar draaide hem een klein stukje tussen zijn vingers.

‘Ik vraag het omdat mevrouw Van Dalen niet in het register staat dat ik ontvangen heb.’

Mien zei dat Saar in juni ontslagen was. Daarna had ze nog los werk gedaan. Koster vroeg waar dat werk werd bijgehouden.

‘In de kasadministratie.’

Ze hoorde zichzelf die woorden gebruiken en voelde hoe ze iets afscheidden van het echte verhaal. Het was niet onwaar, zoals een dichtgetrokken gordijn niet onwaar was.

‘Die wil ik straks graag zien.’

Hij vroeg of er vóór het ongeval problemen waren geweest met de machine. Mien dacht aan de brief van haar vader. Ze dacht ook aan zijn jas, die hij bij het ontbijt had aangehouden alsof hij nog ergens verwacht werd.

‘Er waren vouwen in het linnen,’ zei ze.

‘Bedoelt u een storing?’

‘Ik ben daar niet deskundig in.’

‘Dat vraag ik ook niet van u. Hebt u gehoord dat er iets aan mankeerde?’

Ze keek naar Bram. Hij stond met zijn rug naar hen toe, maar zijn handen bewogen niet meer.

‘Er werd weleens iets afgesteld,’ zei ze.

Koster sloot zijn boekje niet. Hij wachtte. Mien voelde de stilte langs haar nek lopen.

‘Dat is alles wat u daarover weet?’

‘Wat ik zeker weet.’

Hij keek haar nu voor het eerst langer aan. Er zat geen beschuldiging in zijn blik, alleen aandacht. Mien had zich liever tegen een beschuldiging verdedigd.

Samen gingen ze naar haar lessenaar. Ze haalde het grote kasboek tevoorschijn en sloeg de bladzijde op waarop de bedragen voor huisnaaiwerk stonden. Koster keek naar de eerste regel, vroeg om de bijbehorende briefjes en liet zijn vinger daarna langs de volgende regels gaan.

‘Welke van deze mensen hebben in het gebouw gewerkt?’

Mien noemde de namen. Hij herhaalde ze één voor één, terwijl hij ze opschreef. Bij juffrouw Van Oort vroeg hij naar de voornaam. Mien wist hem niet. Ze zocht in een oude personeelskaart en vond Elisabeth. Ze voelde zich daar zonder reden verdrietig over.

‘Die afzonderlijke uren worden dus elders bijgehouden?’ vroeg hij.

Ze haalde de sleutel uit haar tas. Het slot van de la haperde opnieuw. Terwijl ze ermee bezig was, dacht ze aan de uren die zij zelf had afgerond, aan Saars geldzakje en aan Paul die had gezegd dat alle andere stukken dan mee moesten veranderen.

Ze legde het blauwe schrift op de lessenaar. Haar vel met de achterstallige bedragen bleef in de la.

Koster bladerde. Hij legde geen verbanden uit en vroeg niet waarom de kaft blauw was. Hij noteerde een paar data en bedragen en vroeg of hij het schrift mee mocht nemen om de gegevens over te schrijven. Mien zei dat ze het nodig had voor de betalingen. Hij stelde voor dat zij een afschrift maakte van de betreffende weken en dat hij later terugkwam voor de overige stukken.

Ook voor de ongevallenverzekering moesten gegevens naar de Raad van Arbeid, zei hij. Zijn onderzoek naar de avonduren en de machine was geen beslissing over Saars schadeloosstelling.

‘Verander intussen niets aan wat er al staat,’ zei hij. ‘Als u iets wilt verbeteren, zet u dat afzonderlijk, met de datum erbij.’

Ze knikte te snel.

Toen hij vertrokken was, kwam Cornelis naar haar toe. Hij leunde met beide handen op de rand van de lessenaar. Het hout kraakte onder zijn gewicht.

‘U hebt die vrouwen allemaal genoemd.’

‘Hij vroeg ernaar.’

‘Er zijn mensen die niet graag in zo'n onderzoek terechtkomen.’

‘Hij moet weten wie er gewerkt heeft.’

Rademaker kneep zijn ogen dicht. Mien zag dat hij slecht geslapen had. Ze kende de kleine rode adertjes naast zijn neus, de versleten boord van zijn overhemd. Hij had haar eerste loon persoonlijk uitbetaald en bij haar moeders begrafenis een krans gestuurd die zij te groot had gevonden voor het graf.

‘Uw vader zal dit ook geen plezier doen,’ zei hij.

Mien keek hem recht aan.

‘Wat bedoelt u daarmee?’

Hij trok zijn handen terug. ‘Dat hij van dit bedrijf houdt.’

Ze wilde hem vragen of liefde ergens op de arbeidslijst stond. Het zou een mooie zin zijn geweest, en nutteloos. Ze zei alleen dat ze haar werk moest doen. Nadat hij was weggegaan, zat ze lang stil voordat ze het eerste afschrift begon.

Aan het einde van de bladzijde schreef ze de namen voluit. Saar van Dalen. Dina Schaap. Truus van Leeuwen. Elisabeth van Oort. Achter iedere naam stond werk dat in het andere boek geen werk had mogen heten.

Je kunt de hoofdstukken ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Terug naar de boekenplank

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.