HOOFDSTUK 8 VAN 14
Het huis van Antje
Antje woonde achter de slagerij, in een huis dat vanaf de straat niet te zien was. Je moest door een steeg waarin je alleen rechtuit kon lopen als je je schouders een beetje naar binnen hield. Mien was er eenmaal geweest, jaren geleden, om een boodschap over een verschoven werkdag door te geven. Ze herinnerde zich vooral dat Antje toen een schort had gedragen dat helemaal schoon was.
Nu stond ze zonder schort voor de deur. Ze keek naar het papier in Miens hand.
‘Ik heb alles al gezegd.’
‘Dit gaat over de uren.’
‘Die zijn er niet meer van geworden.’
Toch liet ze Mien binnen. In de keuken lag een rij sokken op tafel, gestopt en ongestopt naast elkaar. Aan een spijker hing een foto van een jongen in een nieuw pak. Zijn jas sloot niet helemaal bij de hals. Joop, wist Mien, Antjes zoon, die een leertijd in een metaalbedrijf volgde. Antje stuurde hem iedere zaterdag geld voor zijn kamer.
Er stond één kop op tafel. Mien zei dat ze geen thee hoefde.
‘Ik ging het ook niet vragen.’
Antje pakte een sok en draaide hem over haar hand. Mien bleef staan tot ze een stoel met haar voet naar achteren schoof.
‘Saar heeft vorige week dinsdag vier uur gewerkt,’ zei Mien. ‘Ik heb drie uur gekregen.’
‘Dan heb je drie uur.’
‘Dina zegt dat het kwart over twaalf was.’
Dat had Dina die middag inderdaad gezegd, toen Mien haar bij de poort trof. Ze had het niet bedoeld als beschuldiging en was geschrokken toen Mien het opschreef.
‘Ze doen lang over alles,’ zei Antje. ‘Ze praten, ze drinken thee. Als ik dat allemaal betaal, moet ik zelf geld meebrengen.’
‘Het komt niet uit jouw zak.’
‘Nee, uit een zak die leeg is. Daar kun jij toch zo goed in kijken?’
Mien legde haar vel op tafel. Antje nam het niet aan.
‘We hebben te weinig uitbetaald. Aan meer mensen.’
‘En nu kom jij dat allemaal rechtzetten.’
‘Ik kom vragen wat er klopt.’
Antje stak de stopnaald in de sok, trok hem er weer uit en legde hem neer. Ze drukte haar hand tegen haar voorhoofd. Mien zag een dunne streep blauw garen die aan haar mouw kleefde.
‘De oude zei dat het geen vaste avonden mochten worden,’ zei Antje. ‘Er mocht nergens uit blijken dat we het niet aankonden met wie er nog op de lijst stond. Paul zei dat hij de betaling wel regelde. Jij zat met je boek. Ik moest ervoor zorgen dat het goed klaar was. Wat had ik dan moeten doen?’
Mien dacht aan de zes kleden en zweeg.
‘Ik heb zelf ook extra uren gemaakt. Heb je die gezien?’
‘Nee.’
‘Omdat ik ze niet heb opgegeven.’
‘Dat maakt Saars uur niet minder.’
Antje keek op. Haar gezicht trok samen, niet door woede alleen. Mien zag dat ze haar met die ene opmerking had geraakt op de plaats waar zij zich nog behoorlijk had kunnen voelen.
‘Ik weet dat wel,’ zei ze.
Ze zei het zo zacht dat Mien bijna vroeg of ze het wilde herhalen.
Uit het voorhuis kwam het geluid van de slager die zijn werkbank schrobde. Het water liep langs de drempel de steeg in. Antje pakte een doek en schoof hem met haar voet tegen de onderkant van de deur, een beweging die ze kennelijk dagelijks maakte.
‘Wat heb je op die verklaring gezet?’ vroeg Mien.
‘Dat ze te dicht bij de invoer kwam.’
‘Heb je dat gezien?’
‘Ik stond erbij.’
‘Ik ook. Ik weet alleen dat ze opeens vastzat.’
Antje keek naar de foto van haar zoon. ‘Ik heb gezegd dat ik had geroepen dat ze moest wachten.’
‘Voor of nadat het gebeurde?’
Er gleed iets van Antjes gezicht weg. Ze ging zitten en trok de sok terug naar zich toe.
‘Dat weet ik niet meer.’
Mien knikte. Voor het eerst die avond voelde ze geen behoefte om nog een vraag te stellen. Ze bleef zitten terwijl Antje met de naald zocht naar de rand van het gat. Na een poos schoof Antje het papier naar zich toe en zette een kruisje bij drie uren. Bij twee andere schreef ze een vraagteken. Ze tekende niet onderaan.
‘Geef me dit morgen nog eens,’ zei ze.
Op weg naar huis zag Mien de winkels sluiten. Bij de bakker stond een meisje met een lege mand op de stoep. De bakker hield de deur op een kier en gaf haar iets in een doek. Mien keek weg omdat het meisje haar zag kijken.
Haar vader was niet thuis. De pan stond koud op het fornuis en op de tafel lag het metalen onderdeel uit de doek. Zij pakte het nu wel op. Het was zwaarder dan zij had verwacht, met een rand die in de huid drukte. Ze legde het terug. In de la waarin haar vader het bewaarde, lag alleen de lege doek.
Hij kwam een halfuur later binnen en sloot de deur voorzichtig.
‘Waar was u?’
‘Bij Cornelis.’
Ze stond bij de tafel. Hij zag het onderdeel en trok zijn jas niet uit.
‘Ik wilde horen wat die man gezegd had.’
‘Dan had u bij mij kunnen komen.’
‘Jij was er niet.’
Ze wilde niet nogmaals uitleggen dat het om de volgorde ging. Hij had eerder kunnen vragen. Hij had kunnen wachten. Hij had niet rechtstreeks naar Rademaker hoeven gaan alsof de wasserij nog altijd een plaats was waar hij bescherming kon vinden tegen de zorgen thuis.
‘Waar is uw brief?’ vroeg ze.
Haar vader haalde hem uit zijn binnenzak. Het vel was eenmaal extra gevouwen en daardoor smaller dan toen Mien het had geschreven.
‘Paul gaf hem terug.’
‘Waarom?’
‘Omdat er verkeerde dingen uit gelezen kunnen worden.’
Mien sloot haar ogen. Toen ze ze weer opende, hield haar vader het papier voor zich alsof hij het aan haar wilde geven maar bang was dat zij er hard aan zou trekken.
‘Het is een slecht onderdeel,’ zei hij. ‘Dat heb ik gezegd. Maar dat betekent niet dat daardoor een arm vast komt te zitten. Er is meer aan zo'n machine. Iemand kan iets verkeerd doen.’
‘Ook iemand die er iets in zet?’
Hij keek haar aan. De woorden waren eruit voordat zij de pijn ervan helemaal had begrepen.
‘Ja,’ zei hij. ‘Ook die.’
Ze gingen allebei zitten. Haar vader legde de brief tussen hen in. Hij vertelde nu dat hij bij de reparatie meer had gezien dan het versleten onderdeel: een geleiding die niet goed vastzat, een beugel die bij het schoonmaken verschoven werd en niet altijd terugkwam waar hij hoorde. Hij had Bram gezegd dat de machine behoorlijk moest worden nagezien. Daarna had hij hem toch weer aan het lopen geholpen.
‘Je hoort het geluid en je denkt dat hij er weer is,’ zei hij. ‘Alsof een ding beter is omdat het beweegt.’
Mien nam zijn hand niet vast. Ze dacht dat hij dat niet zou verdragen. Ze draaide alleen het vel naar zich toe en streek de nieuwe vouw glad.
‘Ik heb het vandaag niet verteld,’ zei ze. ‘Aan de inspecteur. Dat ik wist van uw waarschuwing.’
Hij keek naar haar.
‘Omdat ik niet wilde dat u erin terechtkwam.’
‘Ik zit er al in,’ zei haar vader.
Hij stond op en zette de pan op het vuur. Ze aten laat, met de brief onder een omgekeerd bord op tafel, omdat er anders vet op kon spatten.