HOOFDSTUK 3 VAN 14
De rode kroon
De kisten van het hotel kwamen dinsdagmiddag, vlak voordat de eerste vrouwen naar huis zouden gaan. Er waren er zes, met ijzeren banden en de naam DE KROON in zwarte letters op het hout. De voerman wilde een handtekening voor hij ook maar één deksel losmaakte.
‘Ik teken voor zes kisten,’ zei Mien. ‘Niet voor wat erin zit.’
‘Dat zet u er dan bij.’
Hij hield het papier tegen de muur. Mien schreef het erbij. Er was bijna geen plek, doordat de voerman zijn vingers over de helft van de regel had gelegd.
Paul kwam de binnenplaats op zonder jas. Hij had de mouwen van zijn overhemd opgestroopt, wat altijd betekende dat hij ging kijken hoe anderen werkten. Mien vond de gedachte onbillijk zodra ze haar had. Hij droeg zelf een van de kisten naar binnen, al zette hij hem na drie passen neer om Bram om hulp te vragen.
‘Vrijdag om tien uur terug,’ zei hij. ‘Schoon, gemangeld, gesorteerd. Voor het diner moet alles op tafel kunnen.’
Antje had de eerste stapel al uit een kist gehaald. De randen van de tafelkleden waren vuiler dan Mien zich herinnerde. Op een ervan zat een donkere kring die bijna de halve breedte besloeg.
‘Dit komt niet van één diner,’ zei Antje.
‘Ze hebben een achterstand.’
‘Die wij mogen wegwerken.’
Paul liet zich door haar toon niet afschrikken. Hij zei dat dit precies de bedoeling was. Als ze het goed deden, zou De Kroon weer iedere week bestellen. Niet alleen de tafelkleden, ook het beddengoed. De ketels konden weer vol, de kar zou minder lege kilometers rijden. Antje luisterde met het doek op haar armen.
‘En wie gaat er staan?’
‘Wie je nodig hebt.’
‘Dat is geen naam.’
‘Vraag de vrouwen van vorige week.’
Ze liep met de stapel naar de sorteertafel. Mien volgde Paul naar het kantoor en haalde onderweg de brief van haar vader uit haar tas. Hij las hem bij het raam. Zijn gezicht veranderde niet, maar hij las het vel twee keer.
‘Is je vader ongerust?’
‘Hij zegt dat het onderdeel vervangen moet worden.’
‘Dat weet Bram.’
‘Bram koopt het niet.’
Paul legde de brief op de stapel die voor zijn vader bestemd was. Mien pakte hem eraf.
‘Vader vroeg of ik hem aan jou wilde geven.’
‘Je hebt hem aan mij gegeven.’
Hij leek vermoeid. In de verte liep een hond blaffend achter een handkar aan. Paul streek met zijn hand over zijn mond en vroeg of ze thee wilde. Mien zei dat er al thee stond. Het was even vreemd stil tussen hen.
Ze kenden elkaar langer dan zij op de lessenaar zat. Als jongen had hij in de vakanties op het terrein rondgelopen met een zakmes waarmee hij overal zijn naam in kerfde. Mien had hem één keer uitgelachen omdat hij het mes niet dicht kreeg. Hij had haar uitgescholden, was naar zijn moeder gegaan en die had gezegd dat hij het dan maar moest leren. In de deurpost van de oude stal stond nog een P die hij half had afgemaakt.
‘Het moet even mee,’ zei hij. ‘Daarna laat ik iemand komen.’
‘Vader heeft het over een tijdelijke reparatie.’
‘Alles is op het ogenblik tijdelijk.’
Hij zei het zacht, zonder het gewicht dat zij had verwacht. Dat maakte het moeilijker om erop terug te komen. Hij pakte een brief van de bank en legde hem voor haar neer. De bedragen waren voor de helft afgedekt door zijn hand, maar zij zag genoeg. De wasserij had meer geld uitgegeven dan er op de rekening stond. Het bedrag was groter dan haar jaarloon.
‘Vader wil niet dat de vrouwen het weten,’ zei Paul.
Mien keek naar de hand op het papier. Zijn nagels waren kort, de huid langs zijn duim kapotgebeten.
‘Je hoeft me dat niet te laten zien.’
‘Ik wil niet dat je denkt dat ik het vergeet.’
Ze wilde zeggen dat vergeten niet het enige was wat een mens kon doen. In plaats daarvan vroeg ze hoeveel uur er die avond gerekend moest worden.
Om halfzeven kwamen Dina en Truus door de achterpoort. Dina droeg haar werkschoenen in een boodschappentas en liep op kousen over de laatste meters van de binnenplaats. Ze had een blaar op haar hiel. Truus had een pannetje eten bij zich dat ze op de rand van de ketelruimte wilde warmhouden. Antje stuurde het pannetje naar de kleedkamer. De laatste keer had iemand ertegen gestoten en was de saus tussen de vloerdelen gelopen.
Saar kwam pas na zevenen.
‘Arie haalt me om elf uur,’ zei ze. ‘Hij heeft Ben meegenomen naar zijn broer.’
‘Dan moet hij iets later komen,’ zei Antje.
‘Dat kan niet. Zijn broer moet vroeg op.’
Mien stond met het blauwe schrift bij de deur. Ze had voor ieder een regel gemaakt, met ruimte voor de eindtijd. Bij Saar had ze het betwiste uur van de vorige week opgeteld. Ze had Antje er niets over gezegd.
‘Voor elf uur zien we wel hoever we zijn,’ zei ze.
Saar keek naar de stapels. Ze telde met haar ogen de bovenste kleden.
‘Dat zegt u gemakkelijk.’
Mien voelde zich betrapt. Ze had net besloten die avond zelf te blijven, al had niemand haar dat gevraagd. Ze wilde zien hoeveel werk het was, hoe lang het duurde en of Antje werkelijk uren liet verdwijnen. Ook wilde ze in de buurt van de mangel zijn, zonder precies te weten wat zij daar zou kunnen uitrichten.
‘Ik blijf ook,’ zei ze.
‘Dan maakt u straks de thee.’
Saar hing haar mantel aan een haak en begon haar mouwen op te rollen. De huid onder haar ellebogen was lichter dan die op haar handen. Ze haalde een smalle band uit haar zak en bond haar haar bijeen. Mien zag een kindervingerafdruk van iets donkers op haar schouder.
De eerste uren deed Mien weinig meer dan tellen. Tweeënzeventig servetten, veertig slopen, twaalf grote kleden. Het getal van de kleden wilde steeds niet uitkomen doordat er twee tussen de bedlakens lagen. Antje werd ongeduldig wanneer Mien opnieuw begon. Na de derde keer pakte ze het potlood uit haar hand.
‘Dit zijn geen boeken. Ze lopen niet weg.’
‘Er is er vorig jaar één zoekgeraakt.’
‘En daarom tellen we er nu acht keer twaalf?’
Mien deed haar jas uit en ging naast Dina staan. Samen vouwden ze het eerste tafelkleed. Ze pakte de verkeerde hoek, waardoor de kroon onder een vouw verdween. Dina trok de stof vriendelijk maar beslist terug.
‘Eerst naar mij toe. Zo. De kroon moet boven. Anders denkt die mevrouw dat het van een ander komt.’
Het was warm in de zaal. Mien voelde na een halfuur haar rug, na een uur haar voeten. Dina vertelde over haar oudste zoon, die een brief uit Duitsland had gestuurd met een foto van een straat waar volgens haar geen enkel Nederlands woord op stond. Hij had werk gezocht en schreef dat het daar ook moeilijk was. Ze had de foto onder de klok gezet, hoewel er niemand op stond die ze kende.
Mien luisterde. Saar aan de andere kant van de tafel lachte om iets wat Truus zei, een korte hoge lach die boven de machines uitkwam. Voor het eerst die dag leek ze zo jong als ze was.
Om kwart voor tien bracht Bram thee. Hij had de glazen op een plank gezet en moest hem met twee handen dragen. Paul kwam nog even kijken. Hij liep langs de stapels, zei dat ze flink opschoten en vroeg aan Mien of ze het kantoor straks wilde sluiten.
‘Blijf jij niet?’
‘Ik moet met vader iets bespreken.’
Ze wist niet waarom dat antwoord haar teleurstelde. Toen hij vertrokken was, dronk ze haar thee, die zo sterk was dat er een bittere rand aan het glas bleef hangen. Naast de mangel lag een strook versleten linnen op de grond. Ze bukte om hem op te rapen. Bram legde een hand op haar arm.
‘Laat die maar. Die hoort daar.’
Ze keek van het doek naar hem. Hij schudde zijn hoofd, niet afwerend, eerder alsof hij geen tijd had voor de uitleg. Antje riep dat de laatste kleden nu door moesten. Mien zette haar glas neer.