HOOFDSTUK 4 VAN 14
Na elf uur
Arie stond om vijf voor elf bij de achterpoort. Hij had Ben op zijn arm, gewikkeld in een jas die voor een veel groter kind bestemd was. De mouwen hingen slap langs zijn benen. Het jongetje sliep met zijn mond tegen de kraag van zijn vader.
Mien liep naar buiten. De koude lucht deed pijn aan haar warme gezicht.
‘Ze zijn nog even bezig.’
‘Dat dacht ik wel.’
Arie verplaatste het gewicht van zijn zoon. Onder de andere arm droeg hij een pakje. Toen Mien ernaar keek, zei hij dat het Saars brood was, dat ze vergeten had. Ze stak haar hand uit, maar hij gaf het niet af.
‘Komt ze zelf?’
Binnen klonk de stem van Antje. Mien kon niet verstaan wat ze riep. Het was het enige onderscheid dat ze na vier uur nog kon maken: stemmen waren menselijk, de rest hoorde bij het gebouw.
‘Ik zal haar halen.’
Ze ging terug naar de mangelzaal. Aan de toevoertafel lag nog een stapel grote kleden, de rode kronen aan één kant. Saar en Truus stonden tegenover elkaar en trokken het volgende kleed recht. Dina bond een pakket servetten dicht.
‘Arie is er,’ zei Mien.
Saar knikte zonder op te kijken. ‘Ben ook?’
‘Hij slaapt.’
‘Nog deze stapel,’ zei Antje. Ze telde de kleden met de rand van haar hand. ‘Zes. Die laten we niet liggen.’
‘Ik moet naar huis.’
‘Dina moet ook naar huis.’
Mien stond tussen hen in, met een lege mand tegen haar knie. Ze had tegen Saar willen zeggen dat zes kleden niet lang konden duren. Op hetzelfde ogenblik begreep ze dat dit precies de zin was waarvan Saar al de hele avond moe werd.
‘Ik kan jouw kant overnemen,’ zei ze.
Antje keek haar aan. ‘Jij hebt een uur nodig voor één kleed.’
Truus lachte zacht, zonder plezier. Saar trok het kleed van de stapel en gaf de hoek aan haar door.
‘Dan deze zes. En de tijd gaat door tot ik klaar ben.’
Mien knikte. Ze had haar schrift naar binnen kunnen halen en elf uur op de regel kunnen schrijven, met daarna iedere minuut die nog kwam. In plaats daarvan ging ze naar Arie om te zeggen dat het een kwartier zou duren. Hij zei niets. Zijn zoon had zijn ogen geopend en keek over zijn vaders schouder naar de schoorsteen.
De eerste twee kleden kwamen goed door. Bij het derde zat een vouw overdwars, een dikke richel die Antje met haar handpalm aanwees. Saar zei dat het aan de tafel scheef liep. Bram, die bij de deur van de ketelruimte stond, kwam dichterbij. Hij keek onder de rand, veegde met een doek ergens langs en zei dat ze het rustiger moesten aangeven.
‘Rustiger is morgen,’ zei Antje.
Mien hoorde zichzelf zeggen dat dit echt de laatste stapel was. Het klonk als een geruststelling voor niemand in het bijzonder.
Later zou ze de volgorde telkens anders voor zich zien. Soms hoorde ze eerst Saar roepen. Soms zag ze eerst Truus achteruitgaan, met een hoek van het kleed nog in haar hand. Het geluid van de machine veranderde niet meteen. Dat bleef haar het meest bij: het werk ging een paar tellen gewoon door, terwijl er al iets was gebeurd dat zich niet meer in het gewone werk liet terugduwen.
Saar stond gebogen, haar rechterarm voor zich. Ze maakte een geluid dat Mien nooit eerder uit een mens had gehoord. Antje riep om Bram. Bram rende naar de schakelaar. Mien wist niet waar ze haar handen moest laten. Ze zag de stof strak worden, zag Truus eraan trekken en hoorde iemand zeggen dat ze los moest laten.
Toen was het stil, op het draaien van iets dat nog uitliep na.
Mien stond tegen Saar aan, zonder zich te herinneren dat ze naar haar toe was gelopen. Saar zei iets over haar hand. Ze herhaalde dezelfde woorden, telkens iets zachter. Bram en Antje werkten aan de machine. Mien keek naar Saars gezicht en hield haar linkerschouder vast. Haar huid was koud geworden.
‘Blijf staan,’ zei Mien. ‘Ik ben hier.’
Saar schudde haar hoofd, alsof dat geen antwoord was op wat ze gevraagd had.
Arie kwam binnen met Ben op de arm. Hij bleef één ogenblik in de deur staan. Daarna duwde hij zijn zoon in Dina's handen en liep naar zijn vrouw. Hij wilde haar optillen. Bram hield hem tegen en zei dat hij moest wachten. Arie schold hem uit. Het was vreemd om vloeken zo duidelijk te horen in de ruimte waar de hele avond ieder woord was verdwenen.
Mien rende naar het kantoor. Ze wist het nummer van de dokter niet. Het stond op het kaartje naast de telefoon, onder het nummer van de kolenboer, maar ze kon haar ogen niet op de letters houden. Ze nam de hoorn op en vroeg om dokter Van Engelen. De stem aan de andere kant stelde een vraag. Mien gaf de naam van de wasserij, vervolgens haar eigen naam, alsof dat op de een of andere manier hielp.
Toen ze terugkwam, zat Saar op de grond. Haar arm lag in een stapel linnen. Arie knielde naast haar en had zijn hand tegen haar wang. Het was een teder gebaar dat door zijn gezicht werd tegengesproken. Hij keek op toen Mien verscheen.
‘Waar blijft hij?’
‘Hij komt.’
‘U zei een kwartier.’
Ze opende haar mond, maar hij keek alweer naar Saar.
Dina had Ben meegenomen naar de kleedkamer. Ze zong, niet hard genoeg om het huilen te overstemmen. Truus liep heen en weer met dingen waarvoor niemand had gevraagd: een jas, een fles water, nog meer linnen. Antje stond bij de machine en hield haar handen tegen haar borst. De vingers van haar rechterhand beefden zichtbaar.
De dokter kwam in een overjas met daaronder een gestreepte broek. Mien schaamde zich later dat ze die broek had onthouden. Hij knielde, vroeg Saar naar haar naam en liet iedereen behalve Arie achteruitgaan. Hij zei dat ze naar Broekstad moest. Er moest een wagen komen waarmee ze liggend vervoerd kon worden. Bram liep naar de garage, hoewel de eigen wagen alleen een houten laadbak had.
Paul verscheen met zijn vader. Ze waren gewaarschuwd door de voerman, die achter de wasserij woonde en het rumoer gehoord had. Cornelis Rademaker bleef zo abrupt staan dat zijn zoon tegen hem opbotste.
‘Saar,’ zei hij.
Ze reageerde niet. De dokter stelde vragen. Wanneer was het gebeurd? Aan welke machine? Had ze haar hoofd gestoten? Antje antwoordde eerst, daarna Bram. Mien probeerde te zeggen hoe laat het was, maar de dokter was alweer bezig.
De wagen van de brandstoffenhandelaar werd gehaald, omdat daar een dicht laaddeel op zat. Er kwamen dekens. Mien zag haar eigen sjaal op Saars benen liggen. Ze moest hem ergens hebben neergelegd. Toen ze Saar naar buiten brachten, hield Mien de deur open. Arie liep naast de dokter, met een hand onder het linnen waarop de arm rustte. Hij keek niet meer naar haar.
Ben ging met Dina mee naar huis. Het kind had opgehouden met huilen en vroeg of zijn moeder koud was. Dina zei dat ze dekens had. Het antwoord stelde hem tevreden.
Pas toen de wagen vertrokken was, keek iemand op de klok.
‘Half twaalf,’ zei Paul.
‘Het was eerder,’ zei Mien.
‘Natuurlijk was het eerder.’
Hij klonk geprikkeld. Zijn vader stond bij de natte afdrukken op de vloer. Aan zijn schoenen hingen witte draden. Hij bukte om ze weg te halen en kwam niet meteen weer omhoog.
Mien ging naar de lessenaar om de eindtijd bij de vrouwen te schrijven. Het blauwe schrift lag waar ze het had achtergelaten, onder de inkomende post. Ze schreef elf uur twintig, staarde naar het getal en trok er een streep door. Ze wist niet hoe laat het was geweest.
Onder de regel van Saar schreef ze: ongeval. Het woord was te klein voor de lege ruimte erachter.